Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:1910
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,160 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 text/xml public 2026-03-23T16:13:28 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-16 24/7294, 24/7295 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032302 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 text/html public 2026-03-23T13:57:37 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-03-2026 / 24/7294, 24/7295 Inkomstenbelasting, tariefmaatregel, beroepen ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/7294, 24/7295 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 13 september 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2021 en 2022 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar de volgende inkomens: Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang 2021 € 105.855 € 1.000.000 2022 € 47.420 - 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2021 en 2022. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende voor het jaar 2021 niet-ontvankelijk verklaard en behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2021 afgewezen en het bezwaar voor het jaar 2022 ongegrond verklaard. 1.3. Partijen hebben ingestemd met het overslaan van de bezwaarfase (prorogatie) voor zover het beroep de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering betreft. Belanghebbende heeft verklaard dat het beroep niet is gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar voor het jaar 2021. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . 1.5. Na het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank het aangetekend verzonden verweerschrift ongeopend retour ontvangen met de vermelding “Niet afgehaald; retour afzender”. De rechtbank heeft het verweerschrift nogmaals per gewone post aan belanghebbende verzonden. Verder heeft de rechtbank belanghebbende op 19 februari 2026 verzocht om te laten weten of hij behoefte heeft aan een schriftelijke reactie of een nadere zitting naar aanleiding van het verweerschrift. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat als zij geen reactie ontvangt, zij ervan uitgaat dat zij uitspraak kan doen zonder dat een schriftelijke reactie of zitting plaatsvindt. Belanghebbende heeft op die brief niet gereageerd. Om die reden doet de rechtbank uitspraak zonder nadere schriftelijke ronde of zitting. 1.6. Belanghebbende heeft na de zitting een nader stuk ingediend op 16 en 17 februari 2026 waarin hij melding maakt van een mogelijk datalek. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien voor heropening van het onderzoek, omdat het de inhoudelijke behandeling van de zaak niet raakt. Verder heeft de rechtbank belanghebbende op 19 februari 2026 geïnformeerd dat geen sprake is van een datalek bij de rechtbank en er na overleg met de Privacy Officer geen melding zal worden gedaan. Feiten 1.7. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2021 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.855 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.000.000. Belanghebbende heeft daarbij een bedrag van € 49.500 wegens onderhoudsverplichtingen voor de ex-partner in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrek. 1.8. De inspecteur heeft op 6 februari 2024 de definitieve aanslag IB/PVV 2021 opgelegd conform de ingediende aangifte. Bij het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur (onder meer) vanwege de persoonsgebonden aftrek een tariefsaanpassing toegepast (de tariefmaatregel) . Als gevolg daarvan is het tarief in de hoogste schijf verhoogd met 6,5%, voor zover de persoonsgebonden aftrek het belastbaar inkomen uit werk en woning in die schijf heeft verminderd. 1.9. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2022 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.420. Belanghebbende heeft daarbij een bedrag van € 69.300 wegens onderhoudsverplichtingen voor de ex-partner in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrek. 1.10. De inspecteur heeft op 30 maart 2024 de definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag is de inspecteur niet afgeweken van de ingediende aangifte. Wel heeft hij de tariefmaatregel toegepast en een tariefsaanpassing van 9,5% gehanteerd vanwege (onder meer) de persoonsgebonden aftrek. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2021 en 2022 naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of terecht de tariefmaatregel is toegepast vanwege de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen bij belanghebbende. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat de tariefmaatregel terecht is toegepast vanwege de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering 3. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat zij het standpunt delen dat op basis van de wet de tariefmaatregel van toepassing is en dat als de rechtbank van oordeel is dat de tariefmaatregel moet worden toegepast dit in de aanslagen IB/PVV 2021 en 2022 op de juiste wijze is gedaan. De vraag die partijen verdeeld houdt is of toepassing van de tariefmaatregel vanwege de aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen achterwege moet blijven. 