Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-06
ECLI:NL:RBZWB:2024:745
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,824 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2196 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. N.A.C. Versteden),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Regragui).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn dagloon op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Het UWV heeft het dagloon met het besluit van 22 juli 2021 vastgesteld. Met het bestreden besluit van 10 maart 2022 op het bezwaar van eiser is het UWV bij die vaststelling gebleven.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is als chef-kok werkzaam geweest. Voor die werkzaamheden is hij op
3 september 2019 uitgevallen.
Met het primaire besluit van 22 juli 2021 heeft het UWV aan eiser met ingang van
31 augustus 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een (geïndexeerd) maandloon van € 3.861,28. Het UWV is daarbij uitgegaan van een loon volgens de opgave van de (ex-)werkgever (hierna: werkgever) van € 44.553,80.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 10 maart 2022 heeft het UWV dit bezwaar gegrond verklaard. Het UWV kent aan eiser een IVA-uitkering toe. Het maandloon/dagloon is volgens het UWV wel juist vastgesteld.
Het UWV heeft de werkgever van eiser verzocht om uit te leggen waarom de overuren van 2018 en 2019 pas in 2020 uitbetaald zijn en uitleg te geven over de loonstroken van september 2018 en juli 2019. Volgens de werkgever was er geen afspraak of speciale reden om de overuren pas in 2020 uit te betalen. De werkgever kwam er pas in 2020 achter dat er nog overuren van 2018 en 2019 betaald moesten worden. Verder heeft de werkgever aangegeven dat de loonstroken van september 2018 en juli 2019 zijn gecorrigeerd en deze correctieloonstroken overgelegd, evenals de loonstaten over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019. De SV-lonen zoals vermeld op de loonstaten zijn hetzelfde als de SV-lonen die de werkgever bij de Belastingdienst heeft opgegeven. De door eiser overgelegde loonstroken van september 2018 en juli 2019 vindt het UWV onvoldoende om aan te nemen dat de opgave van de werkgever bij de Belastingdienst onjuist is.
Met betrekking tot de overuren stelt het UWV dat niet is gebleken dat de werkgever destijds niet in staat was om de overuren over 2018 en 2019 tijdig uit te betalen. Ook is niet gebleken dat eiser zijn werkgever destijds tijdig heeft gemaand of gesommeerd om de overuren over 2018 en 2019 uit te betalen. Hierdoor is geen sprake van niet-inbaar loon. Daarom neemt het UWV de overuren van 2018 en 2019 die zijn uitbetaald in 2020 niet mee in de dagloonberekening.
Beroep
3.1.
Eiser kan zich niet vinden in de dagloonberekening van het UWV. Volgens eiser is het UWV uitgegaan van een onjuist loon over september 2018 en juli 2019.
3.2.
Verder stelt eiser dat het UWV ten onrechte de uitbetaling van 240,9 overuren ten bedrage van € 5.494,93 niet heeft betrokken in de berekening van het dagloon. Uit informatie van de werkgever blijkt dat deze overuren betrekking hebben op de periode van
1 september 2018 tot en met augustus 2019. Deze overuren zijn als gevolg van ziekte van eiser later uitbetaald dan normaal. De overuren waren tijdens de referteperiode echter wel vorderbaar en opeisbaar.
3.3.
Volgens eiser was het bij zijn werkgever gebruikelijk dat de overuren pas aan het einde van het seizoen werden voldaan. De werkgever heeft ook aangegeven dat de overuren als gevolg van eisers ziekte pas later zijn uitbetaald. Eiser heeft een goede verstandhouding met zijn werkgever. Daarin past het zenden van sommatiebrieven niet wanneer dit nog niet nodig is. Gelet hierop en omdat een loonvordering pas na 5 jaar verjaart, zag eiser geen reden om de werkgever te sommeren de overuren over 2018 en 2019 te voldoen. Eiser had destijds nog geen gemachtigde en kon niet voorzien welke gevolgen het niet manen van zijn werkgever voor gevolgen zou kunnen hebben. Eiser vindt dat hij dubbel gestraft wordt nu hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geworden en ook nog eens een lagere uitkering krijgt omdat hij zijn werkgever niet heeft gemaand tot betaling van overuren.
3.4.
Eiser meent dat sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Juridisch kader
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
5.1.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV op goede gronden eisers maandloon (geïndexeerd) heeft vastgesteld op € 3.861,28.
5.2.
