Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-21
ECLI:NL:RBROT:2026:4536
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,690 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4536 text/xml public 2026-05-19T10:04:40 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-21 ROT 24/8789 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4536 text/html public 2026-05-19T10:02:43 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4536 Rechtbank Rotterdam , 21-04-2026 / ROT 24/8789 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de berekening van zijn dagloon voor de aan hem toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). In geschil is of het loon dat eiser in het derde kwartaal van 2022 heeft ontvangen, betrekking heeft op en niet inbaar was in de binnen de referteperiode gelegen aangiftetijdvakken van het eerste en tweede kwartaal. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet gebleken is dat eiser zijn ex-werkgever tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand dat loon aan hem uit te keren. Het UWV heeft daarom terecht dat bedrag niet meegenomen in de dagloonberekening. De rechtbank is verder van oordeel dat in het onderhavige geval een strikte toepassing van artikel 12d van het Dagloonbesluit voor eiser niet onevenredig bezwarend is. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/8789 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: [persoon A] ), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV, (gemachtigde: [persoon B] ). Samenvatting In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de berekening van zijn dagloon voor de aan hem toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). In geschil is of het loon dat eiser in het derde kwartaal van 2022 heeft ontvangen, betrekking heeft op en niet inbaar was in de binnen de referteperiode gelegen aangiftetijdvakken van het eerste en tweede kwartaal. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet gebleken is dat eiser zijn ex-werkgever tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand dat loon aan hem uit te keren. Het UWV heeft daarom terecht dat bedrag niet meegenomen in de dagloonberekening. De rechtbank is verder van oordeel dat in het onderhavige geval een strikte toepassing van artikel 12d van het Dagloonbesluit voor eiser niet onevenredig bezwarend is. Het beroep is ongegrond. Procesverloop Met het besluit van 2 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiser een ZW-uitkering toegekend met een dagloon van € 104,11. Met een besluit van 21 december 2023 heeft het UWV het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Met de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 mei 2024 is dit besluit vernietigd en is het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. Met het besluit van 7 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser de gelegenheid te geven stukken bij het UWV aan te leveren die aantonen dat het uitbetaalde bedrag in het derde kwartaal van 2022 tevens niet inbaar was in de referteperiode. Eiser heeft op 17 oktober, 22 oktober en 23 oktober 2025 stukken ingediend. Het UWV heeft bij brief van 12 november 2025 gereageerd. Nadat geen van partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 1.1. In geschil is de wijze van berekening van het dagloon van de ZW-uitkering. Partijen zijn niet verdeeld over de gehanteerde referteperiode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022, maar over de vraag of het loon dat de ex-werkgever van eiser in het derde kwartaal van 2022 heeft betaald meegenomen moet worden in de dagloonberekening van de ZW. 1.2. Eiser voert aan dat het ontvangen loon in het derde kwartaal van 2022 een nabetaling was die betrekking heeft op het eerste en tweede kwartaal van 2022 en daarmee binnen de referteperiode dient te worden meegenomen bij het berekenen van de hoogte van het dagloon. Gelet op het beleid van de rijksoverheid, de mogelijkheid tot het gebruiken van discretionaire bevoegdheden door bestuursorganen en met het oog op de menselijke maat moet het UWV het bedrag meenemen in de dagloonreferentieperiode, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. 1.3. Het UWV handhaaft zijn standpunt in beroep en verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 juni 2024 , waarin de Raad opmerkt dat de besluitgever er welbewust voor gekozen heeft om de berekening van het dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. De enige uitzondering die de besluitgever voorzien heeft is het bepaalde in artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, waarbij volgens het UWV door eiser niet nader is onderbouwd dat die situatie zich voordoet. 2.1. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Eiser is op 29 augustus 2022 uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Op die dag is ook zijn arbeidsovereenkomst ontbonden. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de ZW en artikel 12b, eerste lid, van het Dagloonbesluit loopt de referteperiode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022. In september 2022 heeft eisers ex-werkgever een eindafrekening opgesteld. Deze bestaat voornamelijk uit een afrekening van min- en meeruren over de periode van april tot en met augustus 2022, vakantietoeslag, vakantieopbouw ORT-meeruren, en opgebouwde niet-genoten vakantie-uren. Deze eindafrekening is niet meegenomen in de dagloonberekening omdat alles is uitbetaald na de referteperiode en is opgenomen in de loonaangifte van september 2022. Op grond van artikel 12d, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. In vaste rechtspraak over dit artikel is geoordeeld dat deze toepassing van het Dagloonbesluit door de besluitgever is voorzien en dat deze er welbewust voor heeft gekozen om de berekening van dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. 