3.1. Belanghebbende stelt dat de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen tegen het progressieve tarief aftrekbaar moeten zijn zonder toepassing van de tariefmaatregel, omdat de betalingen bij de ontvanger progressief worden belast zonder toepassing van de tariefmaatregel. Belanghebbende stelt voorts dat de toepassing van de tariefmaatregel in strijd is met het belastingrecht en diverse algemene rechtsbeginselen. Ter zitting heeft belanghebbende zijn eerdere standpunten toegelicht en gesteld dat de tariefmaatregel mede een schending van het internationale verbod op discriminatie en het recht op eigendom oplevert. Belanghebbende stelt tenslotte dat de regels met betrekking tot de aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst konden worden aangepast. 3.2. De inspecteur stelt dat de tariefmaatregel niet in strijd is met het belastingrecht of enig rechtsbeginsel. Voor zover er een onderscheid wordt gemaakt in de heffing tussen de betaler en de ontvanger van onderhoudsverplichtingen valt deze keuze volgens de inspecteur binnen de gerechtvaardigde beleidskeuzevrijheid van de wetgever. 3.3. De door de inspecteur gehanteerde tariefmaatregel vloeit rechtstreeks voort uit de wet. In verband met het grondwettelijke verbod wetten in formele zin te toetsen aan ander recht dan internationaal recht kan de rechter de afweging van de wetgever niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dat is het geval indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven of als toepassing van de wet voor belanghebbende onredelijk bezwarend is. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende op als een beroep op bijzondere omstandigheden als in voornoemde zin. 3.4.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 text/xml public 2026-04-02T13:47:02 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-16 24/7294, 24/7295 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032302 V-N Vandaag 2026/529 FutD 2026-0538 NDFR Nieuws 2026/505 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 text/html public 2026-03-23T13:57:37 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-03-2026 / 24/7294, 24/7295 Inkomstenbelasting, tariefmaatregel, beroepen ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/7294, 24/7295 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 13 september 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2021 en 2022 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar de volgende inkomens: Belastbaar inkomen uit werk en woning Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang 2021 € 105.855 € 1.000.000 2022 € 47.420 - 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2021 en 2022. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende voor het jaar 2021 niet-ontvankelijk verklaard en behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2021 afgewezen en het bezwaar voor het jaar 2022 ongegrond verklaard. 1.3. Partijen hebben ingestemd met het overslaan van de bezwaarfase (prorogatie) voor zover het beroep de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering betreft. Belanghebbende heeft verklaard dat het beroep niet is gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar voor het jaar 2021. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . 1.5. Na het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank het aangetekend verzonden verweerschrift ongeopend retour ontvangen met de vermelding “Niet afgehaald; retour afzender”. De rechtbank heeft het verweerschrift nogmaals per gewone post aan belanghebbende verzonden. Verder heeft de rechtbank belanghebbende op 19 februari 2026 verzocht om te laten weten of hij behoefte heeft aan een schriftelijke reactie of een nadere zitting naar aanleiding van het verweerschrift. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat als zij geen reactie ontvangt, zij ervan uitgaat dat zij uitspraak kan doen zonder dat een schriftelijke reactie of zitting plaatsvindt. Belanghebbende heeft op die brief niet gereageerd. Om die reden doet de rechtbank uitspraak zonder nadere schriftelijke ronde of zitting. 1.6. Belanghebbende heeft na de zitting een nader stuk ingediend op 16 en 17 februari 2026 waarin hij melding maakt van een mogelijk datalek. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien voor heropening van het onderzoek, omdat het de inhoudelijke behandeling van de zaak niet raakt. Verder heeft de rechtbank belanghebbende op 19 februari 2026 geïnformeerd dat geen sprake is van een datalek bij de rechtbank en er na overleg met de Privacy Officer geen melding zal worden gedaan. Feiten 1.7. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2021 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.855 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.000.000. Belanghebbende heeft daarbij een bedrag van € 49.500 wegens onderhoudsverplichtingen voor de ex-partner in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrek. 1.8. De inspecteur heeft op 6 februari 2024 de definitieve aanslag IB/PVV 2021 opgelegd conform de ingediende aangifte. Bij het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur (onder meer) vanwege de persoonsgebonden aftrek een tariefsaanpassing toegepast (de tariefmaatregel) . Als gevolg daarvan is het tarief in de hoogste schijf verhoogd met 6,5%, voor zover de persoonsgebonden aftrek het belastbaar inkomen uit werk en woning in die schijf heeft verminderd. 1.9. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2022 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.420. Belanghebbende heeft daarbij een bedrag van € 69.300 wegens onderhoudsverplichtingen voor de ex-partner in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrek. 1.10. De inspecteur heeft op 30 maart 2024 de definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag is de inspecteur niet afgeweken van de ingediende aangifte. Wel heeft hij de tariefmaatregel toegepast en een tariefsaanpassing van 9,5% gehanteerd vanwege (onder meer) de persoonsgebonden aftrek. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2021 en 2022 naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of terecht de tariefmaatregel is toegepast vanwege de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen bij belanghebbende. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat de tariefmaatregel terecht is toegepast vanwege de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering 3. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat zij het standpunt delen dat op basis van de wet de tariefmaatregel van toepassing is en dat als de rechtbank van oordeel is dat de tariefmaatregel moet worden toegepast dit in de aanslagen IB/PVV 2021 en 2022 op de juiste wijze is gedaan. De vraag die partijen verdeeld houdt is of toepassing van de tariefmaatregel vanwege de aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen achterwege moet blijven. 3.1. Belanghebbende stelt dat de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen tegen het progressieve tarief aftrekbaar moeten zijn zonder toepassing van de tariefmaatregel, omdat de betalingen bij de ontvanger progressief worden belast zonder toepassing van de tariefmaatregel. Belanghebbende stelt voorts dat de toepassing van de tariefmaatregel in strijd is met het belastingrecht en diverse algemene rechtsbeginselen. Ter zitting heeft belanghebbende zijn eerdere standpunten toegelicht en gesteld dat de tariefmaatregel mede een schending van het internationale verbod op discriminatie en het recht op eigendom oplevert. Belanghebbende stelt tenslotte dat de regels met betrekking tot de aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst konden worden aangepast. 3.2. De inspecteur stelt dat de tariefmaatregel niet in strijd is met het belastingrecht of enig rechtsbeginsel. Voor zover er een onderscheid wordt gemaakt in de heffing tussen de betaler en de ontvanger van onderhoudsverplichtingen valt deze keuze volgens de inspecteur binnen de gerechtvaardigde beleidskeuzevrijheid van de wetgever. 3.3. De door de inspecteur gehanteerde tariefmaatregel vloeit rechtstreeks voort uit de wet. In verband met het grondwettelijke verbod wetten in formele zin te toetsen aan ander recht dan internationaal recht kan de rechter de afweging van de wetgever niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dat is het geval indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven of als toepassing van de wet voor belanghebbende onredelijk bezwarend is. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende op als een beroep op bijzondere omstandigheden als in voornoemde zin. 3.4.
Volledig
In de parlementaire behandeling bij de invoering van tariefmaatregel in artikel 2.10 van de Wet IB 2001 is het volgende vermeld: “De leden van de fractie van 50PLUS geven aan het net als de NOB onrechtvaardig te vinden dat ontvangen en betaalde partneralimentatie als gevolg van de tariefmaatregel voor grondslagverminderende posten niet tegen eenzelfde belastingtarief belast en aftrekbaar zijn en vraagt dit te heroverwegen. Ook binnen de huidige tariefstructuur vindt de aftrek van partneralimentatie al niet per definitie tegen hetzelfde tarief plaats als het tarief waartegen de alimentatie wordt belast. Het is op dit moment eerder regel dan uitzondering dat de heffing over ontvangen partneralimentatie niet tegen eenzelfde tarief plaatsvindt als de aftrek van betaalde alimentatie. Daarbij vindt de heffing over ontvangen partneralimentatie veelal tegen een lager tarief plaats dan waar de aftrek van betaalde partneralimentatie tegen plaatsvindt. Zo werd in 2016 circa 49% van de aftrek van partneralimentatie verzilverd tegen het hoogste tarief terwijl slechts circa 7% van de ontvangen partneralimentatie werd belast tegen het hoogste tarief. Door de tariefmaatregel zal de heffing over ontvangen partneralimentatie en de aftrek van betaalde partneralimentatie juist vaker tegen hetzelfde tarief plaatsvinden. (…) Er is geen reden te veronderstellen dat het verschil in tarief voor de aftrek van betaalde partneralimentatie en het tarief voor de heffing over ontvangen partneralimentatie niet juridisch houdbaar zou zijn. De tariefmaatregel voor overige grondslagverminderende posten, waaronder de aftrek van partneralimentatie, heeft als doel om budgettaire opbrengst te realiseren om de verlaging van de belasting op inkomen in box 1 mogelijk te maken. Hierbij is er onder meer voor gekozen om alle persoonsgebonden aftrekposten in de maatregel te betrekken dus ook partneralimentatie. De wetgever heeft een ruime bevoegdheid om dergelijke beleidskeuzes te maken mits deze voldoende zijn onderbouwd. (…) Fiscale wijzigingen kunnen reden zijn om eerder vastgestelde partneralimentatie te herzien. Hierbij gaat het niet alleen om de tariefmaatregel, maar ook om andere wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de behoefte van de alimentatieplichtige aan het ontvangen van partneralimentatie en de draagkracht van de alimentatiegerechtigde om partneralimentatie te betalen. 