Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-10
ECLI:NL:RBZWB:2023:4851
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,374 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2403
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 16 september 2022, (ECLI:NL:RBZWB:2022:5378). In die uitspraak staat dat het college binnen twee weken opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat het college dat volgens haar niet heeft gedaan.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. De rechtbank heeft het college op 19 april 2023 en op 19 mei 2023 verzocht de op zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. Tot op heden heeft het college hieraan geen gehoor gegeven. Dat betekent dat de rechtbank op basis van de bij haar bekende stukken, ingediend door eiseres, uitspraak zal doen.
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in de uitspraak van 16 september 2022 al een termijn heeft gesteld waarbinnen het college een nieuwe beslissing moest nemen.
5. Het college heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op het bezwaar van eiseres.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
6. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
7. Volgens het landelijke beleid wordt in gevallen als deze, waarin het college na een door de rechter gestelde termijn nog steeds geen besluit op bezwaar heeft genomen, de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.
Conclusie
8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het college de onder 6. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 7. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 418,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
veroordeelt het college tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiseres;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 10 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.