Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:7649
Bestuursrecht; Belastingrecht
Verzet
1,525 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/2344 t/m 23/2351
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2024 op het verzet van
[belanghebbende] , uit [plaats] , België, belanghebbende
(gesteld gemachtigde: mr.drs. B.R.J.J. Speetjens),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2023 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2023 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft gelet op de aard en inhoud van de zaak (ontvankelijkheidskwestie) alsmede de wijze waarop het proces tot dan toe is verlopen geen aanleiding gezien om belanghebbende ambtshalve in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord naar aanleiding van het verzet.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 december 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 1 december 2023
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
5. De rechtbank heeft in de in verzet bestreden uitspraak vastgesteld dat bij het ingediende beroepschrift na een daartoe gedaan verzoek geen schriftelijke machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat de gesteld gemachtigde namens belanghebbende gemachtigd is rechtsmiddelen aan te wenden De gesteld gemachtigde is meermaals in de gelegenheid gesteld een schriftelijke machtiging te overleggen, maar heeft dat niet gedaan.
6. De gesteld gemachtigde heeft verzet ingediend tegen de uitspraak van de rechtbank. De gesteld gemachtigde voert aan dat belanghebbende nog steeds in hechtenis zit en zich geen mogelijkheid heeft voorgedaan om een (specifieke) machtiging te verkrijgen. Bij het verzetschrift heeft de gesteld gemachtigde wel een doorlopende machtiging van 31 maart 2005 overgelegd.
7. De rechtbank is van oordeel dat de in verzet genoemde omstandigheden geen reden vormen om te oordelen dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. De enkele stelling dat belanghebbende gedetineerd is, is zonder nadere toelichting die ontbreekt, onvoldoende. In de beroepsfase is gevraagd om bewijsstukken ter zake van de gestelde persoonlijke omstandigheden, maar die bewijsstukken zijn niet overgelegd. In de in verzet bestreden uitspraak is wederom aangegeven dat bewijsstukken ontbraken. Ook in verzet zijn geen bewijsstukken bijgebracht die maken dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Dat in verzet een machtiging is overgelegd, maakt dit niet anders, omdat het niet overleggen van een machtiging in verzet niet kan worden hersteld.
Conclusie
8. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 1 december 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 8 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vergelijk, Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2295
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2