Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:9797
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,182 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9797 text/xml public 2026-05-01T12:30:48 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-21 25/8456 en 25/8457 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9797 text/html public 2026-05-01T12:28:54 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9797 Rechtbank Den Haag , 21-01-2026 / 25/8456 en 25/8457 Vovo. Verweerder mocht een vergunningplicht instellen en tevens de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling stellen. Ook mocht verweerder de onderneming sluiting. Verzoek afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 25/8456 en SGR 25/8457 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 januari 2026 in de zaak tussen [verzoekster] B.V. , uit [vestigingsplaats], verzoekster (gemachtigde: mr. O.J.D.M.L. Jansen), en de burgemeester van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. K. Lafleur). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning en het besluit tot het sluiten van [verzoekster] B.V. (hierna: de onderneming). Verzoekster is het niet met deze besluiten eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Inleiding 2. Met het besluit van 21 oktober 2025 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de onderneming gesloten. Met het besluit van 6 november 2025 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling gesteld. 2.1. Verzoekster heeft tegen beide besluiten bezwaar ingesteld. Op 24 oktober 2025 heeft verzoekster een voorlopige voorziening ingediend tegen het bestreden besluit I. Met de uitspraak van 29 oktober 2025 heeft deze rechtbank dit verzoek afgewezen. Op 2 december 2025 heeft verzoekster nogmaals een voorlopige voorziening ingediend, ditmaal gericht tegen beide bestreden besluiten. Deze gevraagde voorziening ligt in deze procedure ter beoordeling. Voor zover deze ziet op het bestreden besluit I, is er dus sprake van een herhaald verzoek. 2.2. Verweerder heeft op het ingediende verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster [naam 1] (eigenaar van de onderneming), [naam 2] en haar gemachtigde en namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door mr. J. Markerink. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 3. [naam 1] heeft de onderneming, een Poolse supermarkt, op [datum] 2025 overgenomen van [bedrijfsnaam 1] B.V. door middel van een koopovereenkomst. De onderneming is gelegen in de [straatnaam] te [plaats], waar op grond van het Aanwijzingsbesluit vergunningplicht bedrijfsmatige activiteiten artikel 2:98 APV Den Haag 2024 van 27 augustus 2024 (hierna: het Aanwijzingsbesluit) een vergunningplicht geldt voor het verrichten van bedrijfsmatige activiteiten. Op 16 september 2025 heeft de eigenaar namens verzoekster een aanvraag ingediend voor een dergelijke bedrijfsactiviteitenvergunning. Met de e-mail van 22 september 2025 heeft verweerder een ontvangstbevestiging gestuurd voor het indienen van deze vergunningaanvraag. In deze e-mail is verzoekster erop gewezen dat zij niet geopend mag zijn tijdens de behandeling van de aanvraag. Tijdens twee controles die plaatsvonden op 25 september 2025 en 6 oktober 2025 bleek echter dat de onderneming toch geopend was, naar aanleiding waarvan verweerder de onderneming met het bestreden besluit I van 21 oktober 2025 met ingang van 27 oktober 2025 heeft gesloten. In de uitspraak op de door verzoekster tegen deze sluiting ingestelde voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank voorlopig geoordeeld dat verweerder bevoegd was om over te gaan tot de sluiting, dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de sluiting noodzakelijk is in het belang van de openbare orde en dat de sluiting niet onevenwichtig is. 3.1. Met het bestreden besluit II van 6 november 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling gesteld. Als reden hiervoor geeft verweerder dat de door verzoekster bij de aanvraag aangeleverde gegevens en documenten over de financiering van de onderneming geen transparant beeld geven over de herkomst van het geïnvesteerde geld. Het gaat hierbij om een bedrag van € 80.000,- dat verzoekster heeft geleend van dhr. [naam 3] via diens onderneming [bedrijfsnaam 2]. Ook de stukken die verzoekster heeft verstrekt naar aanleiding van twee aanvullende verzoeken om informatie hebben niet de door