Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:5365
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,960 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6915 WVW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 2 september 2024 waarin het CBR het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 augustus 2024 om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren ongegrond heeft verklaard. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR het rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR het rijbewijs van eiser ongeldig heeft moeten verklaren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met de beslissing op bezwaar van 2 september 2024 (bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 augustus 2024 om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren vanaf 13 augustus 2024 ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Namens het CBR is [naam] verschenen.
Feiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Op 17 januari 2024 heeft het CBR een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG) opgelegd aan eiser vanwege een snelheidsovertreding die hij heeft begaan op 27 december 2023. Volgens het proces-verbaal van de politie reed hij gecorrigeerd 186 km per uur op een stuk van de snelweg waar 100 km per uur was toegestaan. Dit besluit is onherroepelijk.
3.2.
Op 30 juli 2024 heeft eiser als onderdeel van de EMG-cursus een voorgesprek gehad met een docent van cursusinstantie ‘[bedrijf]’. De docent heeft dit gesprek vroegtijdig beëindigd en heeft op dezelfde dag een negatief afloopbericht gestuurd naar het CBR.
3.3.
Met het primaire besluit van 6 augustus 2024 heeft het CBR het rijbewijs van eiser per 13 augustus 2024 ongeldig verklaard, omdat hij niet aan de EMG-cursus heeft meegewerkt. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
3.4.
Met het bestreden besluit van 2 september 2024 heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs ongegrond verklaard.
3.5.
Op 31 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening van eiser afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang.
Het bestreden besluit
4. Het CBR heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs in stand gelaten, omdat uit het bericht van de docent is gebleken dat eiser gelet op zijn houding en gedrag niet bereid was om mee te werken aan een constructief gesprek waardoor hij niet heeft voldaan aan zijn plicht om mee te werken aan de cursus op grond van artikel 132, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).
Procesbelang
5. Ter zitting heeft het CBR toegelicht dat eiser inmiddels de EMG-cursus succesvol heeft afgerond en dat hij een brief heeft gekregen met het bericht dat hij een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Voordat eiser de cursus opnieuw kon volgen, heeft hij voor een tweede keer de kosten moeten betalen en dat betekent volgens het CBR dat eiser belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. De rechtbank kan het CBR hierin volgen en oordeelt dat eiser procesbelang heeft en dus dat het beroep ontvankelijk is.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
6.1.
Iemand is verplicht om medewerking te verlenen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of rijgeschiktheid op grond van artikel 132, eerste lid, aanhef en onder a van de WVW, tenzij sprake is van een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde geval.
6.2.
Wanneer iemand niet voldoet aan de plicht om mee te werken, dan besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs op grond van artikel 132, tweede lid, van de WVW. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking.
6.3.
Artikel 9 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling) bevat een opsomming van gevallen wanneer een betrokkene onder meer niet de vereiste medewerking aan een educatieve maatregel verleent.
Heeft het CBR aannemelijk gemaakt dat eiser niet meewerkte aan de cursus?
