Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-01-27
ECLI:NL:CRVB:2026:125
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,032 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:125 text/xml public 2026-02-12T11:56:52 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-01-27 24/1886 PW Uitspraak Hoger beroep Proceskostenveroordeling NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:125 text/html public 2026-02-04T15:10:47 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:125 Centrale Raad van Beroep , 27-01-2026 / 24/1886 PW Toekenning dwangsom vanwege niet-tijdig verstrekken toekenningsbesluit individuele inkomenstoeslag. Schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Geen dwangsom bij niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen dwangsombesluit. De rechtbank heeft ten onrechte niet beslist op het in beroep door appellant gedane verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, nu hij alsnog een dwangsom heeft toegekend, wettelijke rente verschuldigd is omdat de dwangsom al eerder betaald had moeten worden. Gelet op het feit dat het college pas in beroep tegemoetgekomen is aan het bezwaar van appellant, had de rechtbank het college daarnaast moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de gemaakte reiskosten. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is geen dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen een dwangsombesluit. 24/1886 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2024, 22/7552 en 23/4375 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college) Datum uitspraak: 27 januari 2026 SAMENVATTING In deze zaak heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op een verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over een na een ingebrekestelling aan hem toegekende dwangsom. Ook had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van griffierecht en reiskosten. Hierin krijgt appellant gelijk. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college een dwangsom, inclusief wettelijke rente, verschuldigd was omdat het college niet tijdig heeft beslist op het bezwaar tegen het naar aanleiding van de ingebrekestelling genomen dwangsombesluit. Hierin krijgt appellant geen gelijk. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente. De Raad heeft partijen met een regiebrief van 9 juli 2025 laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet en partijen meegedeeld dat het dossier voldoende informatie bevat om zonder zitting tot een uitspraak te komen. Appellant heeft de Raad in reactie op de regiebrief laten weten dat hij op een zitting wil worden gehoord. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.V. Silva de Jesus. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. 1.2. Met een besluit van 14 april 2022 heeft het college een aanvraag van appellant om een individuele inkomenstoeslag afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Het college heeft met een besluit van 14 juni 2022 het besluit van 14 april 2022 herzien en appellant alsnog een individuele inkomenstoeslag toegekend. 1.3. Met een besluit van 27 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld. 1.4. Op 27 oktober 2022 heeft appellant het college in gebreke gesteld wegens het niet verstrekken van het besluit van 14 juni 2022. Met een besluit van 23 november 2022 heeft het college te kennen gegeven niet in verzuim te zijn en geweigerd om een dwangsom toe te kennen. Hiertegen heeft appellant op 29 november 2022 bezwaar gemaakt. 1.5. Appellant heeft het college op 3 maart 2023 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022. 1.6. Appellant heeft op 9 juni 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig verstrekken van het besluit van 14 juni 2022 en tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022. 1.7. Met een besluit van 27 juni 2023 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 gegrond verklaard en appellant een dwangsom toegekend van € 1.442,-. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op het bezwaar van 27 oktober 2022 (22/7552) en het beroep tegen het niet verstrekken van het besluit van 14 juni 2022 en tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 (23/4375) niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft in de procedure met zaaknummer 23/4375 overwogen dat het college appellant met de beslissing op het bezwaar van 27 juni 2023 de volledige dwangsom heeft toegekend en dat geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit of het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Er zijn immers geen aanknopingspunten dat de wetgever heeft beoogd de ingebrekestelling aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestuursorgaan kan om die reden niet krachtens die bepaling een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de aangevallen uitspraak van de rechtbank in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Zoals ter zitting is besproken, is het hoger beroep van appellant alleen gericht tegen de uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig verstrekken van het besluit van 14 juni 2022 en tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 (23/4375). 4.2. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de aan hem toegekende dwangsom. Ook had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de door hem gemaakte reiskosten. De Raad zal appellant alsnog de door hem gevraagde schadevergoeding toekennen. Daartoe is het volgende van belang. 4.2.1. De rechtbank heeft ten onrechte niet beslist op het in beroep door appellant gedane verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, nu hij op 27 juni 2023 alsnog een dwangsom heeft toegekend, wettelijke rente verschuldigd is omdat de dwangsom al eerder betaald had moeten worden. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom volgens het college worden toegewezen. Omdat het college zich op het standpunt stelt dat de schade voor vergoeding in aanmerking komt, zal het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente worden toegewezen. 4.2.2. Zoals ter zitting met partijen is vastgesteld, is het belang bij het beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom komen te ontvallen met het alsnog toekennen van de dwangsom met het besluit van 27 juni 2023. Gelet op het feit dat het college pas in beroep tegemoetgekomen is aan het bezwaar van appellant, had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de gemaakte reiskosten.