verweerder gewenste duidelijkheid op dit punt gegeven. Als gevolg van het bestreden besluit II is de exploitatie van de onderneming niet toegestaan en moet deze dus gestaakt blijven. Wat vindt verzoekster? Besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag 4. Kort samengevat stelt verzoekster dat een vergunningplicht bij formele wet moet zijn geregeld en dus niet enkel mag voortvloeien uit een gemeentelijke verordening zoals in onderhavig geval. Dit geldt te meer nu ook de vergaande bevoegdheid tot de sluiting van een inrichting aan het weigeren dan wel buiten behandeling stellen van de aanvraag van zo’n vergunning is gekoppeld. Als zou komen vast te staan dat de vergunningplicht wél bij gemeentelijke verordening mag worden geregeld, dan betoogt verzoekster dat het Aanwijzingsbesluit, die op artikel 2:98 APV is gebaseerd, in strijd is met de Dienstenrichtlijn, de vrijheid van het ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel. Hierin is namelijk in onvoldoende mate rekening gehouden met de belangen van ondernemers. Verder stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij wel degelijk voldoende gegevens heeft aangeleverd op grond waarvan de herkomst van het geïnvesteerde geld in de onderneming kan worden achterhaald. De voorafgaand aan het primaire besluit II ingediende bankafschriften hebben weliswaar betrekking op de periode nádat het bedrag van de lening op de rekening van verzoekster was gestort, echter geeft dit wel een representatief beeld van waar [bedrijfsnaam 2] haar omzet, waar het bedrag van de lening mee is gevoed, vandaan komt. Het bedrag van die omzet is bovendien in lijn met de gemiddelde praktijkomzet van Nederlandse tandartspraktijken. Na het bestreden besluit II heeft verzoekster alsnog bankafschriften overlegd die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan de storting van het bedrag van de lening. Hieruit kan worden afgeleid dat het bedrag van de lening is gevoed door meerdere opbrengsten die vanuit verschillende tandartspraktijken zijn binnengekomen. Het is onevenredig om van verzoekster te verlangen dat zij vervolgens óók de herkomst van die verschillende opbrengsten inzichtelijk maakt. Besluit tot sluiting van de onderneming 5. Voor zover de ingediende voorziening betrekking heeft op het bestreden besluit I, wijst verzoekster erop dat het bestreden besluit II op het moment van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank op haar eerdere verzoek met eenzelfde strekking nog niet was genomen en daarmee kan worden gezien als een nieuw feit. Met inachtneming daarvan vraagt verzoekster de voorzieningenrechter om het verzoek opnieuw te beoordelen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:9797 text/xml public 2026-05-01T12:30:48 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-21 25/8456 en 25/8457 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9797 text/html public 2026-05-01T12:28:54 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9797 Rechtbank Den Haag , 21-01-2026 / 25/8456 en 25/8457 Vovo. Verweerder mocht een vergunningplicht instellen en tevens de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling stellen. Ook mocht verweerder de onderneming sluiting. Verzoek afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 25/8456 en SGR 25/8457 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 januari 2026 in de zaak tussen [verzoekster] B.V. , uit [vestigingsplaats], verzoekster (gemachtigde: mr. O.J.D.M.L. Jansen), en de burgemeester van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. K. Lafleur). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning en het besluit tot het sluiten van [verzoekster] B.V. (hierna: de onderneming). Verzoekster is het niet met deze besluiten eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Inleiding 2. Met het besluit van 21 oktober 2025 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de onderneming gesloten. Met het besluit van 6 november 2025 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling gesteld. 2.1. Verzoekster heeft tegen beide besluiten bezwaar ingesteld. Op 24 oktober 2025 heeft verzoekster een voorlopige voorziening ingediend tegen het bestreden besluit I. Met de uitspraak van 29 oktober 2025 heeft deze rechtbank dit verzoek afgewezen. Op 2 december 2025 heeft verzoekster nogmaals een voorlopige voorziening ingediend, ditmaal gericht tegen beide bestreden besluiten. Deze gevraagde voorziening ligt in deze procedure ter beoordeling. Voor zover deze ziet op het bestreden besluit I, is er dus sprake van een herhaald verzoek. 