Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:4284
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
14,912 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/425448 / HA ZA 24-439
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
VTG RAIL LOGISTICS GMBH,
te Hamburg ( Duitsland ),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: VTG ,
advocaat: mr. A. al Mansouri te Nijmegen,
tegen
MTHODE RAIL SOLUTIONS B.V.,
te Dinteloord , gemeente Steenbergen ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: MRS ,
advocaat: mr. B.A. Boer te Den Haag .
1De zaak in het kort
1.1.
Retrack (een dochteronderneming van VTG ) en MRS zijn begin 2022 een samenwerking gestart voor een shuttle service over het spoor tussen Tilburg en Rzepin in Polen . Retrack en MRS hebben in het kader van die samenwerking over een weer facturen gestuurd. Op 17 juni 2023 heeft Retrack de samenwerking met MRS opgeschort en opgezegd, omdat Retrack een grote openstaande vordering heeft op MRS . Volgens MRS mocht Retrack dit niet doen, onder meer omdat er afspraken zijn gemaakt over uitgestelde betaling van deze vordering. MRS stelt dat zij schade heeft geleden die zij kan verrekenen. VTG heeft de vordering van Retrack op MRS overgenomen en vordert betaling daarvan. De rechtbank zal een groot deel van de vorderingen van VTG toewijzen. Voor een klein deel slaagt het verrekeningsverweer van MRS . Hieronder legt de rechtbank dit oordeel uit.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 18 december 2024;
- het tussenvonnis van 19 februari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van VTG met productie 24;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie met producties 25 en 26;- het bericht van 29 april 2025 met producties 1 tot en met 8 van MRS ;- de mondelinge behandeling van 9 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen van mr. M. Jacobs namens VTG .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Retrack is een 100% dochteronderneming van VTG .
3.2.
MRS maakt onderdeel uit van de Mthode Group (hierna: M-Group ), waarvan ook de vennootschappen MOB Services Venlo B.V. en Mthode B.V. deel uitmaken.
3.3.
Begin 2022 zijn Retrack en MRS een samenwerking gestart voor de exploitatie van een internationale pendeltreindienst voor goederenvervoer tussen Tilburg en Rzepin ( Polen ).
3.4.
Binnen deze samenwerking leverde Retrack de tractie voor de treinen, de locomotieven.
3.5.
Op de goederentrein konden per rit 36 vrachteenheden worden geplaatst. Aanvankelijk werden 25 van de 36 eenheden op de trein gevuld door [klant] , een klant van Retrack . De overige 11 eenheden werden in de markt gezet door MRS . Voor die 11 eenheden droeg MRS ook het risico.
3.6.
MRS verzorgde de administratie van de goederentrein, ook voor de klanten van Retrack , waaronder dus [klant] .
3.7.
Retrack factureerde aan MRS de kosten van de eenheden waarvoor MRS het risico droeg.
3.8.
In de loop van 2022 werd duidelijk dat [klant] minder eenheden zou gaan afnemen. Het risico van MRS verschoof daardoor van het in de markt zetten van 11 eenheden naar 20 eenheden per rit.
3.9.
In januari 2023 zijn Retrack en MRS met elkaar overeengekomen dat Retrack aan MRS een prijs van € 353,00 per vrachteenheid in rekening zou brengen. Deze prijs gold in ieder geval voor de maanden januari en februari 2023. Die prijsafspraak is door Retrack verlengd tot en met maart 2023.
3.10.
Partijen hebben met elkaar gesproken over de prijs vanaf april 2023.
3.11.
MRS heeft facturen van Retrack onbetaald gelaten. Retrack heeft op haar beurt ook facturen van de M-Group onbetaald gelaten. Op 3 mei 2024 zijn de vorderingen op Retrack van andere leden van de M-Group overgedragen aan MRS . Het doel van deze cessie was om over en weer te kunnen verrekenen. Na deze verrekening resteert er nog een vordering van Retrack op MRS .
3.12.
Bij brief van 17 juni 2023 heeft de advocaat van Retrack MRS gesommeerd om het openstaande bedrag van – op dat moment – € 1.575.602,24 te betalen. Tegelijkertijd schort Retrack haar verplichtingen uit de samenwerking op en zegt zij de overeenkomt op.
3.13.
VTG en Retrack hebben op 28 juni 2024 een akte van cessie ondertekend, waarmee zij zijn overeengekomen dat Retrack haar huidige en toekomstige vorderingen op MRS overdraagt aan VTG .
Geschil
in conventie
4.1.
VTG vordert - samengevat -, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van MRS tot betaling van € 1.549.380,44 vermeerderd met de wettelijke handelsrente, en tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,00 en proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
MRS voert verweer. MRS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VTG , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van VTG , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van VTG in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
4.4.
MRS vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat zij vorderingen heeft op Retrack Germany GMBH van € 3.333.347,95 (te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente) die kunnen worden verrekend met de vorderingen van VTG in conventie met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van VTG in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.5.
MRS heeft haar vordering in reconventie voorwaardelijk ingesteld, namelijk met de voorwaarde dat in conventie de tegenvorderingen van MRS niet als voldoende vaststaand zijn beoordeeld om te kunnen verrekenen.
4.6.
VTG voert verweer. VTG concludeert tot afwijzing van de vorderingen van MRS , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van MRS in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
VTG is gevestigd in Duitsland . De zaak heeft daardoor een internationaal karakter. Dat betekent dat de rechtbank ambtshalve moet beoordelen of zij bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en zo ja, welk recht van toepassing is.
Partijen hebben in correspondentie tussen hun advocaten gekozen voor deze rechtbank. De rechtbank is daarom op grond van artikel 25 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis) bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
Uit de correspondentie volgt verder dat partijen gekozen hebben voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. Op grond van artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) is daarom Nederlands recht van toepassing.
5.2.