2.2. Op grond van artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit wordt onder het loon echter ook begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar, maar niet tevens inbaar is geworden. Het gaat daarbij om situaties waarin recht op loon bestaat, maar dat loon (nog) niet inbaar is, omdat bij de werkgever de wil of het betalingsvermogen ontbreekt om het loon op verzoek van de werknemer uit te betalen. Het moet gaan om situaties waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering niet tot betaling overgaat. Daarbij is voldoende dat wordt aangetoond dat de werkgever op niet mis te verstane wijze is gemaand het vorderbare loon uit te keren. Omdat het om een uitzondering gaat, moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd. Uit de toelichting van 22 september 2022 van de ex-werkgever over de salarisspecificatie van september 2022 blijkt dat eiser weliswaar een vordering op zijn werkgever had vanwege niet betaalde (meer)uren voor werkzaamheden vanaf april 2022 in de referteperiode, maar niet dat hij aantoonbaar zijn ex-werkgever tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand dat loon aan hem uit te keren. 2.3.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4536 text/xml public 2026-05-19T10:04:40 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-21 ROT 24/8789 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4536 text/html public 2026-05-19T10:02:43 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4536 Rechtbank Rotterdam , 21-04-2026 / ROT 24/8789 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de berekening van zijn dagloon voor de aan hem toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). In geschil is of het loon dat eiser in het derde kwartaal van 2022 heeft ontvangen, betrekking heeft op en niet inbaar was in de binnen de referteperiode gelegen aangiftetijdvakken van het eerste en tweede kwartaal. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet gebleken is dat eiser zijn ex-werkgever tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand dat loon aan hem uit te keren. Het UWV heeft daarom terecht dat bedrag niet meegenomen in de dagloonberekening. De rechtbank is verder van oordeel dat in het onderhavige geval een strikte toepassing van artikel 12d van het Dagloonbesluit voor eiser niet onevenredig bezwarend is. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/8789 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: [persoon A] ), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV, (gemachtigde: [persoon B] ). Samenvatting In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de berekening van zijn dagloon voor de aan hem toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). In geschil is of het loon dat eiser in het derde kwartaal van 2022 heeft ontvangen, betrekking heeft op en niet inbaar was in de binnen de referteperiode gelegen aangiftetijdvakken van het eerste en tweede kwartaal. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet gebleken is dat eiser zijn ex-werkgever tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand dat loon aan hem uit te keren. Het UWV heeft daarom terecht dat bedrag niet meegenomen in de dagloonberekening. De rechtbank is verder van oordeel dat in het onderhavige geval een strikte toepassing van artikel 12d van het Dagloonbesluit voor eiser niet onevenredig bezwarend is. Het beroep is ongegrond. Procesverloop Met het besluit van 2 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiser een ZW-uitkering toegekend met een dagloon van € 104,11. Met een besluit van 21 december 2023 heeft het UWV het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Met de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 mei 2024 is dit besluit vernietigd en is het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. Met het besluit van 7 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser de gelegenheid te geven stukken bij het UWV aan te leveren die aantonen dat het uitbetaalde bedrag in het derde kwartaal van 2022 tevens niet inbaar was in de referteperiode. Eiser heeft op 17 oktober, 22 oktober en 23 oktober 2025 stukken ingediend. Het UWV heeft bij brief van 12 november 2025 gereageerd. Nadat geen van partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank 1.1. In geschil is de wijze van berekening van het dagloon van de ZW-uitkering. Partijen zijn niet verdeeld over de gehanteerde referteperiode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022, maar over de vraag of het loon dat de ex-werkgever van eiser in het derde kwartaal van 2022 heeft betaald meegenomen moet worden in de dagloonberekening van de ZW. 1.2. Eiser voert aan dat het ontvangen loon in het derde kwartaal van 2022 een nabetaling was die betrekking heeft op het eerste en tweede kwartaal van 2022 en daarmee binnen de referteperiode dient te worden meegenomen bij het berekenen van de hoogte van het dagloon. Gelet op het beleid van de rijksoverheid, de mogelijkheid tot het gebruiken van discretionaire bevoegdheden door bestuursorganen en met het oog op de menselijke maat moet het UWV het bedrag meenemen in de dagloonreferentieperiode, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. 1.3. Het UWV handhaaft zijn standpunt in beroep en verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 juni 2024 , waarin de Raad opmerkt dat de besluitgever er welbewust voor gekozen heeft om de berekening van het dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. De enige uitzondering die de besluitgever voorzien heeft is het bepaalde in artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, waarbij volgens het UWV door eiser niet nader is onderbouwd dat die situatie zich voordoet. 2.1. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Eiser is op 29 augustus 2022 uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Op die dag is ook zijn arbeidsovereenkomst ontbonden. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de ZW en artikel 12b, eerste lid, van het Dagloonbesluit loopt de referteperiode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022. In september 2022 heeft eisers ex-werkgever een eindafrekening opgesteld. Deze bestaat voornamelijk uit een afrekening van min- en meeruren over de periode van april tot en met augustus 2022, vakantietoeslag, vakantieopbouw ORT-meeruren, en opgebouwde niet-genoten vakantie-uren. Deze eindafrekening is niet meegenomen in de dagloonberekening omdat alles is uitbetaald na de referteperiode en is opgenomen in de loonaangifte van september 2022. Op grond van artikel 12d, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. In vaste rechtspraak over dit artikel is geoordeeld dat deze toepassing van het Dagloonbesluit door de besluitgever is voorzien en dat deze er welbewust voor heeft gekozen om de berekening van dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak. 2.2. Op grond van artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit wordt onder het loon echter ook begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar, maar niet tevens inbaar is geworden. Het gaat daarbij om situaties waarin recht op loon bestaat, maar dat loon (nog) niet inbaar is, omdat bij de werkgever de wil of het betalingsvermogen ontbreekt om het loon op verzoek van de werknemer uit te betalen. Het moet gaan om situaties waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering niet tot betaling overgaat. Daarbij is voldoende dat wordt aangetoond dat de werkgever op niet mis te verstane wijze is gemaand het vorderbare loon uit te keren. Omdat het om een uitzondering gaat, moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd. Uit de toelichting van 22 september 2022 van de ex-werkgever over de salarisspecificatie van september 2022 blijkt dat eiser weliswaar een vordering op zijn werkgever had vanwege niet betaalde (meer)uren voor werkzaamheden vanaf april 2022 in de referteperiode, maar niet dat hij aantoonbaar zijn ex-werkgever tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand dat loon aan hem uit te keren. 2.3.
Volledig
Ook uit de veelheid aan stukken die door eiser in oktober 2025 is ingezonden blijkt niet dat eiser in de referteperiode – en dus vóór 1 juli 2022 – zijn ex-werkgever heeft gemaand het achterstallige loon te betalen. Uit de stukken zou kunnen worden afgeleid dat eiser met een brief van 28 juli 2022 zijn ex-werkgever mogelijk heeft gemaand het achterstallige loon te betalen. Deze brief dateert echter van na de referteperiode. De dagvaarding in kort geding van 15 februari 2022 dateert wel van binnen de referteperiode, maar het primaire doel daarvan was het ongedaan maken van de loonstop en daarom heeft de daarmee samenhangende loonvordering (petitum onder II) slechts betrekking op wat de ex-werkgever tot aan de datum van het te wijzen vonnis aan eiser verschuldigd zou zijn; uit de brief van de werkgever van 30 maart 2022 leidt de rechtbank af dat op 22 maart 2022 vonnis is gewezen. Een klein deel van de in september 2022 afgerekende vakantie-uren/vakantietoeslag heeft mogelijk betrekking op de periode voor 22 maart 2022, maar nu deze in een eindafrekening plegen te worden afgerekend en de dagvaarding van 15 februari 2022 daar bovendien niet specifiek betrekking op heeft, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de ex-werkgever op niet mis te verstane wijze is gemaand die afrekening van vakantie-uren/vakantietoeslag al eerder te verrichten. Omdat ook overigens niet is gebleken dat eiser zijn ex-werkgever op niet mis te verstane wijze heeft gemaand in de referteperiode, wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit. 3. Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel kan evenmin slagen. Voor eiser is in elk loontijdvak in de referteperiode sv-loon verantwoord. Deze bedragen zijn meegenomen in de dagloonberekening. In de maand na eisers aangifte van ziekte en de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst is een reguliere eindafrekening gevolgd. Dit is een gebruikelijke gang van zaken en kan bij de totstandkoming van (thans) artikel 12d, eerste lid, van het Dagloonbesluit de besluitgever niet zijn ontgaan. Uit hetgeen eiser aanvoert volgt niet dat sprake is van zulke bijzondere omstandigheden dat de dagloonberekening voor eiser onredelijk bezwarend moet worden geacht. Wat eiser verder aanvoert, zoals over het beleid van de overheid, discretionaire bevoegdheden en de menselijke maat, kan niet tot een andere beoordeling leiden. Beleidsvoornemens geven vooralsnog geen afdwingbare rechten, een discretionaire bevoegdheid heeft het UWV in dezen nu juist niet en de menselijke maat ligt besloten in de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Ook eisers ongenoegen over de gehele gang van zaken bij zowel het UWV als zijn ex-werkgever kan niet tot een andere beoordeling leiden. 4. Het onderhavige beroep gaat niet over een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), dus een verzoek van eiser dat daarop betrekking heeft kan niet aan de orde komen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het verzoek van eiser om de hoogte van het dagloon voor de ZW-uitkering aan te passen ten behoeve van de hoogte van het dagloon voor een WIA-uitkering inhoudelijk niet zou kunnen slagen, nu de hoogte van het dagloon van de ZW anders wordt berekend dan de hoogte van het dagloon van de WIA. De ZW compenseert loonderving door arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk terwijl de WIA inkomensbescherming biedt bij ongeschiktheid voor arbeid in ruimere zin. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV het ZW-dagloon juist heeft vastgesteld. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. dr. P.G.J. van den Berg en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Met toepassing van de artikelen 8:64, vijfde lid en 8:57, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht. Uitspraak van de Raad van 19 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1243. Uitspraak van de Raad van 1 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2347, van 28 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:437 en van 19 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1243. Uitspraken van de Raad van 21 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2038 en van 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:567.