2.2. Verweerder heeft op het ingediende verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster [naam 1] (eigenaar van de onderneming), [naam 2] en haar gemachtigde en namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door mr. J. Markerink. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 3. [naam 1] heeft de onderneming, een Poolse supermarkt, op [datum] 2025 overgenomen van [bedrijfsnaam 1] B.V. door middel van een koopovereenkomst. De onderneming is gelegen in de [straatnaam] te [plaats], waar op grond van het Aanwijzingsbesluit vergunningplicht bedrijfsmatige activiteiten artikel 2:98 APV Den Haag 2024 van 27 augustus 2024 (hierna: het Aanwijzingsbesluit) een vergunningplicht geldt voor het verrichten van bedrijfsmatige activiteiten. Op 16 september 2025 heeft de eigenaar namens verzoekster een aanvraag ingediend voor een dergelijke bedrijfsactiviteitenvergunning. Met de e-mail van 22 september 2025 heeft verweerder een ontvangstbevestiging gestuurd voor het indienen van deze vergunningaanvraag. In deze e-mail is verzoekster erop gewezen dat zij niet geopend mag zijn tijdens de behandeling van de aanvraag. Tijdens twee controles die plaatsvonden op 25 september 2025 en 6 oktober 2025 bleek echter dat de onderneming toch geopend was, naar aanleiding waarvan verweerder de onderneming met het bestreden besluit I van 21 oktober 2025 met ingang van 27 oktober 2025 heeft gesloten. In de uitspraak op de door verzoekster tegen deze sluiting ingestelde voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank voorlopig geoordeeld dat verweerder bevoegd was om over te gaan tot de sluiting, dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de sluiting noodzakelijk is in het belang van de openbare orde en dat de sluiting niet onevenwichtig is. 3.1. Met het bestreden besluit II van 6 november 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling gesteld. Als reden hiervoor geeft verweerder dat de door verzoekster bij de aanvraag aangeleverde gegevens en documenten over de financiering van de onderneming geen transparant beeld geven over de herkomst van het geïnvesteerde geld. Het gaat hierbij om een bedrag van € 80.000,- dat verzoekster heeft geleend van dhr. [naam 3] via diens onderneming [bedrijfsnaam 2]. Ook de stukken die verzoekster heeft verstrekt naar aanleiding van twee aanvullende verzoeken om informatie hebben niet de door verweerder gewenste duidelijkheid op dit punt gegeven. Als gevolg van het bestreden besluit II is de exploitatie van de onderneming niet toegestaan en moet deze dus gestaakt blijven. Wat vindt verzoekster? Besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag 4. Kort samengevat stelt verzoekster dat een vergunningplicht bij formele wet moet zijn geregeld en dus niet enkel mag voortvloeien uit een gemeentelijke verordening zoals in onderhavig geval. Dit geldt te meer nu ook de vergaande bevoegdheid tot de sluiting van een inrichting aan het weigeren dan wel buiten behandeling stellen van de aanvraag van zo’n vergunning is gekoppeld. Als zou komen vast te staan dat de vergunningplicht wél bij gemeentelijke verordening mag worden geregeld, dan betoogt verzoekster dat het Aanwijzingsbesluit, die op artikel 2:98 APV is gebaseerd, in strijd is met de Dienstenrichtlijn, de vrijheid van het ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel. Hierin is namelijk in onvoldoende mate rekening gehouden met de belangen van ondernemers. Verder stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij wel degelijk voldoende gegevens heeft aangeleverd op grond waarvan de herkomst van het geïnvesteerde geld in de onderneming kan worden achterhaald. De voorafgaand aan het primaire besluit II ingediende bankafschriften hebben weliswaar betrekking op de periode nádat het bedrag van de lening op de rekening van verzoekster was gestort, echter geeft dit wel een representatief beeld van waar [bedrijfsnaam 2] haar omzet, waar het bedrag van de lening mee is gevoed, vandaan komt. Het bedrag van die omzet is bovendien in lijn met de gemiddelde praktijkomzet van Nederlandse tandartspraktijken. Na het bestreden besluit II heeft verzoekster alsnog bankafschriften overlegd die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan de storting van het bedrag van de lening. Hieruit