De rechtbank merkt op dat partijen in hun stukken spreken over een ‘agentuurovereenkomst’ en ‘agentuuropbrengsten’. Na vragen daarover van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling, begrijpt de rechtbank dat partijen geen agentuurovereenkomst in de zin van artikel 7:428 BW hebben gesloten. MRS bemiddelde namelijk niet tussen Retrack en haar klanten, maar verzorgde slechts de ritadministratie voor de klanten van Retrack op de lijn Tilburg - Rzepin . De zaak is daarmee geen aardzaak in de zin van artikel 93 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waardoor de rechtbank en niet de kantonrechter bevoegd is.
Cessie van de vordering aan VTG
5.3.
VTG stelt dat Retrack haar vordering op MRS (die voortvloeit uit de samenwerking voor de shuttle tussen Tilburg en Rzepin ; de betaling van openstaande facturen) met een akte van cessie heeft overgedragen aan VTG . De rechtbank merkt op dat in de cessieakte gekozen is voor Nederlands recht. Volgens MRS is VTG echter (ten tijde van de dagvaarding) niet inningsbevoegd, omdat MRS geen mededeling van de cessie heeft ontvangen. De vorderingen moeten daarom volgens MRS worden afgewezen.
5.4.
Dit verweer van MRS slaagt niet. De mededeling die is vereist op grond van artikel 3:94 lid 1 BW is vormvrij. Vaststaat dat VTG in ieder geval in de dagvaarding mededeling aan MRS heeft gedaan van de cessie. Daarmee is VTG de rechthebbende van de vorderingen van Retrack op MRS geworden en inningsbevoegd. Anders dan MRS stelt, bestaat er geen regel dat de mededeling moet zijn gedaan voordat de dagvaarding is uitgebracht. Een mededeling zou zelfs nog gedaan kunnen worden in de loop van de procedure.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in de akte van cessie een last tot inning is gegeven aan VTG voor het geval de cessie niet rechtsgeldig zou zijn. Ook om die reden zou VTG ontvankelijk zijn in haar vorderingen.
Schuldeisersverzuim en hoogte van de facturen
5.5.
MRS stelt dat Retrack in schuldeisersverzuim verkeert en dat de hoogte van de facturen onjuist is. MRS stelt dat zij met Retrack een energieclausule is overeengekomen. Vanaf april 2023 zou Retrack inzicht geven in de energiekosten, wat zou leiden tot een aanpassing van de overeengekomen prijs van € 353,00 per vrachteenheid. Die aanpassing zou zowel tot een verhoging als tot een verlaging van de prijs kunnen leiden. Retrack heeft nooit inzicht in de energiecomponent gegeven. De facturen die Retrack aan MRS heeft verstuurd, zijn daardoor onjuist en Retrack verkeert in schuldeisersverzuim.
5.6.
VTG betwist dat een energiecomponent is overeengekomen op grond waarvan Retrack verplicht zou zijn om inzicht te geven in de energiekosten. Retrack heeft een voorstel gedaan aan MRS om vanaf april 2023 een prijs te hanteren van € 392,19 per vrachteenheid, maar MRS heeft daar niet op gereageerd. Om discussie te voorkomen heeft Retrack slechts een prijs van € 353,00 per vrachteenheid gefactureerd, ook na april 2023. Dat is een vaste prijs.
5.7.
Partijen zijn het met elkaar eens dat Retrack over de maanden januari tot en met maart 2023 een prijs van € 353,00 per vrachteenheid aan MRS kon factureren en dat zij dat tarief ook aan MRS heeft gefactureerd. Die prijs is inclusief energietoeslag. De rechtbank constateert dat uit de verschillende e-mailwisselingen die zijn overgelegd volgt dat partijen hebben gesproken over het energiecomponent van de prijs en over de prijs vanaf 1 april 2023. Niet is vast komen te staan dat partijen daar overeenstemming over hebben bereikt. Partijen zijn het wel met elkaar eens dat de prijs van € 353,00 per vrachteenheid – ook vanaf april 2023 – het uitgangspunt is. Dat is de prijs die Retrack heeft gefactureerd, ook na 1 april 2023. Uit de brieven van de advocaat van MRS volgt dat MRS kennelijk in eerste instantie ook van die prijs is uitgegaan. Daarnaast heeft MRS ter zitting verklaard dat die prijs ‘de spil’ is, van waaruit aanpassingen moeten plaatsvinden afhankelijk van de energieprijs.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat partijen hebben afgesproken dat de prijs van € 353,00 zou veranderen afhankelijk van de energieprijs en dat dit betekent dat Retrack verplicht was om inzicht te geven in haar energiekosten. MRS heeft dat onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat gesproken is over een energieclausule, is daarvoor onvoldoende. Bij gebrek aan nadere afspraken tussen partijen, zal de rechtbank uitgaan van een prijs van € 353,00 per vrachteenheid, ook na 1 april 2023.
5.9.
Het voorgaande betekent dat de facturen die Retrack heeft verzonden, juist zijn. MRS heeft deze facturen verder ook niet betwist. VTG heeft daarmee in beginsel het recht om betaling daarvan te vorderen van MRS .
Opeisbaarheid van de vordering
5.10.
MRS stelt dat de vordering van VTG nog niet opeisbaar is. Volgens MRS heeft zij met Retrack afgesproken dat zij de openstaande vorderingen uit 2022 mocht inhalen in 2023 om zo voldoende werkkapitaal op te bouwen. Dat betekent volgens MRS dat de facturen pas op 1 januari 2024 opeisbaar zouden worden. VTG betwist dat deze afspraak is gemaakt.
5.11.
De rechtbank stelt vast dat – ook als vast zou komen te staan dat de door MRS gestelde afspraak is gemaakt – de facturen per 1 januari 2024 in ieder geval opeisbaar zijn geworden. Dat betekent dat de facturen moeten worden betaald door MRS .
5.12.
