Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-31
ECLI:NL:RBZWB:2024:9031
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,161 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/8470 WMO
BRE 24/8471 WMO
BRE 24/8472 WMO
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 december 2024 in de zaken tussen
[verzoeker] , verzoeker 1
[verzoekster 1] , verzoekster 2
[verzoekster 2] , verzoekster 3
(gemachtigde: [germachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorzieningen van verzoekers.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een herhaald verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft immers op 13 december 2024 al een uitspraak gedaan over eerdere verzoeken van verzoekers tot het treffen van een voorlopige voorziening. In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter zich deels onbevoegd verklaard te oordelen over het schadeverzoek en deels zijn de verzoeken afgewezen omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel is bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan daarom slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien verzoekers een beroep doen op nieuwe feiten of omstandigheden die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval indien sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Dit blijkt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.
5. Verzoekers hebben gesteld dat bij de eerdere verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening cruciale stukken ontbreken, namelijk de onrechtmatige besluiten van 20 maart 2024 van de SVB. Daarbij hebben verzoekers opgemerkt dat zij geen hersteltermijn hebben gekregen om die ontbrekende stukken over te leggen. Verzoekers hebben de besluiten van de SVB overgelegd en op dezelfde gronden opnieuw gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de eerdere verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening de besluiten van 20 maart 2024 ook waren overgelegd. Deze besluiten zijn betrokken geweest bij de overwegingen van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter verwijst naar de overwegingen 12 en 13 in de uitspraak van 13 december 2024.
7. In de daarop volgende overwegingen in de uitspraak van 13 december 2024 heeft de voorzieningenrechter voorts geoordeeld over de gronden die verzoekers in het verzoekschrift opnieuw vermelden.
8. Uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is van ernstige onvolkomenheden in de uitspraak van 13 december 2024. Ook is niet gebleken van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 13 december 2024.
Dictum
De voorzieningenrechter;
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake schade gerelateerd aan de opschortingsbesluiten af;
verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de geclaimde schade gerelateerd aan beslissingen van de zorgverzekeraar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 31 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zaken zijn bekend onder de nummers 24/8146, 24/8152, 24/8150 en 24/8148. De uitspraak is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBZWB:2024:8605.
ECLI:NL:CRVB:2020:2141 gepubliceerd op www.rechtspraak.nl