kan worden afgeleid dat het bedrag van de lening is gevoed door meerdere opbrengsten die vanuit verschillende tandartspraktijken zijn binnengekomen. Het is onevenredig om van verzoekster te verlangen dat zij vervolgens óók de herkomst van die verschillende opbrengsten inzichtelijk maakt. Besluit tot sluiting van de onderneming 5. Voor zover de ingediende voorziening betrekking heeft op het bestreden besluit I, wijst verzoekster erop dat het bestreden besluit II op het moment van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank op haar eerdere verzoek met eenzelfde strekking nog niet was genomen en daarmee kan worden gezien als een nieuw feit. Met inachtneming daarvan vraagt verzoekster de voorzieningenrechter om het verzoek opnieuw te beoordelen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
Volledig
Een financieel belang, zoals in deze zaak, vormt op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de financiële gevolgen van (achteraf bezien) onrechtmatige besluitvorming in beginsel naderhand kunnen worden gecompenseerd. Dit kan anders zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie of als de continuïteit van de betrokken onderneming wordt bedreigd. 6.1. Op de zitting heeft [naam 1] toegelicht dat hij door de voortdurende sluiting van de onderneming veel geld misloopt waardoor hij openstaande schulden niet goed meer kan afbetalen. Daar komen ook nog de kosten bij voor de juridische bijstand die hij vanwege het starten van deze procedures heeft moeten maken. Ter ondersteuning hiervan heeft [naam 1] een begroting van de financiële schade door de sluiting ingebracht. Verder heeft [naam 1] aangegeven dat de huidige situatie een grote impact heeft op zijn privéleven. Naast dat hij hierdoor al maanden slecht slaapt, zijn er ook relatieproblemen met zijn partner. Voorts heeft verweerder op de zitting aangegeven dat de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie in de zaak van de buiten behandelingstelling van de bedrijfsactiviteitenvergunning op 2 maart a.s. zal plaatsvinden en dat uiterlijk zes weken daarna pas een beslissing op het door verzoekster hiertegen ingediende bezwaarschrift zal worden genomen. Als er geen voorziening wordt getroffen, dan betekent dit dus dat de onderneming in ieder geval tot dat moment gesloten blijft. Dit alles in onderling verband bezien brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat een spoedeisend belang redelijkerwijs niet aan verzoekster kan worden ontzegd. Bestreden besluit II (de buiten behandelingstelling) Mocht er een vergunningplicht worden ingesteld? 7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beoordeling van de vraag of in de APV een vergunningplicht mocht worden ingesteld en, zo ja, of het hierop gebaseerde Aanwijzingsbesluit al dan niet in strijd is met de Dienstenrichtlijn, de vrijheid van het ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel, zich in beginsel niet leent voor een voorlopige voorzieningenprocedure. De bezwaarprocedure leent zich bij uitstek voor de beantwoording van dergelijke complexe rechtsvragen. Desondanks ziet de voorzieningenrechter in wat door verzoekster op deze punten naar voren is gebracht op voorhand geen aanleiding om te veronderstellen dat de APV en het Aanwijzingsbesluit onvoldoende grondslag bieden voor het instellen van een vergunningplicht. Vanuit de algemene verordende bevoegdheid kan de gemeenteraad namelijk een vergunningstelsel in het leven roepen en deze, zoals hier het geval is, onder het regime van de Wet Bibob onderbrengen. Vanuit zijn bevoegdheden in het kader van de openbare orde heeft verweerder vervolgens met het vaststellen van het Aanwijzingsbesluit besloten dat de vergunningplicht onder meer van toepassing is op ondernemingen die zijn gevestigd in de [straatnaam]. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onder verwijzing naar de toegenomen leefbaarheidsproblematiek in deze buurt voldoende gemotiveerd dat het nemen van het Aanwijzingsbesluit noodzakelijk en evenwichtig is. Dat verweerder zich bij het nemen van dit besluit onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de ondernemers, volgt de voorzieningenrechter niet. Zo heeft verweerder op navolgbare wijze uitgelegd dat ondernemers die hun bedrijfsvoering en financiering op orde hebben en zich niet inlaten met criminele activiteiten geen negatieve gevolgen van het besluit zullen ondervinden. Bovendien kunnen toekomstige ondernemers, zoals [naam 1] voorafgaand aan de overname van de onderneming kon worden aangemerkt, zelf ook invloed uitoefenen op het beperken van negatieve (financiële) gevolgen door al voor de exploitatie van de nieuwe onderneming een aanvraag voor een bedrijfsactiviteitenvergunning in te dienen. Van strijd met de Dienstenrichtlijn, de vrijheid van het ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel, is op het eerste oog dan ook geen sprake. Mocht verweerder de vergunningaanvraag van verzoekster buiten behandeling stellen? 