Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-16
ECLI:NL:RBZWB:2024:927
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,146 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/9517 CHWA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2024 in de zaak tussen
EG Retail (Netherlands) B.V., uit Breda, eiseres,
gemachtigde: mr. V.J. Leijh,
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Fastnet B.V., uit Amsterdam (vergunninghouder),
gemachtigde: mr. L.P.W. Mensink.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de verleende wijzigingsbeschikking voor het wijzigen, onderhouden en het behouden van en shop als aanvullende voorziening met werken behorend bij de basisvoorziening energielaadpunt voor elektrische motorvoertuigen.
In het ontwerpbesluit heeft de minister het voornemen geuit om de aanvraag voor een voorziening op verzorgingsplaats Velder aan de rechterzijde van de rijksweg A2, km 133,900x in de gemeente Boxtel toe te kennen. Daartegen heeft eiseres geen zienswijze ingediend.
In het besluit van 26 juli 2023 (bestreden besluit) heeft de minister de gevraagde vergunning verleend.
Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de minister, mr. J.E. Hodselmans en mr. A. Ellinor, ma. [naam 2] en mr. I.A. Siskina namens vergunninghouder.
Beoordeling
Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil kan toekomen, zal zij eerst de vraag moeten beantwoorden of eiseres ontvankelijk is in haar beroep.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
1.1.
Deze procedure gaat over een verzorgingsplaats langs de snelweg. Een dergelijke verzorgingsplaats is een waterstaatswerk als bedoeld in artikel 1 van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr). Om een ‘werk’ op een verzorgingsplaats te mogen hebben, is een Wbr-vergunning nodig.
1.2.
Eiseres exploiteert op diverse verzorgingsplaatsen langs rijkswegen benzinestations of verzorgingsstations.
1.3.
Vergunninghouder ontwikkelt en exploiteert energielaadpunten voor elektrische motorvoertuigen (ook wel snellaadstations of oplaatstations genoemd) langs snelwegen, onder meer op de verzorgingsplaats Velder, aan de rechterwijze van rijksweg A2 ter hoogte van km 133,900x in de gemeente Boxtel. Voor dat energielaadpunt zijn in 2014 aan Fastned vergunningen krachtens de Wbr verleend.
1.4.
In het besluit van 25 juni 2019 heeft de minister het realiseren van een aanvullende voorziening bij het laadstation op verzorgingsplaats Velder, aan de rechterzijde van rijksweg 2 (A2), ter hoogte van km 133,600, te weten het plaatsen en behouden van een gebouw met inpandige en uitpandige voorzieningen nabij het oplaadstation voor elektrische motorvoertuigen op verzorgingsplaats Velder vergund.
1.5.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 17 maart 2021 is, samengevat, geoordeeld dat het beroep dat (onder meer) door eiseres was ingediend ongegrond was. Er was geen reden voor een vernietiging van de vergunning van 25 juni 2019.
1.6.
Op 3 juni 2022 heeft vergunninghouder verzocht om een wijziging van haar bestaande Wbr-vergunning de uitvoering en plaatsing van een reeds vergunde shop (met bijkomende werken). Vergunninghouder wil bij het energielaadpunt graag enkele aanvullende voorzieningen aanbieden, te weten een shop van circa 120 m² met ruimtes voor detailhandel, sanitaire voorzieningen, ontspanning, opslag, technische installaties en personeel. De shop wordt voorzien van zonnepanelen, groene gevels en een groen dak met natuurlijke begroeiing. Daarnaast wil vergunninghouder waterbeheersystemen, kleine bijkomende werken zoals verlichting en een voetpadverharding rond de shop en 7 (compensatie)parkeerplaatsen, waarvan een bestemd als mindervalideparkeerplaats plaatsen.
1.7.
De minister heeft de beslissing op dit verzoek voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de zogenoemde uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
1.8.
De ontwerpvergunning is op 17 mei 2023 gepubliceerd in de Staatscourant. Vanaf 17 mei 2023 tot en met 28 juni 2023 bestond de mogelijkheid daartegen zienswijzen in te dienen. De minister heeft met het besluit van 26 juli 2023 (bestreden besluit) de gevraagde vergunning verleend.
Wettelijk kader
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Is het beroep van eiseres ontvankelijk?
3.1.