7. Eiser voert aan dat hij wel wilde meewerken aan de EMG-cursus en dat het voorgesprek negatief is gekanteld door de opmerkingen van de docent. Bij binnenkomst maakte de docent meteen een opmerking over dat hij was gekleed in zwembroek en slippers ‘alsof hij naar de camping ging’. De trainer vroeg vervolgens aanvallend of eiser onder invloed was omdat hij zijn ogen samenkneep. Eiser zegt dat hij zichzelf op een respectvolle manier heeft verdedigd in zijn reactie. Hij heeft uitgelegd dat hij die dag was gekleed om naar het zwembad te gaan omdat het 33 graden was en dat hij zijn ogen moest samenknijpen om de docent goed te kunnen zien omdat hij zijn bril en lenzen niet bij zich had. De opmerking dat hij eruit zag alsof hij onder invloed was vindt eiser denigrerend en klopt niet. De docent gaf hierna voorbeelden van wangedrag van andere cursisten die zich niet aan de regels hielden. Eiser heeft hierop aangegeven dat hij niet zo is en de cursus wil voortzetten. Hij vindt het niet eerlijk dat door een meningsverschil of miscommunicatie zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat het CBR aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet heeft meegewerkt aan de cursus. Deze bevinding steunt namelijk op het verslag van het voorgesprek dat is opgemaakt door een docent die werkzaamheden verricht in het kader van een EMG-cursus. De docent kan worden geacht over de ervaring en deskundigheid te beschikken die benodigd is voor het beoordelen van het gedrag van een cursist en voor het opstellen van een verslag van bevindingen hieromtrent. Daarom kan het CBR in beginsel van de zorgvuldigheid en juistheid van de totstandkoming en de inhoud van dit verslag van bevindingen uitgaan. In het verslag staat dat eiser rare en ongepaste opmerkingen heeft gemaakt en dat hij druk en boos was. Ook blijkt uit het verslag dat eiser de docent meerdere keren op haar houding en gedrag heeft aangesproken en dat de docent heeft aangegeven hiervan niet gediend te zijn. Volgens de docent bleek eiser niet bereid om op een open manier vragen te beantwoorden. Hij bleef kwaad en geïrriteerd de docent op haar gedrag aanspreken, ondanks meerdere voorstellen voor het houden van een rustpauze. De docent heeft hierna aangegeven dat het gedrag van eiser onacceptabel is. Op grond van de inhoud van dit verslag heeft het CBR vervolgens het standpunt gebaseerd dat eiser niet de vereiste medewerking heeft verleend aan de EMG-cursus. Ter zitting heeft de gemachtigde van het CBR nader toegelicht dat uit het verslag voortvloeit dat eiser demonstratief niet deelnam aan de cursus in de zin van artikel 9, aanhef en onder d, van de Regeling. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de feitelijke gang van zaken tijdens het voorgesprek doet aan de algemene conclusie in het verslag niet af. Een EMG-cursus heeft immers tot doel in het belang van de verkeersveiligheid te voorkomen dat deelnemers opnieuw onveilig aan het verkeer deelnemen. Het voorgesprek maakt deel uit van de cursus en de confronterende houding van eiser tijdens dit gesprek richting de trainer kan worden gekwalificeerd als gedrag waaruit mede blijkt dat iemand niet de vereiste medewerking verleent. De omstandigheid dat eiser het gesprek anders herinnert en dat hij (tijdens het gesprek) zou hebben gezegd mee te willen werken maakt dit niet anders. Zoals het CBR ook heeft aangegeven, spreekt eiser met zijn bezwaar- en beroepschrift immers niet tegen dat hij zich tijdens het gesprek confronterend heeft opgesteld en de rollen meerdere keren heeft geprobeerd om te draaien door de docent aan te spreken op haar gedrag. Eiser is echter degene die een cursus moet volgen om zijn rijvaardigheid of geschiktheid te bevorderen. Zijn gedrag en houding liggen ter beoordeling voor, niet dat van de docent. Eiser verklaart weliswaar dat hij wilde meewerken aan de cursus, maar dit blijkt niet uit het verslag. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het verslag en oordeelt dat het CBR het verslag ten grondslag heeft mogen leggen aan het bestreden besluit. Ook volgt de rechtbank de conclusie van het CBR dat uit het verslag volgt dat eiser tijdens het voorgesprek niet de vereiste medewerking heeft verleend doordat hij demonstratief niet deelnam een de cursus in de zin van artikel 9, aanhef en onder d, van de Regeling.
Moest het CBR de belangen afwegen?
8.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser zijn griffierecht niet terug. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier, op 11 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 132, eerste en tweede lid
Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich:
ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
[…].
Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van:
de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
[…].
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 9
Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:
de kosten van de educatieve maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd;
onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt;
niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de educatieve maatregel zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven;
demonstratief niet aan de cursus deelneemt;
zich tijdens de cursus agressief gedraagt, of
tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoort.
Grondslag: artikel 132, tweede lid, van de WVW 1994.
ABRvS 18 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4284, r.o. 2.3.1.
ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2255, r.o. 4.
ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924, r.o. 7.2.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6915 WVW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 2 september 2024 waarin het CBR het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 augustus 2024 om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren ongegrond heeft verklaard. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR het rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR het rijbewijs van eiser ongeldig heeft moeten verklaren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met de beslissing op bezwaar van 2 september 2024 (bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen het besluit van 6 augustus 2024 om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren vanaf 13 augustus 2024 ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Namens het CBR is [naam] verschenen.
Feiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Op 17 januari 2024 heeft het CBR een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG) opgelegd aan eiser vanwege een snelheidsovertreding die hij heeft begaan op 27 december 2023. Volgens het proces-verbaal van de politie reed hij gecorrigeerd 186 km per uur op een stuk van de snelweg waar 100 km per uur was toegestaan. Dit besluit is onherroepelijk.
3.2.
Op 30 juli 2024 heeft eiser als onderdeel van de EMG-cursus een voorgesprek gehad met een docent van cursusinstantie ‘[bedrijf]’. De docent heeft dit gesprek vroegtijdig beëindigd en heeft op dezelfde dag een negatief afloopbericht gestuurd naar het CBR.
3.3.
Met het primaire besluit van 6 augustus 2024 heeft het CBR het rijbewijs van eiser per 13 augustus 2024 ongeldig verklaard, omdat hij niet aan de EMG-cursus heeft meegewerkt. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
3.4.
Met het bestreden besluit van 2 september 2024 heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs ongegrond verklaard.
3.5.
Op 31 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening van eiser afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang.
Het bestreden besluit
4. Het CBR heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs in stand gelaten, omdat uit het bericht van de docent is gebleken dat eiser gelet op zijn houding en gedrag niet bereid was om mee te werken aan een constructief gesprek waardoor hij niet heeft voldaan aan zijn plicht om mee te werken aan de cursus op grond van artikel 132, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).
Procesbelang
5. Ter zitting heeft het CBR toegelicht dat eiser inmiddels de EMG-cursus succesvol heeft afgerond en dat hij een brief heeft gekregen met het bericht dat hij een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Voordat eiser de cursus opnieuw kon volgen, heeft hij voor een tweede keer de kosten moeten betalen en dat betekent volgens het CBR dat eiser belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. De rechtbank kan het CBR hierin volgen en oordeelt dat eiser procesbelang heeft en dus dat het beroep ontvankelijk is.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
6.1.
Iemand is verplicht om medewerking te verlenen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of rijgeschiktheid op grond van artikel 132, eerste lid, aanhef en onder a van de WVW, tenzij sprake is van een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde geval.
6.2.
Wanneer iemand niet voldoet aan de plicht om mee te werken, dan besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs op grond van artikel 132, tweede lid, van de WVW. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking.
6.3.
Artikel 9 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling) bevat een opsomming van gevallen wanneer een betrokkene onder meer niet de vereiste medewerking aan een educatieve maatregel verleent.
Heeft het CBR aannemelijk gemaakt dat eiser niet meewerkte aan de cursus?