8. Op grond van artikel 7a, eerste, van de Wet Bibob kan het bestuursorgaan een eigen onderzoek instellen naar feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat een bedrijfsactiviteitenvergunning mede zal worden gebruikt om uit geplaagde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Om het bestuursorgaan in staat te stellen tot het eigen onderzoek, verschaft de betrokkene op grond van het tweede lid, onder h, van dit artikel onder meer gegevens waaruit kan worden afgeleid hoe de onderneming is gefinancierd. 8.1. Naar aanleiding van het ingevulde Bibob-formulier heeft verweerder met de brief van 6 oktober 2025 onder meer verzocht om volledige bankafschriften van [bedrijfsnaam 2] over de periode voorafgaand aan de uitbetaling van de lening van € 80.000,- aan verzoekster. Dit omdat het bedrag van de lening nagenoeg even hoog is als het bedrag aan eigen vermogen (€ 82.430,-) dat deze onderneming blijkens de jaarrekening van 2024 op 21 december 2024 bezat. In reactie hierop heeft verzoekster op 18 oktober 2025 meerdere bankafschriften verstrekt. Met de brief van 21 oktober 2025 heeft verweerder te kennen gegeven dat met het versturen van deze bankafschriften nog steeds niet alle vragen beantwoord zijn. De bankafschriften zien namelijk op de periode van 1 september 2025 tot 6 oktober 2025, terwijl het bedrag van de lening in twee delen op 24 augustus 2025 (€ 50.000,-) en 1 september 2025 (€ 30.000,-) op de rekening van verzoekster is gestort. De uiteindelijke herkomst van de € 80.000,- is daarom nog steeds niet herleidbaar. In de brief heeft verweerder verzoekster daarom verzocht om uiterlijk 4 november 2025 de ontbrekende stukken te sturen en er uitdrukkelijk op gewezen dat de aanvraag om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling kan worden gesteld als er desondanks gegevens ontbreken. In reactie hierop heeft verzoekster op 28 oktober 2025 bankafschriften verstrekt die betrekking hebben op de periode van 20 augustus 2025 tot 3 oktober 2025. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat ook op grond van deze informatie niet kan worden vastgesteld hoe de bankrekening van [bedrijfsnaam 2] eerder tot aan het overmaken van het bedrag van € 80.000.- is gevoed. Het betoog van verzoekster dat het voor de beoordeling van de aanvraag voldoende is dat uit deze bankafschriften een globaal beeld kan worden verkregen waar [bedrijfsnaam 2] haar inkomsten vandaan haalt, volgt de voorzieningenrechter niet. Net als het door verzoekster ingebrachte artikel over de gemiddelde praktijkomzet van Nederlandse tandartsen zegt dit namelijk niks over de herkomst van het specifieke bedrag van de lening van € 80.000.-, waar verweerder nu juist vragen over had. De voorzieningenrechter is dan ook voorlopig van oordeel dat verweerder de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling heeft mogen stellen. Aanvullende stukken die zijn binnengekomen na het bestreden besluit II 9. In reactie op het bestreden besluit II heeft verzoekster op 10 november 2025 een brief naar verweerder gestuurd en daarin te kennen gegeven dat het nooit de bedoeling is geweest om de gevraagde informatie niet te overleggen. Bij deze brief zijn bankafschriften van [bedrijfsnaam 2] overlegd die betrekking hebben op de periode van 2 juni 2025 tot en met 9 november 2025. In reactie hierop heeft verweerder met de brief van 20 november 2025 laten weten te blijven bij het bestreden besluit II omdat ook deze stukken vervolgvragen oproepen en om vervolgonderzoek vragen – waarvoor het in dit stadium van de procedure te laat is. 9.1. Dat de nader door verzoekster ingebrachte stukken vervolgvragen oproepen, kan de voorzieningenrechter volgen. Zo volgt uit de stukken dat [bedrijfsnaam 2] in de betreffende periode van vijf maanden een omzet van € 254.288,- heeft gegenereerd, terwijl over het gehele jaar 2024 ‘slechts’ een omzet werd behaald van € 226.443,-.