Eiseres stelt dat zij geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit heeft ingediend, omdat zij geen melding had gekregen van het ontwerpbesluit. Zij heeft van het ontwerpbesluit geen kennis kunnen nemen. Dat eiseres geen zienswijze heeft ingediend, kan haar echter niet tegen worden geworpen gelet op de Varkens in Nood-rechtspraak en de uitspraak van 4 mei 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Deze rechtspraak geldt volgens eiseres totdat er in de Awb een oplossing is gevonden voor dit soort situaties. Daar is tot op heden geen sprake van. Hoewel de Wbr niet in de lijst van wetten is opgenomen waarop het deze rechtspraak van toepassing is, geldt deze rechtspraak naar de mening van eiseres ook voor deze vergunning. Daarbij is van belang dat er met de realisatie van de aanvullende voorziening wel degelijk grote milieugevolgen gepaard gaan.
3.2.
De minister en vergunninghouder stellen zich op het standpunt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij geen zienswijze heeft ingediend. Zij menen dat eiseres een te ruime uitleg aan de rechtspraak van de ABRvS geeft. In de uitspraak van de ABRvS van 14 april 2021 is bepaald dat in omgevingsrechtelijke zaken, waarin de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is gevolgd, niet kan worden tegengeworpen dat er geen zienswijze is ingediend. Eiseres gaat er echter aan voorbij dat de Wbr door de ABRvS in deze uitspraak niet als omgevingsrechtelijk wordt beschouwd. Voor wetten die niet in de opsomming van de uitspraak van 14 april 2021 zijn opgenomen, moet worden gekeken naar de uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2022. In deze uitspraak is geoordeeld dat dan aannemelijk moet worden gemaakt dat het besluit aanzienlijke gevolgen voor het milieu heeft. Volgens de minister en vergunninghouder heeft het bestreden besluit geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu.
De vergelijking met de uitspraak van de ABRvS van 4 mei 2021 gaat volgens de minister niet op, omdat uit deze uitspraak volgt dat niet-belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend over een ontwerpbesluit op grond van in ieder geval een aantal door de ABRvS genoemde omgevingsrechtelijke wetsartikelen zich kunnen melden bij de bestuursrechter. In de onderhavige zaak liggen de feiten echter anders. De belanghebbendheid van eiseres staat niet ter discussie. Enkel de vraag of eiseres een zienswijze heeft ingediend en de eventuele gevolgen die verbonden worden aan het feit dat eiseres de zienswijze niet heeft ingediend. De minister en vergunninghouder stellen dat het niet indienen van een zienswijze aan eiseres moet worden tegengeworpen.
3.3.
Artikel 6:13 van de Awb bepaalt dat geen beroep bij de bestuursrechter kan ingediend door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht.
3.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen zienswijze heeft ingediend. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of eiseres redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen zienswijze naar voren heeft gebracht.
3.5.
De ABRvS heeft in de uitspraak van 14 april 2021 geoordeeld dat artikel 6:13 van de Awb voor belanghebbenden niet in overeenstemming is met het Verdrag van Aarhus. Artikel 6:13 van de Awb mag, in gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is, niet worden tegengeworpen. Het gaat dan om wetten en regelingen op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening. De rechtbank stelt vast dat de Wbr niet is opgenomen in de opsomming van wetten die de ABRvS in ieder geval als omgevingsrechtelijke zaak beschouwt.
3.6.
Vervolgens heeft de ABRvS in de uitspraak van 13 juli 2022 geoordeeld dat een besluit op grond van een andere dan in de uitspraak van 14 april 2021 genoemde wetten onder omstandigheden ook een omgevingsrechtelijk zaak kan zijn. Uit deze uitspraak volgt echter ook dat de eisende partij dan wel aannemelijk moet maken dat het bestreden besluit aanzienlijke gevolgen voor het milieu heeft.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen zienswijze tegen het bestreden besluit naar voren heeft gebracht. Er bestaat naar oordeel van de rechtbank geen aanleiding om deze zaak te beschouwen als een omgevingsrechtelijke zaak als bedoeld in de hiervoor genoemde uitspraak van 14 april 2021. Dit sluit overigens niet uit dat een besluit op grond van de Wbr onder omstandigheden wel een omgevingsrechtelijke zaak kan zijn.
Conclusie
4. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de rechtbank de zaak dus niet inhoudelijk zal beoordelen.
5. Omdat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier, op 16 februari 2024 en openbaar gemaakt doormiddel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht:
Artikel 6:13
Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.
ABRvS 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:589.
Stcrt. 2023, 14392.
Eiseres verwijst naar ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786 en ABRvS 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953.
ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786.
ABRvS 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1981.
ABRvS 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953.
ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786.
ABRvS 13 juli 2022, ECLI:BL:RVS:2022:1981.
CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat, hoewel zij de zaak gelet op het dictum niet inhoudelijk heeft behandeld, zij van oordeel is dat op deze zaak niet de Crisis- en herstelwet van toepassing is.