7. Eiser voert aan dat hij wel wilde meewerken aan de EMG-cursus en dat het voorgesprek negatief is gekanteld door de opmerkingen van de docent. Bij binnenkomst maakte de docent meteen een opmerking over dat hij was gekleed in zwembroek en slippers ‘alsof hij naar de camping ging’. De trainer vroeg vervolgens aanvallend of eiser onder invloed was omdat hij zijn ogen samenkneep. Eiser zegt dat hij zichzelf op een respectvolle manier heeft verdedigd in zijn reactie. Hij heeft uitgelegd dat hij die dag was gekleed om naar het zwembad te gaan omdat het 33 graden was en dat hij zijn ogen moest samenknijpen om de docent goed te kunnen zien omdat hij zijn bril en lenzen niet bij zich had. De opmerking dat hij eruit zag alsof hij onder invloed was vindt eiser denigrerend en klopt niet. De docent gaf hierna voorbeelden van wangedrag van andere cursisten die zich niet aan de regels hielden. Eiser heeft hierop aangegeven dat hij niet zo is en de cursus wil voortzetten. Hij vindt het niet eerlijk dat door een meningsverschil of miscommunicatie zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat het CBR aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet heeft meegewerkt aan de cursus. Deze bevinding steunt namelijk op het verslag van het voorgesprek dat is opgemaakt door een docent die werkzaamheden verricht in het kader van een EMG-cursus. De docent kan worden geacht over de ervaring en deskundigheid te beschikken die benodigd is voor het beoordelen van het gedrag van een cursist en voor het opstellen van een verslag van bevindingen hieromtrent. Daarom kan het CBR in beginsel van de zorgvuldigheid en juistheid van de totstandkoming en de inhoud van dit verslag van bevindingen uitgaan. In het verslag staat dat eiser rare en ongepaste opmerkingen heeft gemaakt en dat hij druk en boos was. Ook blijkt uit het verslag dat eiser de docent meerdere keren op haar houding en gedrag heeft aangesproken en dat de docent heeft aangegeven hiervan niet gediend te zijn. Volgens de docent bleek eiser niet bereid om op een open manier vragen te beantwoorden. Hij bleef kwaad en geïrriteerd de docent op haar gedrag aanspreken, ondanks meerdere voorstellen voor het houden van een rustpauze. De docent heeft hierna aangegeven dat het gedrag van eiser onacceptabel is. Op grond van de inhoud van dit verslag heeft het CBR vervolgens het standpunt gebaseerd dat eiser niet de vereiste medewerking heeft verleend aan de EMG-cursus. Ter zitting heeft de gemachtigde van het CBR nader toegelicht dat uit het verslag voortvloeit dat eiser demonstratief niet deelnam aan de cursus in de zin van artikel 9, aanhef en onder d, van de Regeling. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de feitelijke gang van zaken tijdens het voorgesprek doet aan de algemene conclusie in het verslag niet af. Een EMG-cursus heeft immers tot doel in het belang van de verkeersveiligheid te voorkomen dat deelnemers opnieuw onveilig aan het verkeer deelnemen. Het voorgesprek maakt deel uit van de cursus en de confronterende houding van eiser tijdens dit gesprek richting de trainer kan worden gekwalificeerd als gedrag waaruit mede blijkt dat iemand niet de vereiste medewerking verleent. De omstandigheid dat eiser het gesprek anders herinnert en dat hij (tijdens het gesprek) zou hebben gezegd mee te willen werken maakt dit niet anders. Zoals het CBR ook heeft aangegeven, spreekt eiser met zijn bezwaar- en beroepschrift immers niet tegen dat hij zich tijdens het gesprek confronterend heeft opgesteld en de rollen meerdere keren heeft geprobeerd om te draaien door de docent aan te spreken op haar gedrag. Eiser is echter degene die een cursus moet volgen om zijn rijvaardigheid of geschiktheid te bevorderen. Zijn gedrag en houding liggen ter beoordeling voor, niet dat van de docent. Eiser verklaart weliswaar dat hij wilde meewerken aan de cursus, maar dit blijkt niet uit het verslag. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het verslag en oordeelt dat het CBR het verslag ten grondslag heeft mogen leggen aan het bestreden besluit. Ook volgt de rechtbank de conclusie van het CBR dat uit het verslag volgt dat eiser tijdens het voorgesprek niet de vereiste medewerking heeft verleend doordat hij demonstratief niet deelnam een de cursus in de zin van artikel 9, aanhef en onder d, van de Regeling.
Moest het CBR de belangen afwegen?
8.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser zijn griffierecht niet terug. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier, op 11 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 132, eerste en tweede lid
Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich:
ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
[…].
Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van:
de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
[…].
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 9
Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:
de kosten van de educatieve maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd;
onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt;
niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de educatieve maatregel zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven;
demonstratief niet aan de cursus deelneemt;
zich tijdens de cursus agressief gedraagt, of
tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoort.
Grondslag: artikel 132, tweede lid, van de WVW 1994.
ABRvS 18 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4284, r.o. 2.3.1.
ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2255, r.o. 4.
ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924, r.o. 7.2.