Volledig
Een financieel belang, zoals in deze zaak, vormt op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de financiële gevolgen van (achteraf bezien) onrechtmatige besluitvorming in beginsel naderhand kunnen worden gecompenseerd. Dit kan anders zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie of als de continuïteit van de betrokken onderneming wordt bedreigd. 6.1. Op de zitting heeft [naam 1] toegelicht dat hij door de voortdurende sluiting van de onderneming veel geld misloopt waardoor hij openstaande schulden niet goed meer kan afbetalen. Daar komen ook nog de kosten bij voor de juridische bijstand die hij vanwege het starten van deze procedures heeft moeten maken. Ter ondersteuning hiervan heeft [naam 1] een begroting van de financiële schade door de sluiting ingebracht. Verder heeft [naam 1] aangegeven dat de huidige situatie een grote impact heeft op zijn privéleven. Naast dat hij hierdoor al maanden slecht slaapt, zijn er ook relatieproblemen met zijn partner. Voorts heeft verweerder op de zitting aangegeven dat de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie in de zaak van de buiten behandelingstelling van de bedrijfsactiviteitenvergunning op 2 maart a.s. zal plaatsvinden en dat uiterlijk zes weken daarna pas een beslissing op het door verzoekster hiertegen ingediende bezwaarschrift zal worden genomen. Als er geen voorziening wordt getroffen, dan betekent dit dus dat de onderneming in ieder geval tot dat moment gesloten blijft. Dit alles in onderling verband bezien brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat een spoedeisend belang redelijkerwijs niet aan verzoekster kan worden ontzegd. Bestreden besluit II (de buiten behandelingstelling) Mocht er een vergunningplicht worden ingesteld? 7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beoordeling van de vraag of in de APV een vergunningplicht mocht worden ingesteld en, zo ja, of het hierop gebaseerde Aanwijzingsbesluit al dan niet in strijd is met de Dienstenrichtlijn, de vrijheid van het ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel, zich in beginsel niet leent voor een voorlopige voorzieningenprocedure. De bezwaarprocedure leent zich bij uitstek voor de beantwoording van dergelijke complexe rechtsvragen. Desondanks ziet de voorzieningenrechter in wat door verzoekster op deze punten naar voren is gebracht op voorhand geen aanleiding om te veronderstellen dat de APV en het Aanwijzingsbesluit onvoldoende grondslag bieden voor het instellen van een vergunningplicht. Vanuit de algemene verordende bevoegdheid kan de gemeenteraad namelijk een vergunningstelsel in het leven roepen en deze, zoals hier het geval is, onder het regime van de Wet Bibob onderbrengen. Vanuit zijn bevoegdheden in het kader van de openbare orde heeft verweerder vervolgens met het vaststellen van het Aanwijzingsbesluit besloten dat de vergunningplicht onder meer van toepassing is op ondernemingen die zijn gevestigd in de [straatnaam]. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onder verwijzing naar de toegenomen leefbaarheidsproblematiek in deze buurt voldoende gemotiveerd dat het nemen van het Aanwijzingsbesluit noodzakelijk en evenwichtig is. Dat verweerder zich bij het nemen van dit besluit onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de ondernemers, volgt de voorzieningenrechter niet. Zo heeft verweerder op navolgbare wijze uitgelegd dat ondernemers die hun bedrijfsvoering en financiering op orde hebben en zich niet inlaten met criminele activiteiten geen negatieve gevolgen van het besluit zullen ondervinden. Bovendien kunnen toekomstige ondernemers, zoals [naam 1] voorafgaand aan de overname van de onderneming kon worden aangemerkt, zelf ook invloed uitoefenen op het beperken van negatieve (financiële) gevolgen door al voor de exploitatie van de nieuwe onderneming een aanvraag voor een bedrijfsactiviteitenvergunning in te dienen. Van strijd met de Dienstenrichtlijn, de vrijheid van het ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel, is op het eerste oog dan ook geen sprake. Mocht verweerder de vergunningaanvraag van verzoekster buiten behandeling stellen? 