Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2234
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,029 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2234 text/xml public 2026-04-08T11:01:47 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-24 BRE 25/3166 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2234 text/html public 2026-04-08T11:00:47 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2234 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-03-2026 / BRE 25/3166 Heeft eiseres een procesbelang gehad in de bezwaarprocedure? RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3166 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht , het college (gemachtigde: [gemachtigde] ). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een besluit van het college, waarin het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft gehad in de bezwaarprocedure. Dat betekent dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard door het college. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Wel constateert de rechtbank dat sprake is van een gebrek, omdat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eiseres een procesbelang had en of sprake is van een gebrek in de bezwaarprocedure. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Op 22 augustus 2024 heeft het college tweemaal een aanwijzing en last onder dwangsom verzonden naar [organisatie] (Hierna: [organisatie] ). Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. 2.1. Met het bestreden besluit van 9 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het bezwaar kennelijk-niet ontvankelijk verklaard. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de vader van eiseres en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar van eiseres terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Het college legt eiseres op 22 augustus 2024 een aanwijzing en last onder dwangsom op, omdat het kinderdagverblijf binnen [organisatie] in het jaar 2023 niet zou hebben voldaan aan het aantal coachingsuren dat jaarlijks wordt vereist op grond van de Wet kinderopvang en het Besluit kwaliteit kinderopvang. Eenzelfde aanwijzing en last is opgelegd ten aanzien van de buitenschoolse opvang, die ook binnen [organisatie] valt. Deze besluiten zijn genomen naar aanleiding van een inspectierapport van de GGD van 10 mei 2024. 4.1. Op 1 oktober 2024 maakt eiseres bezwaar tegen bovengenoemde besluiten. Het bezwaar richt zich tegen de aanwijzingen en lasten, maar ook tegen het daaraan ten grondslag liggende onderzoek van de GGD. Ten aanzien van de besluiten stelt eiseres dat deze onjuist zijn, omdat wel degelijk wordt voldaan aan de coachingsuren. Zo zijn de uren van de interne coach niet meegerekend, zijn de uren die aan buddy-coaching zijn besteed ook niet meegerekend en moeten ook de overleguren in dit kader worden meegerekend. Alles opgeteld zouden ongeveer 68 uren aan coachingsuren toegeschreven kunnen worden aan [organisatie] . Nu de verdeling van de uren naar eigen inzicht plaats kan vinden, kan er geen sprake zijn van een overtreding. 4.2. Op 25 maart 2025 zijn de aanwijzingen en lasten ingetrokken, nadat uit onderzoek door de GGD op 26 november 2024 is gebleken dat voldaan is aan de coachingsuren en daarmee aan de aanwijzingen en lasten. 4.3. Op 9 mei 2025 heeft het college het bezwaar niet ontvankelijk verklaard, omdat het college de besluiten waartegen bezwaar was gemaakt al had ingetrokken en eiseres geen procesbelang meer zou hebben bij beoordeling van haar bezwaren. Wanneer is sprake van een procesbelang? 5. Met procesbelang wordt bedoeld het belang dat de eiseres (nog) heeft bij de uitkomst van de aanhangige procedure. Het is een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het bezwaar of beroep. De vraag die hierbij gesteld moet worden, is of het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Procesbelang kan aanwezig blijven als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. Heeft eiseres een procesbelang gehad in de bezwaarprocedure? 5.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van een procesbelang. 5.2. In het bezwaarschrift heeft eiseres verzocht de opgelegde aanwijzingen en lasten in te trekken. Op 25 maart 2025 zijn deze besluiten ingetrokken, nadat uit een nieuw inspectierapport is gebleken dat geen sprake is geweest van een overtreding. Met de intrekking van de bestreden besluiten is het doel dat eiseres met haar bezwaar beoogde te bereiken, bereikt. Hierdoor kan het procesbelang niet meer bestaan uit het alsnog doen herroepen van die bestreden besluiten . 5.3. Om vanwege schade van een procesbelang te kunnen spreken, dient eiseres tot op zekere hoogte aannemelijk te maken dat zij ten gevolge van de besluiten schade heeft geleden. Hoewel eiseres stelt dat ouders en medewerkers hebben gevoeld dat er iets aan de hand was en dat het handhavingstraject stress en onzekerheid heeft opgeleverd, is dit onvoldoende om daaruit een procesbelang af te leiden. Daarbij is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk schade is geleden, nu eiseres niet heeft kunnen onderbouwen dat de gevoelens van stress en onzekerheid ook hebben geleid tot – materiële – schade. 5.4. Eiseres stelt dat zij nog een procesbelang heeft, omdat de GGD-rapporten waarop de aanwijzingen en de lasten zijn gebaseerd (door de GGD) online openbaar zijn gemaakt en dat zij vreest dat zij daardoor mogelijk zowel minder cliënten als minder sollicitanten zal krijgen. De rechtbank overweegt hierover dat niet het college maar de GGD verantwoordelijk is voor die rapporten en de publicatie ervan en dat daarom het intrekken van de rapporten of het ongedaan maken van de publicatie ervan niet kan worden bereikt met deze procedure. Dat levert dan ook geen voldoende procesbelang op. 5.5. De beroepsgrond slaagt niet. Schending zorgvuldigheidsbeginsel 6. De rechtbank constateert dat sprake is van een gebrek in de bezwaarprocedure. Het college heeft overwogen dat geen sprake is geweest van een procesbelang. Voorafgaand aan deze beslissing is niet aan eiseres gevraagd of en in hoeverre zij een belang heeft bij het voeren van de procedure. Het college heeft dit dus aangenomen, zonder daar zorgvuldig onderzoek naar te verrichten. Dit maakt dat sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit. 6.1. Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Dit is vastgesteld in artikel 6:22 van de Awb.