Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:2337
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,541 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3535 WVW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.A. Platteeuw),
en
De directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 mei 2023 (bestreden besluit) inzake de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar.
1.1.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde. Voor het CBR was aanwezig de gemachtigde.
Beoordeling
2. Op 9 maart 2023 heeft het CBR besloten dat eiseres niet rijgeschikt is voor een personenauto, bestelauto, bepaalde driewielers, een aanhangwagen achter een auto en een T-rijbewijs.
2.1.
Eiseres heeft bij brief van 19 april 2023, ingekomen bij het CBR op 26 april 2023, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 maart 2023.
2.2.
Het CBR heeft het bezwaar bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar buiten de termijn is ingediend. Volgens het CBR is er geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding.
3. De rechtbank beoordeelt of het CBR het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. Eiseres voert aan dat het CBR het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het niet tijdig indienen daarvan. Zij voert daartoe allereerst aan dat zij op 9 maart 2023 een e-mail heeft gestuurd naar het CBR. Deze e-mail moet volgens eiseres worden aangemerkt als een bezwaarschrift en de brief van 19 april 2023 moet worden beschouwd als een aanvulling op de e-mail van 9 maart 2023.
4.1.
Het CBR stelt zich op het standpunt dat de e-mail die eiseres op 9 maart 2023 zou hebben verzonden, door het CBR nooit is ontvangen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de e-mail van 9 maart 2023 daadwerkelijk aan het CBR is verzonden. Uit het door haar overgelegde bericht blijkt niet naar welk e-mailadres de mail zou zijn verzonden. Eiseres heeft ook geen ontvangstbevestiging kunnen overleggen. Reeds hierom slaagt deze beroepsgrond van eiseres niet.
4.3.
Eiseres heeft verder gewezen op de veelvuldige telefonische contacten tussen haar en het CBR in de bezwaarperiode. Hieruit had het CBR moeten afleiden dat eiseres het niet eens was met het besluit van 9 maart 2023.
4.4.
Uit artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat alleen schriftelijk bezwaar kan worden gemaakt. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 9 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7239) is de schriftelijke weergave van mondeling kenbaar gemaakte bezwaren onder omstandigheden aan te merken als (voorlopig) bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de telefoonnotitie van 24 maart 2023 naar voren dat eiseres zich niet kon verenigen met het besluit van 9 maart 2023 en kan deze notitie als (voorlopig) bezwaarschrift worden aangemerkt.
4.5.
Dit betekent dat eiseres tijdig tegen het besluit van 9 maart 2023 bezwaar heeft gemaakt. Het CBR heeft het bezwaar tegen dit besluit ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank draagt het CBR op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het CBR het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding van de proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-. De reiskosten bedragen € 7,62 (op basis van openbaar vervoer). Het totaalbedrag is € 1757,62. Eiseres heeft de door haar gestelde verletkosten niet onderbouwd, zodat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het CBR op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het CBR de proceskosten tot een bedrag van € 1.757,62 aan eiseres moet vergoeden;
bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Jonkers, griffier, op 4 april 2024 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.