8. Op grond van artikel 7a, eerste, van de Wet Bibob kan het bestuursorgaan een eigen onderzoek instellen naar feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat een bedrijfsactiviteitenvergunning mede zal worden gebruikt om uit geplaagde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Om het bestuursorgaan in staat te stellen tot het eigen onderzoek, verschaft de betrokkene op grond van het tweede lid, onder h, van dit artikel onder meer gegevens waaruit kan worden afgeleid hoe de onderneming is gefinancierd. 8.1. Naar aanleiding van het ingevulde Bibob-formulier heeft verweerder met de brief van 6 oktober 2025 onder meer verzocht om volledige bankafschriften van [bedrijfsnaam 2] over de periode voorafgaand aan de uitbetaling van de lening van € 80.000,- aan verzoekster. Dit omdat het bedrag van de lening nagenoeg even hoog is als het bedrag aan eigen vermogen (€ 82.430,-) dat deze onderneming blijkens de jaarrekening van 2024 op 21 december 2024 bezat. In reactie hierop heeft verzoekster op 18 oktober 2025 meerdere bankafschriften verstrekt. Met de brief van 21 oktober 2025 heeft verweerder te kennen gegeven dat met het versturen van deze bankafschriften nog steeds niet alle vragen beantwoord zijn. De bankafschriften zien namelijk op de periode van 1 september 2025 tot 6 oktober 2025, terwijl het bedrag van de lening in twee delen op 24 augustus 2025 (€ 50.000,-) en 1 september 2025 (€ 30.000,-) op de rekening van verzoekster is gestort. De uiteindelijke herkomst van de € 80.000,- is daarom nog steeds niet herleidbaar. In de brief heeft verweerder verzoekster daarom verzocht om uiterlijk 4 november 2025 de ontbrekende stukken te sturen en er uitdrukkelijk op gewezen dat de aanvraag om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling kan worden gesteld als er desondanks gegevens ontbreken. In reactie hierop heeft verzoekster op 28 oktober 2025 bankafschriften verstrekt die betrekking hebben op de periode van 20 augustus 2025 tot 3 oktober 2025. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat ook op grond van deze informatie niet kan worden vastgesteld hoe de bankrekening van [bedrijfsnaam 2] eerder tot aan het overmaken van het bedrag van € 80.000.- is gevoed. Het betoog van verzoekster dat het voor de beoordeling van de aanvraag voldoende is dat uit deze bankafschriften een globaal beeld kan worden verkregen waar [bedrijfsnaam 2] haar inkomsten vandaan haalt, volgt de voorzieningenrechter niet. Net als het door verzoekster ingebrachte artikel over de gemiddelde praktijkomzet van Nederlandse tandartsen zegt dit namelijk niks over de herkomst van het specifieke bedrag van de lening van € 80.000.-, waar verweerder nu juist vragen over had. De voorzieningenrechter is dan ook voorlopig van oordeel dat verweerder de aanvraag van verzoekster om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling heeft mogen stellen. Aanvullende stukken die zijn binnengekomen na het bestreden besluit II 9. In reactie op het bestreden besluit II heeft verzoekster op 10 november 2025 een brief naar verweerder gestuurd en daarin te kennen gegeven dat het nooit de bedoeling is geweest om de gevraagde informatie niet te overleggen. Bij deze brief zijn bankafschriften van [bedrijfsnaam 2] overlegd die betrekking hebben op de periode van 2 juni 2025 tot en met 9 november 2025. In reactie hierop heeft verweerder met de brief van 20 november 2025 laten weten te blijven bij het bestreden besluit II omdat ook deze stukken vervolgvragen oproepen en om vervolgonderzoek vragen – waarvoor het in dit stadium van de procedure te laat is. 9.1. Dat de nader door verzoekster ingebrachte stukken vervolgvragen oproepen, kan de voorzieningenrechter volgen. Zo volgt uit de stukken dat [bedrijfsnaam 2] in de betreffende periode van vijf maanden een omzet van € 254.288,- heeft gegenereerd, terwijl over het gehele jaar 2024 ‘slechts’ een omzet werd behaald van € 226.443,-.