Volledig
Ook uit de veelheid aan stukken die door eiser in oktober 2025 is ingezonden blijkt niet dat eiser in de referteperiode – en dus vóór 1 juli 2022 – zijn ex-werkgever heeft gemaand het achterstallige loon te betalen. Uit de stukken zou kunnen worden afgeleid dat eiser met een brief van 28 juli 2022 zijn ex-werkgever mogelijk heeft gemaand het achterstallige loon te betalen. Deze brief dateert echter van na de referteperiode. De dagvaarding in kort geding van 15 februari 2022 dateert wel van binnen de referteperiode, maar het primaire doel daarvan was het ongedaan maken van de loonstop en daarom heeft de daarmee samenhangende loonvordering (petitum onder II) slechts betrekking op wat de ex-werkgever tot aan de datum van het te wijzen vonnis aan eiser verschuldigd zou zijn; uit de brief van de werkgever van 30 maart 2022 leidt de rechtbank af dat op 22 maart 2022 vonnis is gewezen. Een klein deel van de in september 2022 afgerekende vakantie-uren/vakantietoeslag heeft mogelijk betrekking op de periode voor 22 maart 2022, maar nu deze in een eindafrekening plegen te worden afgerekend en de dagvaarding van 15 februari 2022 daar bovendien niet specifiek betrekking op heeft, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de ex-werkgever op niet mis te verstane wijze is gemaand die afrekening van vakantie-uren/vakantietoeslag al eerder te verrichten. Omdat ook overigens niet is gebleken dat eiser zijn ex-werkgever op niet mis te verstane wijze heeft gemaand in de referteperiode, wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 12d, tweede lid, van het Dagloonbesluit. 3. Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel kan evenmin slagen. Voor eiser is in elk loontijdvak in de referteperiode sv-loon verantwoord. Deze bedragen zijn meegenomen in de dagloonberekening. In de maand na eisers aangifte van ziekte en de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst is een reguliere eindafrekening gevolgd. Dit is een gebruikelijke gang van zaken en kan bij de totstandkoming van (thans) artikel 12d, eerste lid, van het Dagloonbesluit de besluitgever niet zijn ontgaan. Uit hetgeen eiser aanvoert volgt niet dat sprake is van zulke bijzondere omstandigheden dat de dagloonberekening voor eiser onredelijk bezwarend moet worden geacht. Wat eiser verder aanvoert, zoals over het beleid van de overheid, discretionaire bevoegdheden en de menselijke maat, kan niet tot een andere beoordeling leiden. Beleidsvoornemens geven vooralsnog geen afdwingbare rechten, een discretionaire bevoegdheid heeft het UWV in dezen nu juist niet en de menselijke maat ligt besloten in de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Ook eisers ongenoegen over de gehele gang van zaken bij zowel het UWV als zijn ex-werkgever kan niet tot een andere beoordeling leiden. 4. Het onderhavige beroep gaat niet over een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), dus een verzoek van eiser dat daarop betrekking heeft kan niet aan de orde komen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het verzoek van eiser om de hoogte van het dagloon voor de ZW-uitkering aan te passen ten behoeve van de hoogte van het dagloon voor een WIA-uitkering inhoudelijk niet zou kunnen slagen, nu de hoogte van het dagloon van de ZW anders wordt berekend dan de hoogte van het dagloon van de WIA. De ZW compenseert loonderving door arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk terwijl de WIA inkomensbescherming biedt bij ongeschiktheid voor arbeid in ruimere zin. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV het ZW-dagloon juist heeft vastgesteld. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. dr. P.G.J. van den Berg en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Met toepassing van de artikelen 8:64, vijfde lid en 8:57, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht. Uitspraak van de Raad van 19 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1243. Uitspraak van de Raad van 1 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2347, van 28 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:437 en van 19 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1243. Uitspraken van de Raad van 21 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2038 en van 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:567.