Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-14
ECLI:NL:RBAMS:2024:3568
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,510 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5405
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van de WOZ-waarde van zijn woning door de heffingsambtenaar.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van [de persoon] , vergezeld door taxateur [naam] .
Feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft met een aanslag van 25 februari 2023 de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 458.000,-. Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam voor het jaar 2023 opgelegd.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser met de uitspraak op bezwaar van 4 september 2023 ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingediend.
2.3.
Met een e-mail van 24 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar eiser laten weten dat naar aanleiding van het beroepschrift is geconstateerd dat de waarde van de woning van eiser inderdaad te hoog is vastgesteld, als gevolg van een foutief geregistreerde oppervlakte. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning van eiser verlaagd naar € 395.000,- en eiser gevraagd of dit aanleiding is voor eiser om zijn beroepschrift bij de rechtbank in te trekken. Tevens heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat hij het door eiser betaalde griffierecht zal vergoeden.
2.4.
Met een e-mail van 25 oktober 2023 heeft eiser de heffingsambtenaar laten weten het eens te zijn met de waarde van € 395.000,-. Eiser wenst zijn beroepschrift echter niet in te trekken. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar in deze en in andere zaken pas nadat de gang naar de rechter dreigde tijd vrijmaakt om argumentaties te onderzoeken. De werkwijze lijkt erop te zijn gericht weinig tot geen aandacht te besteden aan inhoudelijke bezwaren van de burger en alle zienswijzen af te wijzen, en de juridische weg als een filter te gebruiken om burgers af te schrikken en om hen te ontmoedigen om door te gaan met het bezwaarproces, aldus eiser. Hij wil dit met deze procedure kenbaar maken en een signaal afgeven aan de rechter dat de werkwijze van de gemeente kwalijk is voor de burger, de rechtspraak en de werklast van de rechtbank.
2.5.
Op de zitting is het standpunt van eiser aan de orde gekomen. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat vorig jaar bijna een verdriedubbeling van het aantal bezwaarschriften is binnen gekomen. Dit kan zijn weerslag hebben op de kwaliteit die geleverd wordt. De heffingsambtenaar heeft aangegeven dat dit een punt van aandacht is en dat de laatste tijd wordt gewerkt aan een betere motivering van de uitspraken op bezwaar.
Beoordeling
3.1.
Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, toetst de rechtbank ambtshalve of sprake is van procesbelang. Dat houdt in dat het resultaat dat wordt nagestreefd met een procedure ook daadwerkelijk kan worden bereikt met die procedure. Het realiseren van dat resultaat moet voor eiser ook feitelijke betekenis hebben. Als eiser geen procesbelang heeft, zal de rechtbank het beroepschrift niet-ontvankelijk verklaren en het beroepschrift niet inhoudelijk behandelen.
3.2.
Vaststaat dat eiser het eens is met de in beroep verlaagde waarde van € 395.000,-. Tevens is toegezegd dat zijn griffierecht wordt vergoed. Dat betekent dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de voorliggende besluitvorming. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer. Het standpunt van eiser ten aanzien van de werkwijze van de heffingsambtenaar kan, wat daarvan verder ook zij, niet leiden tot procesbelang. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is namelijk onvoldoende voor het aannemen daarvan.
Conclusie
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. De heffingsambtenaar heeft reeds toegezegd het griffierecht aan eiser te zullen vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen (https://mijn.rechtspraak.nl/keuze)” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet waardering onroerende zaken.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6367.