De discussie tussen partijen over de gestelde afspraak kan in zoverre (wat betreft de vordering van VTG in conventie) enkel relevant zijn voor de ingangsdatum van de wettelijke rente. Naar het oordeel van de rechtbank heeft MRS onvoldoende onderbouwd dat de gestelde afspraak is gemaakt. Dat had wel op haar weg geleden, zeker omdat zij in haar correspondentie met Retrack betalingsvoorstellen doet die strijdig zijn met de door haar gestelde afspraak. Omdat MRS onvoldoende haar stelling heeft onderbouwd dat de afspraak is gemaakt, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
5.13.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat uit het onbetwiste overzicht van VTG lijkt te volgen dat alle facturen van Retrack aan MRS met een vervaldatum in 2022, door verrekening zijn voldaan. De vordering van VTG zou daarmee geheel op facturen zien die in 2023 moesten worden betaald. In zoverre zou de stelling van MRS dat zij de achterstand uit 2022 mocht inhalen in 2023, dan evenmin relevant zijn voor de wettelijke rente.
Conclusie
5.24.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de vordering van VTG zal toewijzen tot een bedrag in hoofdsom van € 1.488.556,34 (€ 1.549.380,44 - € 24,10 - € 60.800,00).
VTG vordert de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na factuurdatum. Volgens VTG is MRS vanaf deze datum in verzuim, omdat (zo begrijpt de rechtbank) deze betaaltermijn op de facturen een fatale termijn betreft. MRS heeft dit niet – althans onvoldoende – betwist. De rentevordering is daarom toewijsbaar vanaf 14 dagen na factuurdatum. VTG heeft deze rente berekend tot en met 1 september 2024. Omdat de toegewezen hoofdsom vanwege de verrekening lager is dan de hoofdsom op basis waarvan VTG de rente heeft berekend, zal de rechtbank dit berekende rentebedrag niet toewijzen, maar in de beslissing bepalen dat de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 14 dagen na factuurdatum wordt toegewezen.
Kosten
5.25.
VTG vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. VTG heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. VTG heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 6.775,00 – dat in lijn is met het Besluit – worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
5.26.
MRS is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VTG worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
9.825,00
- salaris advocaat
€
8.714,00
(2 punten × € 4.357,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
18.832,22
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.28.
MRS heeft verweer gevoerd tegen de door VTG gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. MRS vreest dat bij een toewijzing van de vordering en bij een andere uitkomst in hoger beroep, voor haar een te late restitutie is te verwachten. MRS stelt dat zij haar middelen hard nodig heeft om nieuwe activiteiten te starten, zonder welke geen voortbestaan van MRS mogelijk is. Daarbij herhaalt zij dat met Retrack is overeengekomen dat zij in 2023 mocht inlopen om zo voldoende kapitaal op te bouwen. Door het onverwacht staken van de werkzaamheden, is haar dat niet gelukt.
5.29.
De rechtbank moet de belangen van partijen afwegen. Het uitgangspunt is dat VTG bij de veroordeling tot betaling van een geldsom belang heeft om de uitspraak meteen uit te kunnen laten voeren. De rechtbank is van oordeel dat MRS haar daartegenover gestelde belang, zoals hiervoor is weergegeven, onvoldoende heeft onderbouwd. Ter zitting is namens MRS verklaard dat er in MRS niets meer gebeurd. De door MRS gestelde afspraak is niet vast komen te staan. Gelet hierop weegt het belang van VTG zwaarder. De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
in voorwaardelijke reconventie
5.30.
De rechtbank begrijpt dat MRS haar vordering in reconventie heeft ingesteld voor het geval de rechtbank het verrekeningsverweer op grond van artikel 6:136 BW niet in conventie zou behandelen. Omdat de rechtbank het verrekeningsverweer van MRS in conventie heeft behandeld, is de voorwaarde waaronder de reconventie is ingesteld niet vervuld. De vordering in voorwaardelijke reconventie hoeft daarom niet behandeld te worden.
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt MRS om aan VTG te betalen een bedrag van € 1.488.556,34, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 14 dagen na factuurdatum, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt MRS om aan VTG te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt MRS in de proceskosten van € 18.832,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als MRS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt MRS tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goedegebuur en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
De brief van 12 september 2023 van de advocaat van VTG en de e-mail van 13 september 2023 van de advocaat van MRS , producties 21 en 23 bij dagvaarding.
De brief van 17 juni 2023 van de advocaat van VTG , productie 19 bij dagvaarding.
Producties 6, 7, 8, 9 en 10 bij dagvaarding.
Productie 16 en 18 bij dagvaarding.
Productie 6 en 11 bij dagvaarding.
Productie 12 bij dagvaarding.
Zie bijvoorbeeld HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6088.
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/425448 / HA ZA 24-439
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
VTG RAIL LOGISTICS GMBH,
te Hamburg ( Duitsland ),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: VTG ,
advocaat: mr. A. al Mansouri te Nijmegen,
tegen
MTHODE RAIL SOLUTIONS B.V.,
te Dinteloord , gemeente Steenbergen ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: MRS ,
advocaat: mr. B.A. Boer te Den Haag .
1De zaak in het kort
1.1.
Retrack (een dochteronderneming van VTG ) en MRS zijn begin 2022 een samenwerking gestart voor een shuttle service over het spoor tussen Tilburg en Rzepin in Polen . Retrack en MRS hebben in het kader van die samenwerking over een weer facturen gestuurd. Op 17 juni 2023 heeft Retrack de samenwerking met MRS opgeschort en opgezegd, omdat Retrack een grote openstaande vordering heeft op MRS . Volgens MRS mocht Retrack dit niet doen, onder meer omdat er afspraken zijn gemaakt over uitgestelde betaling van deze vordering. MRS stelt dat zij schade heeft geleden die zij kan verrekenen. VTG heeft de vordering van Retrack op MRS overgenomen en vordert betaling daarvan. De rechtbank zal een groot deel van de vorderingen van VTG toewijzen. Voor een klein deel slaagt het verrekeningsverweer van MRS . Hieronder legt de rechtbank dit oordeel uit.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 18 december 2024;
- het tussenvonnis van 19 februari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van VTG met productie 24;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie met producties 25 en 26;- het bericht van 29 april 2025 met producties 1 tot en met 8 van MRS ;- de mondelinge behandeling van 9 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen van mr. M. Jacobs namens VTG .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Retrack is een 100% dochteronderneming van VTG .
