Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:3870
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,356 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/694
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser,
en
de minister van Financiën (de minister).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 15 augustus 2024. In die uitspraak staat dat de minister binnen twee weken na de datum van verzending van de uitspraak moet beslissen op het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat de minister dat volgens hem niet heeft gedaan.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn verzoek of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 15 augustus 2024 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing op de aanvraag moest nemen. Bovendien had deze rechtbank bij uitspraak van 4 december 2023 ook al bepaald dat binnen vijf weken na die datum beslist moet zijn op het in geding zijnde Woo-verzoek.
4. De minister heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op de aanvraag van eiser.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
5. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om een langere termijn op te leggen, aangezien de minister, in het verweerschrift van 18 maart 2025, verwachtte uiterlijk 18 april 2025 een besluit te nemen. Het is de rechtbank niet gebleken dat er inmiddels een besluit is genomen.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
6. Volgens het landelijke beleid wordt in gevallen als deze, waarin verweerder na een door de rechter gestelde termijn nog steeds geen besluit op het bezwaar heeft genomen, de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van het landelijke beleid een hogere dwangsom, zoals verzocht door eiser, op te leggen.
Conclusie
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 5. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
8. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr M.R. Jouvenaar, griffier, op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
BRE 24/4934 WOO, ECLI:NL:RBZWB:2024:5646.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.
Extra dwangsom bij te late beslissing van de overheid, te vinden op rechtspraak.nl.