Volledig
Bovendien staat als omschrijving op de betreffende bankafschriften slechts vermeld dat het om de omzet van een bepaalde maand gaat waardoor het onduidelijk blijft hoe die bedragen precies tot stand zijn gekomen. Dat verweerder onevenredig heeft gehandeld door zover op dit onderdeel door te vragen, volgt de voorzieningenrechter evenmin. Als een onderneming met vreemd vermogen is gefinancierd, zoals in onderhavig geval, dan is het nu eenmaal onvermijdelijk dat ook informatie wordt opgevraagd over financiële gegevens van personen anders dan de betrokkene zelf om de herkomst daarvan te achterhalen. Een andere opvatting op dit punt zou de Wet Bibob zinledig maken, omdat malafide ondernemers dan eenvoudig zouden kunnen verhullen wat de daadwerkelijke herkomst is van de financiering. Verder heeft verweerder op de zitting onweersproken gesteld dat dhr. [naam 3] niet staat ingeschreven in het BIG-register, wat de gerechtvaardigde vraag oproept wat dan de aard van de werkzaamheden is die hij met zijn onderneming verricht. Op de zitting heeft verzoekster op deze punten geen helderheid kunnen verschaffen. Dat betekent dat hier nog nader onderzoek moet worden verricht en daarom niet op voorhand kan worden gesteld dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Het bestreden besluit I (de sluiting) 10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel is bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan daarom slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien verzoekster een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval indien sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. 10.1. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat aan de eerdere uitspraak van de rechtbank ernstige onvolkomenheden kleven. Ook is niet gebleken van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Op de zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij deze voorziening met name om strategische redenen heeft ingediend. Als de voorzieningenrechter van oordeel zou zijn dat het bestreden besluit II niet in stand kan blijven, dan is er namelijk ook een juridische ingang om de sluiting van de onderneming op te heffen. Nu in de voorgaande rechtsoverwegingen al voorlopig is geoordeeld dat verweerder de aanvraag van verzoeker om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling heeft mogen stellen, houdt dit betoog geen stand. Conclusie en gevolgen 11. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit I af; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit II af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met kenmerk SGR 25/7578. Op grond van artikel 2:98, achtste lid, onder a, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV Den Haag). Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo. artikel 7a, eerste en tweede lid, van de Wet Bibob. Verzoekster verwijst in dit verband naar artikel 4:2 van de Awb, in samenhang met de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1591 en van 4 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:406. Zie artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob. Vergelijk de uitspraak met kenmerk SGR 25/7578. Op grond van artikel 8:85, tweede lid, onder c, van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.
Volledig
Bovendien staat als omschrijving op de betreffende bankafschriften slechts vermeld dat het om de omzet van een bepaalde maand gaat waardoor het onduidelijk blijft hoe die bedragen precies tot stand zijn gekomen. Dat verweerder onevenredig heeft gehandeld door zover op dit onderdeel door te vragen, volgt de voorzieningenrechter evenmin. Als een onderneming met vreemd vermogen is gefinancierd, zoals in onderhavig geval, dan is het nu eenmaal onvermijdelijk dat ook informatie wordt opgevraagd over financiële gegevens van personen anders dan de betrokkene zelf om de herkomst daarvan te achterhalen. Een andere opvatting op dit punt zou de Wet Bibob zinledig maken, omdat malafide ondernemers dan eenvoudig zouden kunnen verhullen wat de daadwerkelijke herkomst is van de financiering. Verder heeft verweerder op de zitting onweersproken gesteld dat dhr. [naam 3] niet staat ingeschreven in het BIG-register, wat de gerechtvaardigde vraag oproept wat dan de aard van de werkzaamheden is die hij met zijn onderneming verricht. Op de zitting heeft verzoekster op deze punten geen helderheid kunnen verschaffen. Dat betekent dat hier nog nader onderzoek moet worden verricht en daarom niet op voorhand kan worden gesteld dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Het bestreden besluit I (de sluiting) 10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel is bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan daarom slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien verzoekster een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval indien sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter dan wel van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. 10.1. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat aan de eerdere uitspraak van de rechtbank ernstige onvolkomenheden kleven. Ook is niet gebleken van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Op de zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij deze voorziening met name om strategische redenen heeft ingediend. Als de voorzieningenrechter van oordeel zou zijn dat het bestreden besluit II niet in stand kan blijven, dan is er namelijk ook een juridische ingang om de sluiting van de onderneming op te heffen. Nu in de voorgaande rechtsoverwegingen al voorlopig is geoordeeld dat verweerder de aanvraag van verzoeker om een bedrijfsactiviteitenvergunning buiten behandeling heeft mogen stellen, houdt dit betoog geen stand. Conclusie en gevolgen 11. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit I af; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit II af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met kenmerk SGR 25/7578. Op grond van artikel 2:98, achtste lid, onder a, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV Den Haag). Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo. artikel 7a, eerste en tweede lid, van de Wet Bibob. Verzoekster verwijst in dit verband naar artikel 4:2 van de Awb, in samenhang met de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1591 en van 4 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:406. Zie artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob. Vergelijk de uitspraak met kenmerk SGR 25/7578. Op grond van artikel 8:85, tweede lid, onder c, van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.