3.2.
MRS maakt onderdeel uit van de Mthode Group (hierna: M-Group ), waarvan ook de vennootschappen MOB Services Venlo B.V. en Mthode B.V. deel uitmaken.
3.3.
Begin 2022 zijn Retrack en MRS een samenwerking gestart voor de exploitatie van een internationale pendeltreindienst voor goederenvervoer tussen Tilburg en Rzepin ( Polen ).
3.4.
Binnen deze samenwerking leverde Retrack de tractie voor de treinen, de locomotieven.
3.5.
Op de goederentrein konden per rit 36 vrachteenheden worden geplaatst. Aanvankelijk werden 25 van de 36 eenheden op de trein gevuld door [klant] , een klant van Retrack . De overige 11 eenheden werden in de markt gezet door MRS . Voor die 11 eenheden droeg MRS ook het risico.
3.6.
MRS verzorgde de administratie van de goederentrein, ook voor de klanten van Retrack , waaronder dus [klant] .
3.7.
Retrack factureerde aan MRS de kosten van de eenheden waarvoor MRS het risico droeg.
3.8.
In de loop van 2022 werd duidelijk dat [klant] minder eenheden zou gaan afnemen. Het risico van MRS verschoof daardoor van het in de markt zetten van 11 eenheden naar 20 eenheden per rit.
3.9.
In januari 2023 zijn Retrack en MRS met elkaar overeengekomen dat Retrack aan MRS een prijs van € 353,00 per vrachteenheid in rekening zou brengen. Deze prijs gold in ieder geval voor de maanden januari en februari 2023. Die prijsafspraak is door Retrack verlengd tot en met maart 2023.
3.10.
Partijen hebben met elkaar gesproken over de prijs vanaf april 2023.
3.11.
MRS heeft facturen van Retrack onbetaald gelaten. Retrack heeft op haar beurt ook facturen van de M-Group onbetaald gelaten. Op 3 mei 2024 zijn de vorderingen op Retrack van andere leden van de M-Group overgedragen aan MRS . Het doel van deze cessie was om over en weer te kunnen verrekenen. Na deze verrekening resteert er nog een vordering van Retrack op MRS .
3.12.
Bij brief van 17 juni 2023 heeft de advocaat van Retrack MRS gesommeerd om het openstaande bedrag van – op dat moment – € 1.575.602,24 te betalen. Tegelijkertijd schort Retrack haar verplichtingen uit de samenwerking op en zegt zij de overeenkomt op.
3.13.
VTG en Retrack hebben op 28 juni 2024 een akte van cessie ondertekend, waarmee zij zijn overeengekomen dat Retrack haar huidige en toekomstige vorderingen op MRS overdraagt aan VTG .
Geschil
in conventie
4.1.
VTG vordert - samengevat -, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van MRS tot betaling van € 1.549.380,44 vermeerderd met de wettelijke handelsrente, en tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,00 en proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
MRS voert verweer. MRS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VTG , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van VTG , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van VTG in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
4.4.
MRS vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat zij vorderingen heeft op Retrack Germany GMBH van € 3.333.347,95 (te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente) die kunnen worden verrekend met de vorderingen van VTG in conventie met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van VTG in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.5.
MRS heeft haar vordering in reconventie voorwaardelijk ingesteld, namelijk met de voorwaarde dat in conventie de tegenvorderingen van MRS niet als voldoende vaststaand zijn beoordeeld om te kunnen verrekenen.
4.6.
VTG voert verweer. VTG concludeert tot afwijzing van de vorderingen van MRS , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van MRS in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
VTG is gevestigd in Duitsland . De zaak heeft daardoor een internationaal karakter. Dat betekent dat de rechtbank ambtshalve moet beoordelen of zij bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en zo ja, welk recht van toepassing is.
Partijen hebben in correspondentie tussen hun advocaten gekozen voor deze rechtbank. De rechtbank is daarom op grond van artikel 25 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis) bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
Uit de correspondentie volgt verder dat partijen gekozen hebben voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. Op grond van artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) is daarom Nederlands recht van toepassing.
5.2.
De rechtbank merkt op dat partijen in hun stukken spreken over een ‘agentuurovereenkomst’ en ‘agentuuropbrengsten’. Na vragen daarover van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling, begrijpt de rechtbank dat partijen geen agentuurovereenkomst in de zin van artikel 7:428 BW hebben gesloten. MRS bemiddelde namelijk niet tussen Retrack en haar klanten, maar verzorgde slechts de ritadministratie voor de klanten van Retrack op de lijn Tilburg - Rzepin . De zaak is daarmee geen aardzaak in de zin van artikel 93 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waardoor de rechtbank en niet de kantonrechter bevoegd is.
Cessie van de vordering aan VTG
5.3.
VTG stelt dat Retrack haar vordering op MRS (die voortvloeit uit de samenwerking voor de shuttle tussen Tilburg en Rzepin ; de betaling van openstaande facturen) met een akte van cessie heeft overgedragen aan VTG . De rechtbank merkt op dat in de cessieakte gekozen is voor Nederlands recht. Volgens MRS is VTG echter (ten tijde van de dagvaarding) niet inningsbevoegd, omdat MRS geen mededeling van de cessie heeft ontvangen. De vorderingen moeten daarom volgens MRS worden afgewezen.
5.4.