3.5. Hieruit volgt dat tijdens het wetgevingsproces expliciet aandacht is besteed aan de gevolgen van de invoering van de tariefmaatregel. De wetgever heeft er dus bewust voor gekozen om een beperking van aftrek voor grondslagverminderende posten, waaronder partneralimentatie, door te voeren ook al heeft dat tot gevolg dat partneralimentatie mogelijk wel tegen het hoogste tarief wordt belast, maar voor de aftrekgerechtigde een tariefaanpassing geldt. Daarbij is meegenomen dat ook voor invoering van de tariefmaatregel heffing en aftrek veelal niet tegen hetzelfde tarief plaatsvond – namelijk aftrek tegen een hoger tarief dan heffing – en dat door de tariefmaatregel het tarief juist vaker gelijk zal zijn. De wetgever overweegt dat invloed van de aftrekbeperking meeweegt bij het bepalen van de draagkracht voor de vaststelling van de te betalen partneralimentatie en dat fiscale wijzigingen reden kunnen zijn om eerder vastgestelde partneralimentatie te herzien. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom in de situatie van belanghebbende geen sprake van niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die strikte toepassing van de wet zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De wet is ook niet onredelijk bezwarend voor belanghebbende. 3.6. Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat sprake is van schending van het verbod op discriminatie en het recht op eigendom overweegt de rechtbank als volgt. Daarvoor is vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Op fiscaal gebied heeft de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en als dit zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch verschillend te behandelen. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. 3.7. Uit de wetsgeschiedenis van de tariefmaatregel maakt de rechtbank op dat de wetgever bewust heeft gekozen om de aftrek van grondslagverminderende posten, waaronder partneralimentatie, bij de betaler te beperken en bij de ontvanger regulier te belasten naar het progressieve tarief uit art. 2.10, lid 1, van de wet IB 2001. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever op het niveau van de regelgeving is gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge om deze gevallen niet als gelijke gevallen aan te merken en ook niet gelijk te behandelen. De tariefmaatregel is door de wetgever ingevoerd als middel om de verlaging van de belasting op inkomen mogelijk te maken. De daarbij gemaakte keuzes zijn gelet op de parlementaire geschiedenis en hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.5 niet van redelijke grond ontbloot. Belanghebbende heeft verder verklaard niet te stellen dat de tariefmaatregel in zijn geval leidt tot een individuele en buitensporige last. Van schending van het verbod op discriminatie en het recht op eigendom is dus geen sprake. 3.8. Belanghebbende stelt tenslotte dat de regels niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst hadden mogen worden aangepast. Nog daargelaten of dit mogelijk is, is naar het oordeel van de rechtbank daarvan in die situatie van belanghebbende geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe dat de tariefmaatregel per 1 januari 2020 in artikel 2.10 van de wet IB 2001 is ingevoerd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de alimentatieovereenkomst met zijn ex-echtgenote na de echtscheiding in 2021 is gesloten. De regels met betrekking tot de tariefmaatregel waren op dat moment reeds bekend. 3.9. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat de tariefmaatregel terecht is toegepast. Conclusie en gevolgen 4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV 2021 en 2022 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet vergoed. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Op grond van artikel 2.10, lid 2, van de Wet IB 2001. Artikel 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP EVRM). Artikel 2.10, lid 2, van de Wet IB 2001. Vgl. artikel 120 Grondwet (GW) en HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725, NJ 1989/469 (Harmonisatiewet). Vgl. Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815, Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, r.o. 3.6.2 en 3.6.3 en College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
Volledig
In de parlementaire behandeling bij de invoering van tariefmaatregel in artikel 2.10 van de Wet IB 2001 is het volgende vermeld: “De leden van de fractie van 50PLUS geven aan het net als de NOB onrechtvaardig te vinden dat ontvangen en betaalde partneralimentatie als gevolg van de tariefmaatregel voor grondslagverminderende posten niet tegen eenzelfde belastingtarief belast en aftrekbaar zijn en vraagt dit te heroverwegen. Ook binnen de huidige tariefstructuur vindt de aftrek van partneralimentatie al niet per definitie tegen hetzelfde tarief plaats als het tarief waartegen de alimentatie wordt belast. Het is op dit moment eerder regel dan uitzondering dat de heffing over ontvangen partneralimentatie niet tegen eenzelfde tarief plaatsvindt als de aftrek van betaalde alimentatie. Daarbij vindt de heffing over ontvangen partneralimentatie veelal tegen een lager tarief plaats dan waar de aftrek van betaalde partneralimentatie tegen plaatsvindt. Zo werd in 2016 circa 49% van de aftrek van partneralimentatie verzilverd tegen het hoogste tarief terwijl slechts circa 7% van de ontvangen partneralimentatie werd belast tegen het hoogste tarief. Door de tariefmaatregel zal de heffing over ontvangen partneralimentatie en de aftrek van