Het UWV heeft dat maandloon onder meer gebaseerd op een SV-loon over september 2018 van € 3.404,92 en over juli 2019 van € 3.448,41. De uitbetaling in 2020 van overuren over 2018 en 2019 heeft het UWV niet meegenomen in de dagloonberekening.
5.3.
Eiser is het daar niet mee eens. Zijn gronden met betrekking tot het SV-loon over september 2018 en juli 2019 heeft eiser ter zitting laten vervallen. Volgens eiser heeft het UWV echter ten onrechte zijn overuren over 2018 en 2019 ten bedrage van € 5.494,93 niet meegenomen in het dagloon.
5.4.
Op grond van artikelen 13 van de WIA en 15 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) wordt het dagloon berekend op basis van het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten. Het refertejaar is – kortgezegd – het jaar voorafgaande aan de ziekmelding. De werknemer wordt geacht het loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
Het tweede lid van artikel 15 van het Dagloonbesluit maakt een uitzondering op dit uitgangspunt, in die zin dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Het gaat hierbij om situaties waarin recht op loon bestaat, maar dat loon (nog) niet inbaar is omdat bij de werkgever de wil of het betalingsvermogen ontbreekt om het loon op verzoek van de werknemer uit te betalen.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat toepassing van dit besluitonderdeel slechts aangewezen is in situaties waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering niet tot betaling overgaat. Daarbij is voldoende dat een belanghebbende aantoont dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. Omdat het om een uitzondering gaat moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd.
5.5.
Eisers werkgever heeft zijn overuren over de periode van 1 september 2018 tot en met augustus 2019 uitbetaald in 2020, daarmee na het refertejaar.
De werkgever heeft aangegeven dat dat komt omdat eiser ziek was. Er was geen afspraak of een speciale reden maar het is gewoon zo gelopen.
Conclusie
6.1.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het UWV terecht de uitbetaling van eisers overuren over 2018 en 2019 niet heeft meegenomen in de vaststelling van zijn WIA-dagloon. Het beroep is daarom ongegrond.
6.2.
Als gevolg daarvan heeft eiser geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van
Mr. H.D. Sebel, griffier, op 6 februari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 13
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Artikel 13
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 15
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
2. Onder loon als bedoeld in artikel 14 wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in de referteperiode een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in de referteperiode opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.
bijvoorbeeld de uitspraak van 21 september 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2038)
Staatsblad 2013, 185, p 36
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2196 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. N.A.C. Versteden),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Regragui).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn dagloon op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Het UWV heeft het dagloon met het besluit van 22 juli 2021 vastgesteld. Met het bestreden besluit van 10 maart 2022 op het bezwaar van eiser is het UWV bij die vaststelling gebleven.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is als chef-kok werkzaam geweest. Voor die werkzaamheden is hij op
3 september 2019 uitgevallen.
Met het primaire besluit van 22 juli 2021 heeft het UWV aan eiser met ingang van
31 augustus 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een (geïndexeerd) maandloon van € 3.861,28. Het UWV is daarbij uitgegaan van een loon volgens de opgave van de (ex-)werkgever (hierna: werkgever) van € 44.553,80.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 10 maart 2022 heeft het UWV dit bezwaar gegrond verklaard. Het UWV kent aan eiser een IVA-uitkering toe. Het maandloon/dagloon is volgens het UWV wel juist vastgesteld.
Het UWV heeft de werkgever van eiser verzocht om uit te leggen waarom de overuren van 2018 en 2019 pas in 2020 uitbetaald zijn en uitleg te geven over de loonstroken van september 2018 en juli 2019. Volgens de werkgever was er geen afspraak of speciale reden om de overuren pas in 2020 uit te betalen. De werkgever kwam er pas in 2020 achter dat er nog overuren van 2018 en 2019 betaald moesten worden. Verder heeft de werkgever aangegeven dat de loonstroken van september 2018 en juli 2019 zijn gecorrigeerd en deze correctieloonstroken overgelegd, evenals de loonstaten over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019. De SV-lonen zoals vermeld op de loonstaten zijn hetzelfde als de SV-lonen die de werkgever bij de Belastingdienst heeft opgegeven. De door eiser overgelegde loonstroken van september 2018 en juli 2019 vindt het UWV onvoldoende om aan te nemen dat de opgave van de werkgever bij de Belastingdienst onjuist is.
Met betrekking tot de overuren stelt het UWV dat niet is gebleken dat de werkgever destijds niet in staat was om de overuren over 2018 en 2019 tijdig uit te betalen. Ook is niet gebleken dat eiser zijn werkgever destijds tijdig heeft gemaand of gesommeerd om de overuren over 2018 en 2019 uit te betalen. Hierdoor is geen sprake van niet-inbaar loon. Daarom neemt het UWV de overuren van 2018 en 2019 die zijn uitbetaald in 2020 niet mee in de dagloonberekening.