Dit verweer van MRS slaagt niet. De mededeling die is vereist op grond van artikel 3:94 lid 1 BW is vormvrij. Vaststaat dat VTG in ieder geval in de dagvaarding mededeling aan MRS heeft gedaan van de cessie. Daarmee is VTG de rechthebbende van de vorderingen van Retrack op MRS geworden en inningsbevoegd. Anders dan MRS stelt, bestaat er geen regel dat de mededeling moet zijn gedaan voordat de dagvaarding is uitgebracht. Een mededeling zou zelfs nog gedaan kunnen worden in de loop van de procedure.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in de akte van cessie een last tot inning is gegeven aan VTG voor het geval de cessie niet rechtsgeldig zou zijn. Ook om die reden zou VTG ontvankelijk zijn in haar vorderingen.
Schuldeisersverzuim en hoogte van de facturen
5.5.
MRS stelt dat Retrack in schuldeisersverzuim verkeert en dat de hoogte van de facturen onjuist is. MRS stelt dat zij met Retrack een energieclausule is overeengekomen. Vanaf april 2023 zou Retrack inzicht geven in de energiekosten, wat zou leiden tot een aanpassing van de overeengekomen prijs van € 353,00 per vrachteenheid. Die aanpassing zou zowel tot een verhoging als tot een verlaging van de prijs kunnen leiden. Retrack heeft nooit inzicht in de energiecomponent gegeven. De facturen die Retrack aan MRS heeft verstuurd, zijn daardoor onjuist en Retrack verkeert in schuldeisersverzuim.
5.6.
VTG betwist dat een energiecomponent is overeengekomen op grond waarvan Retrack verplicht zou zijn om inzicht te geven in de energiekosten. Retrack heeft een voorstel gedaan aan MRS om vanaf april 2023 een prijs te hanteren van € 392,19 per vrachteenheid, maar MRS heeft daar niet op gereageerd. Om discussie te voorkomen heeft Retrack slechts een prijs van € 353,00 per vrachteenheid gefactureerd, ook na april 2023. Dat is een vaste prijs.
5.7.
Partijen zijn het met elkaar eens dat Retrack over de maanden januari tot en met maart 2023 een prijs van € 353,00 per vrachteenheid aan MRS kon factureren en dat zij dat tarief ook aan MRS heeft gefactureerd. Die prijs is inclusief energietoeslag. De rechtbank constateert dat uit de verschillende e-mailwisselingen die zijn overgelegd volgt dat partijen hebben gesproken over het energiecomponent van de prijs en over de prijs vanaf 1 april 2023. Niet is vast komen te staan dat partijen daar overeenstemming over hebben bereikt. Partijen zijn het wel met elkaar eens dat de prijs van € 353,00 per vrachteenheid – ook vanaf april 2023 – het uitgangspunt is. Dat is de prijs die Retrack heeft gefactureerd, ook na 1 april 2023. Uit de brieven van de advocaat van MRS volgt dat MRS kennelijk in eerste instantie ook van die prijs is uitgegaan. Daarnaast heeft MRS ter zitting verklaard dat die prijs ‘de spil’ is, van waaruit aanpassingen moeten plaatsvinden afhankelijk van de energieprijs.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat partijen hebben afgesproken dat de prijs van € 353,00 zou veranderen afhankelijk van de energieprijs en dat dit betekent dat Retrack verplicht was om inzicht te geven in haar energiekosten. MRS heeft dat onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat gesproken is over een energieclausule, is daarvoor onvoldoende. Bij gebrek aan nadere afspraken tussen partijen, zal de rechtbank uitgaan van een prijs van € 353,00 per vrachteenheid, ook na 1 april 2023.
5.9.
Het voorgaande betekent dat de facturen die Retrack heeft verzonden, juist zijn. MRS heeft deze facturen verder ook niet betwist. VTG heeft daarmee in beginsel het recht om betaling daarvan te vorderen van MRS .
Opeisbaarheid van de vordering
5.10.
MRS stelt dat de vordering van VTG nog niet opeisbaar is. Volgens MRS heeft zij met Retrack afgesproken dat zij de openstaande vorderingen uit 2022 mocht inhalen in 2023 om zo voldoende werkkapitaal op te bouwen. Dat betekent volgens MRS dat de facturen pas op 1 januari 2024 opeisbaar zouden worden. VTG betwist dat deze afspraak is gemaakt.
5.11.
De rechtbank stelt vast dat – ook als vast zou komen te staan dat de door MRS gestelde afspraak is gemaakt – de facturen per 1 januari 2024 in ieder geval opeisbaar zijn geworden. Dat betekent dat de facturen moeten worden betaald door MRS .
5.12.
De discussie tussen partijen over de gestelde afspraak kan in zoverre (wat betreft de vordering van VTG in conventie) enkel relevant zijn voor de ingangsdatum van de wettelijke rente. Naar het oordeel van de rechtbank heeft MRS onvoldoende onderbouwd dat de gestelde afspraak is gemaakt. Dat had wel op haar weg geleden, zeker omdat zij in haar correspondentie met Retrack betalingsvoorstellen doet die strijdig zijn met de door haar gestelde afspraak. Omdat MRS onvoldoende haar stelling heeft onderbouwd dat de afspraak is gemaakt, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
5.13.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat uit het onbetwiste overzicht van VTG lijkt te volgen dat alle facturen van Retrack aan MRS met een vervaldatum in 2022, door verrekening zijn voldaan. De vordering van VTG zou daarmee geheel op facturen zien die in 2023 moesten worden betaald. In zoverre zou de stelling van MRS dat zij de achterstand uit 2022 mocht inhalen in 2023, dan evenmin relevant zijn voor de wettelijke rente.
Conclusie
5.24.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de vordering van VTG zal toewijzen tot een bedrag in hoofdsom van € 1.488.556,34 (€ 1.549.380,44 - € 24,10 - € 60.800,00).