betaalde partneralimentatie juist vaker tegen hetzelfde tarief plaatsvinden. (…) Er is geen reden te veronderstellen dat het verschil in tarief voor de aftrek van betaalde partneralimentatie en het tarief voor de heffing over ontvangen partneralimentatie niet juridisch houdbaar zou zijn. De tariefmaatregel voor overige grondslagverminderende posten, waaronder de aftrek van partneralimentatie, heeft als doel om budgettaire opbrengst te realiseren om de verlaging van de belasting op inkomen in box 1 mogelijk te maken. Hierbij is er onder meer voor gekozen om alle persoonsgebonden aftrekposten in de maatregel te betrekken dus ook partneralimentatie. De wetgever heeft een ruime bevoegdheid om dergelijke beleidskeuzes te maken mits deze voldoende zijn onderbouwd. (…) Fiscale wijzigingen kunnen reden zijn om eerder vastgestelde partneralimentatie te herzien. Hierbij gaat het niet alleen om de tariefmaatregel, maar ook om andere wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de behoefte van de alimentatieplichtige aan het ontvangen van partneralimentatie en de draagkracht van de alimentatiegerechtigde om partneralimentatie te betalen. 3.5. Hieruit volgt dat tijdens het wetgevingsproces expliciet aandacht is besteed aan de gevolgen van de invoering van de tariefmaatregel. De wetgever heeft er dus bewust voor gekozen om een beperking van aftrek voor grondslagverminderende posten, waaronder partneralimentatie, door te voeren ook al heeft dat tot gevolg dat partneralimentatie mogelijk wel tegen het hoogste tarief wordt belast, maar voor de aftrekgerechtigde een tariefaanpassing geldt. Daarbij is meegenomen dat ook voor invoering van de tariefmaatregel heffing en aftrek veelal niet tegen hetzelfde tarief plaatsvond – namelijk aftrek tegen een hoger tarief dan heffing – en dat door de tariefmaatregel het tarief juist vaker gelijk zal zijn. De wetgever overweegt dat invloed van de aftrekbeperking meeweegt bij het bepalen van de draagkracht voor de vaststelling van de te betalen partneralimentatie en dat fiscale wijzigingen reden kunnen zijn om eerder vastgestelde partneralimentatie te herzien. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom in de situatie van belanghebbende geen sprake van niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden die strikte toepassing van de wet zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De wet is ook niet onredelijk bezwarend voor belanghebbende. 3.6. Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat sprake is van schending van het verbod op discriminatie en het recht op eigendom overweegt de rechtbank als volgt. Daarvoor is vereist dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Op fiscaal gebied heeft de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en als dit zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch verschillend te behandelen. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. 3.7. Uit de wetsgeschiedenis van de tariefmaatregel maakt de rechtbank op dat de wetgever bewust heeft gekozen om de aftrek van grondslagverminderende posten, waaronder partneralimentatie, bij de betaler te beperken en bij de ontvanger regulier te belasten naar het progressieve tarief uit art. 2.10, lid 1, van de wet IB 2001. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever op het niveau van de regelgeving is gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge om deze gevallen niet als gelijke gevallen aan te merken en ook niet gelijk te behandelen. De tariefmaatregel is door de wetgever ingevoerd als middel om de verlaging van de belasting op inkomen mogelijk te maken. De daarbij gemaakte keuzes zijn gelet op de parlementaire geschiedenis en hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.5 niet van redelijke grond ontbloot. Belanghebbende heeft verder verklaard niet te stellen dat de tariefmaatregel in zijn geval leidt tot een individuele en buitensporige last. Van schending van het verbod op discriminatie en het recht op eigendom is dus geen sprake. 3.8. Belanghebbende stelt tenslotte dat de regels niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst hadden mogen worden aangepast. Nog daargelaten of dit mogelijk is, is naar het oordeel van de rechtbank daarvan in die situatie van belanghebbende geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe dat de tariefmaatregel per 1 januari 2020 in artikel 2.10 van de wet IB 2001 is ingevoerd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de alimentatieovereenkomst met zijn ex-echtgenote na de echtscheiding in 2021 is gesloten. De regels met betrekking tot de tariefmaatregel waren op dat moment reeds bekend. 3.9. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat de tariefmaatregel terecht is toegepast. Conclusie en gevolgen 4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV 2021 en 2022 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet vergoed. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Op grond van artikel 2.10, lid 2, van de Wet IB 2001. Artikel 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP EVRM). Artikel 2.10, lid 2, van de Wet IB 2001. Vgl. artikel 120 Grondwet (GW) en HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725, NJ 1989/469 (Harmonisatiewet). Vgl. Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815, Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, r.o. 3.6.2 en 3.6.3 en College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.