Beroep
3.1.
Eiser kan zich niet vinden in de dagloonberekening van het UWV. Volgens eiser is het UWV uitgegaan van een onjuist loon over september 2018 en juli 2019.
3.2.
Verder stelt eiser dat het UWV ten onrechte de uitbetaling van 240,9 overuren ten bedrage van € 5.494,93 niet heeft betrokken in de berekening van het dagloon. Uit informatie van de werkgever blijkt dat deze overuren betrekking hebben op de periode van
1 september 2018 tot en met augustus 2019. Deze overuren zijn als gevolg van ziekte van eiser later uitbetaald dan normaal. De overuren waren tijdens de referteperiode echter wel vorderbaar en opeisbaar.
3.3.
Volgens eiser was het bij zijn werkgever gebruikelijk dat de overuren pas aan het einde van het seizoen werden voldaan. De werkgever heeft ook aangegeven dat de overuren als gevolg van eisers ziekte pas later zijn uitbetaald. Eiser heeft een goede verstandhouding met zijn werkgever. Daarin past het zenden van sommatiebrieven niet wanneer dit nog niet nodig is. Gelet hierop en omdat een loonvordering pas na 5 jaar verjaart, zag eiser geen reden om de werkgever te sommeren de overuren over 2018 en 2019 te voldoen. Eiser had destijds nog geen gemachtigde en kon niet voorzien welke gevolgen het niet manen van zijn werkgever voor gevolgen zou kunnen hebben. Eiser vindt dat hij dubbel gestraft wordt nu hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geworden en ook nog eens een lagere uitkering krijgt omdat hij zijn werkgever niet heeft gemaand tot betaling van overuren.
3.4.
Eiser meent dat sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid en schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Juridisch kader
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
5.1.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV op goede gronden eisers maandloon (geïndexeerd) heeft vastgesteld op € 3.861,28.
5.2.
Het UWV heeft dat maandloon onder meer gebaseerd op een SV-loon over september 2018 van € 3.404,92 en over juli 2019 van € 3.448,41. De uitbetaling in 2020 van overuren over 2018 en 2019 heeft het UWV niet meegenomen in de dagloonberekening.
5.3.
Eiser is het daar niet mee eens. Zijn gronden met betrekking tot het SV-loon over september 2018 en juli 2019 heeft eiser ter zitting laten vervallen. Volgens eiser heeft het UWV echter ten onrechte zijn overuren over 2018 en 2019 ten bedrage van € 5.494,93 niet meegenomen in het dagloon.
5.4.
Op grond van artikelen 13 van de WIA en 15 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) wordt het dagloon berekend op basis van het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten. Het refertejaar is – kortgezegd – het jaar voorafgaande aan de ziekmelding. De werknemer wordt geacht het loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
Het tweede lid van artikel 15 van het Dagloonbesluit maakt een uitzondering op dit uitgangspunt, in die zin dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Het gaat hierbij om situaties waarin recht op loon bestaat, maar dat loon (nog) niet inbaar is omdat bij de werkgever de wil of het betalingsvermogen ontbreekt om het loon op verzoek van de werknemer uit te betalen.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat toepassing van dit besluitonderdeel slechts aangewezen is in situaties waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering niet tot betaling overgaat. Daarbij is voldoende dat een belanghebbende aantoont dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. Omdat het om een uitzondering gaat moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd.
5.5.
Eisers werkgever heeft zijn overuren over de periode van 1 september 2018 tot en met augustus 2019 uitbetaald in 2020, daarmee na het refertejaar.
De werkgever heeft aangegeven dat dat komt omdat eiser ziek was. Er was geen afspraak of een speciale reden maar het is gewoon zo gelopen.
Conclusie
6.1.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het UWV terecht de uitbetaling van eisers overuren over 2018 en 2019 niet heeft meegenomen in de vaststelling van zijn WIA-dagloon. Het beroep is daarom ongegrond.
6.2.
Als gevolg daarvan heeft eiser geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van
Mr. H.D. Sebel, griffier, op 6 februari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 13
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Artikel 13
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 15
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
2. Onder loon als bedoeld in artikel 14 wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in de referteperiode een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in de referteperiode opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.
bijvoorbeeld de uitspraak van 21 september 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2038)
Staatsblad 2013, 185, p 36