VTG vordert de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na factuurdatum. Volgens VTG is MRS vanaf deze datum in verzuim, omdat (zo begrijpt de rechtbank) deze betaaltermijn op de facturen een fatale termijn betreft. MRS heeft dit niet – althans onvoldoende – betwist. De rentevordering is daarom toewijsbaar vanaf 14 dagen na factuurdatum. VTG heeft deze rente berekend tot en met 1 september 2024. Omdat de toegewezen hoofdsom vanwege de verrekening lager is dan de hoofdsom op basis waarvan VTG de rente heeft berekend, zal de rechtbank dit berekende rentebedrag niet toewijzen, maar in de beslissing bepalen dat de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 14 dagen na factuurdatum wordt toegewezen.
Kosten
5.25.
VTG vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. VTG heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. VTG heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 6.775,00 – dat in lijn is met het Besluit – worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
5.26.
MRS is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VTG worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
9.825,00
- salaris advocaat
€
8.714,00
(2 punten × € 4.357,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
18.832,22
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.28.
MRS heeft verweer gevoerd tegen de door VTG gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. MRS vreest dat bij een toewijzing van de vordering en bij een andere uitkomst in hoger beroep, voor haar een te late restitutie is te verwachten. MRS stelt dat zij haar middelen hard nodig heeft om nieuwe activiteiten te starten, zonder welke geen voortbestaan van MRS mogelijk is. Daarbij herhaalt zij dat met Retrack is overeengekomen dat zij in 2023 mocht inlopen om zo voldoende kapitaal op te bouwen. Door het onverwacht staken van de werkzaamheden, is haar dat niet gelukt.
5.29.
De rechtbank moet de belangen van partijen afwegen. Het uitgangspunt is dat VTG bij de veroordeling tot betaling van een geldsom belang heeft om de uitspraak meteen uit te kunnen laten voeren. De rechtbank is van oordeel dat MRS haar daartegenover gestelde belang, zoals hiervoor is weergegeven, onvoldoende heeft onderbouwd. Ter zitting is namens MRS verklaard dat er in MRS niets meer gebeurd. De door MRS gestelde afspraak is niet vast komen te staan. Gelet hierop weegt het belang van VTG zwaarder. De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
in voorwaardelijke reconventie
5.30.
De rechtbank begrijpt dat MRS haar vordering in reconventie heeft ingesteld voor het geval de rechtbank het verrekeningsverweer op grond van artikel 6:136 BW niet in conventie zou behandelen. Omdat de rechtbank het verrekeningsverweer van MRS in conventie heeft behandeld, is de voorwaarde waaronder de reconventie is ingesteld niet vervuld. De vordering in voorwaardelijke reconventie hoeft daarom niet behandeld te worden.
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt MRS om aan VTG te betalen een bedrag van € 1.488.556,34, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 14 dagen na factuurdatum, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt MRS om aan VTG te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt MRS in de proceskosten van € 18.832,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als MRS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt MRS tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goedegebuur en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
De brief van 12 september 2023 van de advocaat van VTG en de e-mail van 13 september 2023 van de advocaat van MRS , producties 21 en 23 bij dagvaarding.
De brief van 17 juni 2023 van de advocaat van VTG , productie 19 bij dagvaarding.
Producties 6, 7, 8, 9 en 10 bij dagvaarding.
Productie 16 en 18 bij dagvaarding.
Productie 6 en 11 bij dagvaarding.
Productie 12 bij dagvaarding.
Zie bijvoorbeeld HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6088.
Beoordeling
Verweer verrekening met facturen
5.14.
In haar conclusie van antwoord stelt MRS dat er na een eerste verrekening nog een bedrag van € 751.651,00 resteert, waarop vervolgens nog een bedrag van € 225.889,75, een bedrag van € 95.202,10 en € 97.211,20 in mindering kan worden gebracht. MRS heeft dit niet nader toegelicht, zodat aan deze stelling voorbij wordt gegaan.
5.15.
Vervolgens heeft MRS bij productie 6 en 7 enkele overzichten overgelegd waaruit volgt dat MRS nog een openstaande vordering van € 225.889,75 en MOB een openstaande vordering van € 95.202,10 op Retrack zou hebben. Partijen zijn het erover eens dat de openstaande facturen in deze overzichten van MRS met de vorderingen van Retrack op MRS zijn verrekend, met uitzondering van twee facturen: een factuur van € 24,10 en een factuur van € 60.800,00.
Die laatste factuur (nummer MRS00000822) is onderdeel van de schadevordering die MRS stelt te hebben op Retrack en die hierna zal worden besproken.
Waarom de factuur van € 24,10 niet in de verrekening kan worden meegenomen, is niet door VTG toegelicht. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 24,10 in mindering brengen op de vordering van VTG .
Verweer verrekening met schadevordering
5.16.
MRS stelt dat zij een schadevordering heeft op Retrack omdat deze de samenwerking op 17 juni 2023 heeft opgeschort en vervolgens opgezegd. MRS wenst die schadevordering te verrekenen met de openstaande facturen van Retrack die aan VTG zijn gecedeerd. VTG betwist allereerst dat MRS kan verrekenen. VTG wijst er op dat MRS stelt een schadevordering te hebben op Retrack , terwijl VTG de eisende partij in deze procedure is. VTG stelt dat verrekening alleen mogelijk is als sprake is van twee tegenover elkaar staande vorderingen tussen dezelfde partijen. Dat is hier niet aan de orde. Ten tweede betwist VTG de schadevordering van MRS .
5.17.
Hoewel het uitgangspunt bij verrekening inderdaad wederkerigheid is, slaagt het verweer van MRS niet. Artikel 6:130 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt namelijk dat wanneer een vordering onder bijzondere titel (zoals cessie) is overgegaan, de schuldenaar bevoegd is ondanks de overgang ook een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar geworden. Deze situatie doet zich hier voor. MRS stelt namelijk een schadevordering te hebben die voortvloeit uit de beëindiging van de samenwerking waaruit ook de facturen van Retrack voortvloeien. Deze beëindiging vond bovendien plaats voor de overdracht van de vorderingen van Retrack aan VTG . Als vast komt te staan dat MRS een schadevordering heeft, mag zij deze dus verrekenen met de vordering van VTG .
