Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:7569
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,245 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4371
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [plaats] , eiser,
en
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd een dwangsombeschikking heeft genomen naar aanleiding van het niet op tijd beslissen op eisers verzoek (aanvraag) om herbeoordeling van zijn situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat geldt ook als een bestuursorgaan niet op tijd een dwangsombeschikking neemt. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog een dwangsombeschikking moet worden genomen (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk?
3. Als de betrokkene het bestuursorgaan niet in gebreke stelt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet op tijd beslissen niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval is niet gebleken dat verweerder de ingebrekestelling van 31 juli 2025 over het niet nemen van een dwangsombeschikking, heeft ontvangen. Dit blijkt niet uit de door eiser overgelegde verzendbewijzen. Daarnaast heeft eiser van de gestelde digitale verzending geen bewijs overgelegd. Aangezien de termijn van twee weken om te beslissen pas gaat lopen als verweerder de ingebrekestelling heeft ontvangen, is deze termijn nooit gaan lopen en had eiser dus ook geen beroep bij de rechtbank in kunnen stellen.
3.1.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet op tijd beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.2.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat, ook indien de ingebrekestelling wel zou zijn ontvangen door verweerder, dit niet tot een ander oordeel zou leiden. In dat geval zou beoordeeld moeten worden of verweerder heeft verzuimd om een dwangsombeschikking te nemen. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat er meerdere (afwijzende) dwangsombeschikkingen zijn afgegeven betreffende het niet op tijd beslissen op eisers aanvraag om herbeoordeling van eisers situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. Overigens heeft de rechtbank ook al geoordeeld dat verweerder (na een door eiser gestelde ingebrekestelling van 5 mei 2023) geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is voor het niet op tijd beslissen op eisers aanvraag om herbeoordeling van zijn situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 5 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Conform artikel 4:18 van de Awb.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb, zie voor de specifieke situatie van het niet op tijd nemen van een dwangsombeschikking ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290 en 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:884.
Zie de uitspraak van de AbRvS van 7 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3066, rechtsoverweging 2.1.
Besluiten van 23 november 2023, 25 april 2024, 1 mei 2024 en 4 juli 2025.
Uitspraak van deze rechtbank van 23 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3541.