Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:14861
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,023 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4883
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A. Roozdar),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn naturalisatieverzoek.
1.2.
Met het besluit van 29 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder het naturalisatieverzoek van eiser afgewezen. Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het bestreden besluit van 29 maart 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
1.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan en het beroep ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde verzet is door de rechtbank gegrond verklaard.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Buyukasik als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Bij besluit van 29 juni 2023 heeft verweerder het naturalisatieverzoek van eiser afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 21 september 2023 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft geconstateerd dat de bezwaartermijn is overschreden en dat er geen sprake is van een reden die maakt dat de overschrijding verschoonbaar is. Verweerder heeft het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk verklaard.
Wat zijn de regels?
3. Het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Dit betekent dat uitsluitend schriftelijk bezwaar kan worden gemaakt.
3.1.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.2.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient is het bezwaar in beginsel niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser heeft het bezwaarschrift te laat ingediend en het te laat indienen is niet verschoonbaar. Dit betekent dat verweerder het bezwaar terecht het niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het bezwaarschrift tijdig ingediend?
6. Vaststaat dat het primaire besluit van 29 juni 2023 diezelfde dag aan eiser is toegezonden. De termijn van zes weken om bezwaar te maken tegen het besluit is dus verstreken op 11 augustus 2023. Eiser heeft zijn bezwaarschrift pas geruime tijd later ingediend, namelijk op 21 september 2023.
6.1.
Eiser stelt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt, omdat hij op 5 juli 2023 tijdens een telefoongesprek met een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zijn bezwaar al kenbaar heeft gemaakt. De medewerker heeft van dit telefoongesprek een notitie gemaakt. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waarin is overwogen dat de schriftelijke weergave van een klantcontact in sommige gevallen is aan te merken als een (voorlopig) bezwaarschrift.
6.2.
De rechtbank overweegt dat de CRvB in een latere uitspraak heeft verduidelijkt dat niet iedere schriftelijke weergave van een telefonisch contact aangemerkt kan worden als een voorlopig bezwaarschrift. Alleen in uitzonderlijke situaties kan hiervan sprake zijn. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor. Uit de telefoonnotitie van 5 juli 2023 volgt dat eiser niet begrijpt waarom hij niet kan naturaliseren, dat hij boos is en zijn geld terug wil. Ook stelt hij recht te hebben op een vrijstelling. In reactie daarop heeft de IND-medewerker hem uitgelegd waarom zijn naturalisatieverzoek is afgewezen en hem gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt verder dat hij de dag na het telefoongesprek het Juridisch Loket heeft bezocht. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij bij het Juridisch Loket heeft gevraagd hem door te verwijzen naar een advocaat die bezwaar voor hem kon maken binnen de gestelde termijn. Uit het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat eiser tijdens het telefoongesprek met verweerder heeft beoogd bezwaar te maken dan wel dat verweerder dit als zodanig moest opvatten. Nu het schriftelijk bezwaar van eiser na afloop van de bezwaartermijn is ontvangen, is het bezwaar te laat ingediend.
Is het te laat indienen verschoonbaar?
7. De termijnoverschrijding is volgens rechtspraak verschoonbaar wanneer deze de indiener vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden niet kan worden aangerekend, en het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Bij bijzondere omstandigheden kan het gaan om persoonlijke omstandigheden (bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte, ongeval van de indiener, ziekte of overlijden van iemands naasten) of externe omstandigheden. Bij de beoordeling van een beroep op bijzondere omstandigheden die de betrokkene treffen wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in hun samenhang worden bezien. Als er bijzondere omstandigheden zijn, moet de betrokkene minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen.
7.1.
Eiser betoogt dat de termijnoverschrijding hem niet kan worden toegerekend. Hij stelt dat hij geen rechtsbijstandsverlener kon vinden die namens hem bezwaar wilde maken. Gelet op de mentale klachten van eiser en de persoonlijke en sociale belemmeringen die hij daardoor ondervindt alsook het feit dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, kan hem redelijkerwijs niet worden toegerekend dat hij – bij gebrek aan een gemachtigde – zelf geen schriftelijk bezwaar heeft ingesteld.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden die eiser heeft aangevoerd niet tot de conclusie kunnen leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij wist dat hij zes weken de tijd had om bezwaar te maken tegen de afwijzing van zijn naturalisatieverzoek. Hij is daarom op zoek gegaan naar een advocaat die namens hem binnen de gestelde termijn een bezwaarschrift kon indienen. Hiervoor heeft hij contact opgenomen met het Juridisch Loket. Uit de door eiser overgelegde klanthistorie van het Juridisch Loket blijkt dat er in de periode van 6 juli 2023 tot en met 9 augustus 2023 meermalen contact was met eiser. Het is eiser in die periode niet gelukt om een rechtsbijstandverlener te vinden die bereid was om hem te helpen. De rechtbank overweegt in dit verband dat het feit dat eiser de Nederlandse taal niet machtig is en niet op tijd een rechtsbijstandsverlener kon vinden, omstandigheden zijn die in beginsel voor rekening en risico van eiser komen.
7.3.
Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat hij kampt met psychische problematiek, waaronder PTSS. In aanvulling daarop heeft eiser op de zitting verklaard veel last te hebben van de traumatische gebeurtenissen uit zijn verleden en veel stress te ervaren rondom zijn naturalisatieprocedure(s). Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit impact heeft op het leven van eiser, is niet gebleken hoe zijn mentale klachten concreet van invloed zijn (geweest) op zijn dagelijks functioneren en hem ervan hebben weerhouden om zelf (voorlopig) bezwaar in te stellen dan wel tijdig een rechtsbijstandverlener te vinden. Eiser heeft dit desgevraagd op zitting ook niet kunnen toelichten. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat eiser wel in staat was om contact op te nemen met de IND, het Juridisch Loket en met verschillende rechtsbijstandsverleners. De rechtbank kan onder deze omstandigheden niet vaststellen dat het vermogen van eiser om zijn belangen adequaat te behartigen zodanig beperkt was dat niet van hem kon worden verwacht zelf of met behulp van een derde bezwaar in te stellen.
7.4.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder het te laat indienen van het bezwaar niet verschoonbaar heeft hoeven vinden.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.D. Timmermans, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 juli 2024 (niet gepubliceerd).
Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19448.
Dit volgt uit artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Uitspraak van de CRvB van 9 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7239.
Uitspraak van de CRvB van 25 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2013:2196.
Uitspraak het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Daarna is er geen contact meer geweest, maar heeft eiser op 20 september 2023 nog wel geprobeerd het Juridisch Loket telefonisch te bereiken.
Artikel 7:13, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 7:3, onder a, van die wet.