5.18.
In artikel 6:136 BW staat dat de rechter een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is). Dit is een discretionaire bevoegdheid. Dat wil zeggen dat de rechtbank er ook voor kan kiezen om een verrekeningsverweer toch te beoordelen, ook al is dit geen eenvoudige vordering. Gelet op de discussie tussen partijen zal de rechtbank hiervoor kiezen en zal zij het verrekeningsverweer van MRS al in de conventie beoordelen. Het feit dat MRS in de vrijwaring dezelfde vordering tegen Retrack instelt, staat hier niet aan in de weg.
5.19.
Hiervoor is vastgesteld dat de vordering van VTG opeisbaar is (en was). De vordering van VTG ziet namelijk (na verrekening) op facturen van Retrack die MRS inmiddels had moeten betalen. Mede gelet op de omvang van de vordering (ruim € 1,5 miljoen) had Retrack een schorsingsgrond. In zoverre mocht Retrack de samenwerking opschorten. MRS stelt echter dat de staking van de werkzaamheden door Retrack onverwacht kwam, (zo begrijpt de rechtbank) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en dat Retrack om die reden schadeplichtig is.
5.20.
De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen een beperking van de bevoegdheid tot opschorting met zich brengen. Zo is in jurisprudentie van de Hoge Raad onder meer overwogen dat in zijn algemeenheid niet de eis kan worden gesteld dat een partij die de nakoming van haar verbintenis opschort, haar wederpartij kenbaar maakt dat zij haar prestatie opschort. Maar, onder omstandigheden kan uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een schuldenaar pas van een hem toekomend opschortingsrecht gebruik mag maken nadat hij zijn wederpartij heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen, en wat degene die opschort, toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen.
5.21.
In deze zaak speelt mee dat sprake is van een samenwerking tussen Retrack en MRS om een shuttledienst te laten rijden tussen Tilburg en Rzepin in Polen . Dit was een gezamenlijk project, opgestart in 2022. Beide partijen waren op de hoogte van elkaars belangen bij deze shuttledienst. Voor Retrack was de shuttledienst vooral van belang voor haar klant [klant] die (aanvankelijk) het merendeel van de vrachteenheden bezet hield. Retrack wist dat de rest van de trein werd gevuld door klanten van MRS . Voor MRS was deze shuttledienst de enige activiteit.
In 2023 ontstaat er discussie over de prijzen die partijen aan elkaar factureren. Die discussie was mede ingegeven door de energiecrisis door de oorlog in Oekraïne. Zoals hiervoor is overwogen, hebben partijen daar geen overeenstemming over bereikt.
Ondertussen speelde mee dat Retrack een grote openstaande vordering had op MRS . Partijen zijn ook daar over in gesprek gegaan en in mei 2023 heeft de M-Group een cessieakte getekend om – in overleg met Retrack – te kunnen verrekenen en zo enkele facturen te voldoen. Na verrekening resteerde een vordering van Retrack op MRS . Vervolgens heeft Retrack op 17 juni 2023 haar werkzaamheden voor de shuttledienst opgeschort en tegelijkertijd de overeenkomst(en) met MRS opgezegd. In feite kwam dit neer op een beëindiging van de shuttledienst per direct. VTG heeft niet betwist dat deze opschorting en opzegging onverwacht kwam en evenmin dat dit betekende dat containers van een klant van MRS onbewaakt werden achtergelaten op een rangeerterrein in Polen .
5.22.
De rechtbank is van oordeel dat het gelet op deze omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is om zonder voorafgaande waarschuwing de samenwerking per direct op te schorten. Een waarschuwing had MRS de mogelijkheid geboden om beredderingsmaatregelen te treffen. Door VTG is niet betwist dat MRS door deze opschorting per direct, schade heeft geleden doordat zij aansprakelijk is gesteld door haar klant voor een bedrag van € 60.800,00. MRS heeft die schade bovendien onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat Retrack die schade dient te vergoeden aan MRS . Dat betekent dat MRS dit bedrag mag verrekenen met de vordering van VTG .
5.23.
MRS stelt ook dat Retrack ten onrechte de overeenkomst heeft opgezegd en dat zij daardoor schade heeft geleden in de vorm van winstderving, welke schade Retrack eveneens moet vergoeden. Zij begroot die schade op € 3 miljoen. Ter onderbouwing van deze stelling voert MRS aan dat zij de achterstanden in 2023 mocht inlopen en dat Retrack nalatig was om de energiespecificaties toe te zenden.
Beoordeling
Verweer verrekening met facturen
5.14.
In haar conclusie van antwoord stelt MRS dat er na een eerste verrekening nog een bedrag van € 751.651,00 resteert, waarop vervolgens nog een bedrag van € 225.889,75, een bedrag van € 95.202,10 en € 97.211,20 in mindering kan worden gebracht. MRS heeft dit niet nader toegelicht, zodat aan deze stelling voorbij wordt gegaan.
5.15.
Vervolgens heeft MRS bij productie 6 en 7 enkele overzichten overgelegd waaruit volgt dat MRS nog een openstaande vordering van € 225.889,75 en MOB een openstaande vordering van € 95.202,10 op Retrack zou hebben. Partijen zijn het erover eens dat de openstaande facturen in deze overzichten van MRS met de vorderingen van Retrack op MRS zijn verrekend, met uitzondering van twee facturen: een factuur van € 24,10 en een factuur van € 60.800,00.
Die laatste factuur (nummer MRS00000822) is onderdeel van de schadevordering die MRS stelt te hebben op Retrack en die hierna zal worden besproken.
Waarom de factuur van € 24,10 niet in de verrekening kan worden meegenomen, is niet door VTG toegelicht. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 24,10 in mindering brengen op de vordering van VTG .
Verweer verrekening met schadevordering
5.16.
MRS stelt dat zij een schadevordering heeft op Retrack omdat deze de samenwerking op 17 juni 2023 heeft opgeschort en vervolgens opgezegd. MRS wenst die schadevordering te verrekenen met de openstaande facturen van Retrack die aan VTG zijn gecedeerd. VTG betwist allereerst dat MRS kan verrekenen. VTG wijst er op dat MRS stelt een schadevordering te hebben op Retrack , terwijl VTG de eisende partij in deze procedure is. VTG stelt dat verrekening alleen mogelijk is als sprake is van twee tegenover elkaar staande vorderingen tussen dezelfde partijen. Dat is hier niet aan de orde. Ten tweede betwist VTG de schadevordering van MRS .
5.17.
Hoewel het uitgangspunt bij verrekening inderdaad wederkerigheid is, slaagt het verweer van MRS niet. Artikel 6:130 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt namelijk dat wanneer een vordering onder bijzondere titel (zoals cessie) is overgegaan, de schuldenaar bevoegd is ondanks de overgang ook een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar geworden. Deze situatie doet zich hier voor. MRS stelt namelijk een schadevordering te hebben die voortvloeit uit de beëindiging van de samenwerking waaruit ook de facturen van Retrack voortvloeien. Deze beëindiging vond bovendien plaats voor de overdracht van de vorderingen van Retrack aan VTG . Als vast komt te staan dat MRS een schadevordering heeft, mag zij deze dus verrekenen met de vordering van VTG .
5.18.
In artikel 6:136 BW staat dat de rechter een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is). Dit is een discretionaire bevoegdheid. Dat wil zeggen dat de rechtbank er ook voor kan kiezen om een verrekeningsverweer toch te beoordelen, ook al is dit geen eenvoudige vordering. Gelet op de discussie tussen partijen zal de rechtbank hiervoor kiezen en zal zij het verrekeningsverweer van MRS al in de conventie beoordelen. Het feit dat MRS in de vrijwaring dezelfde vordering tegen Retrack instelt, staat hier niet aan in de weg.
5.19.
Hiervoor is vastgesteld dat de vordering van VTG opeisbaar is (en was). De vordering van VTG ziet namelijk (na verrekening) op facturen van Retrack die MRS inmiddels had moeten betalen. Mede gelet op de omvang van de vordering (ruim € 1,5 miljoen) had Retrack een schorsingsgrond. In zoverre mocht Retrack de samenwerking opschorten. MRS stelt echter dat de staking van de werkzaamheden door Retrack onverwacht kwam, (zo begrijpt de rechtbank) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en dat Retrack om die reden schadeplichtig is.
5.20.
De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen een beperking van de bevoegdheid tot opschorting met zich brengen. Zo is in jurisprudentie van de Hoge Raad onder meer overwogen dat in zijn algemeenheid niet de eis kan worden gesteld dat een partij die de nakoming van haar verbintenis opschort, haar wederpartij kenbaar maakt dat zij haar prestatie opschort. Maar, onder omstandigheden kan uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een schuldenaar pas van een hem toekomend opschortingsrecht gebruik mag maken nadat hij zijn wederpartij heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen, en wat degene die opschort, toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen.
5.21.
In deze zaak speelt mee dat sprake is van een samenwerking tussen Retrack en MRS om een shuttledienst te laten rijden tussen Tilburg en Rzepin in Polen . Dit was een gezamenlijk project, opgestart in 2022. Beide partijen waren op de hoogte van elkaars belangen bij deze shuttledienst. Voor Retrack was de shuttledienst vooral van belang voor haar klant [klant] die (aanvankelijk) het merendeel van de vrachteenheden bezet hield. Retrack wist dat de rest van de trein werd gevuld door klanten van MRS . Voor MRS was deze shuttledienst de enige activiteit.
In 2023 ontstaat er discussie over de prijzen die partijen aan elkaar factureren. Die discussie was mede ingegeven door de energiecrisis door de oorlog in Oekraïne. Zoals hiervoor is overwogen, hebben partijen daar geen overeenstemming over bereikt.
Ondertussen speelde mee dat Retrack een grote openstaande vordering had op MRS . Partijen zijn ook daar over in gesprek gegaan en in mei 2023 heeft de M-Group een cessieakte getekend om – in overleg met Retrack – te kunnen verrekenen en zo enkele facturen te voldoen. Na verrekening resteerde een vordering van Retrack op MRS . Vervolgens heeft Retrack op 17 juni 2023 haar werkzaamheden voor de shuttledienst opgeschort en tegelijkertijd de overeenkomst(en) met MRS opgezegd. In feite kwam dit neer op een beëindiging van de shuttledienst per direct. VTG heeft niet betwist dat deze opschorting en opzegging onverwacht kwam en evenmin dat dit betekende dat containers van een klant van MRS onbewaakt werden achtergelaten op een rangeerterrein in Polen .
5.22.
De rechtbank is van oordeel dat het gelet op deze omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is om zonder voorafgaande waarschuwing de samenwerking per direct op te schorten. Een waarschuwing had MRS de mogelijkheid geboden om beredderingsmaatregelen te treffen. Door VTG is niet betwist dat MRS door deze opschorting per direct, schade heeft geleden doordat zij aansprakelijk is gesteld door haar klant voor een bedrag van € 60.800,00. MRS heeft die schade bovendien onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat Retrack die schade dient te vergoeden aan MRS . Dat betekent dat MRS dit bedrag mag verrekenen met de vordering van VTG .
5.23.
MRS stelt ook dat Retrack ten onrechte de overeenkomst heeft opgezegd en dat zij daardoor schade heeft geleden in de vorm van winstderving, welke schade Retrack eveneens moet vergoeden. Zij begroot die schade op € 3 miljoen. Ter onderbouwing van deze stelling voert MRS aan dat zij de achterstanden in 2023 mocht inlopen en dat Retrack nalatig was om de energiespecificaties toe te zenden.