Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-22
ECLI:NL:RBZWB:2023:9091
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,842 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/10269
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de minister voor Natuur en Stikstof.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 21 juli 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:5177). In die uitspraak staat dat de minister binnen tien weken opnieuw moet beslissen op de aanvraag van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat de minister dat volgens hem niet heeft gedaan.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is, in een geval als het onderhavige, waarin de bestuursrechter een termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit, niet vereist dat nog een ingebrekestelling wordt gestuurd voordat beroep wordt ingesteld.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat de bij uitspraak van 21 juli 2023 (verzonden op 24 juli 2023) opgedragen termijn om een beslissing te nemen eindigde op 2 oktober 2023 en dat vanaf 3 oktober 2023 de termijn van de rechterlijke dwangsom is gaan lopen. Op 15 oktober 2023 heeft eiser nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister. De maximale rechterlijke dwangsom was op die datum nog niet volgelopen.
3.2.
Ondanks dat de in de uitspraak van 21 juli 2023 opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd ten tijde van het instellen van dit beroep, blijft bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is.
3.3.
Nu de minister niet binnen de door de rechter gestelde termijn opnieuw een besluit heeft genomen op het Woo-verzoek van eiser, is het beroep kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
4. Omdat de minister nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
4.1.
De minister erkent in zijn verweerschrift van 9 november 2023 dat de belsistermijn is overschreden. De minister geeft als reden van de overschrijding aan dat het Woo-verzoek ziet op alle correspondentie over stikstof met de EU vanaf 2022 tot heden. Het is een actueel onderwerp met een grote maatschappelijke betrokkenheid, waarbij zorgvuldige afhandeling van groot belang is. De minister verwacht rond eind januari 2024 het besluit te kunnen nemen. De minister benadrukt dat dit een inschatting is, omdat het internationaal opvragen van zienswijzen meer tijd in beslag neemt dan de gewone zienswijzeronde.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Ondanks dat hier sprake is van een opvolgend beroep niet tijdig beslissen acht de rechtbank in dit geval een langere termijn dan twee weken aangewezen gelet op de omvang van het verzoek en de internationaal op te vragen zienswijzen. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat de minister tot uiterlijk 31 januari 2024 de tijd krijgt het besluit te nemen en bekend te maken.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-. Hierbij merkt de rechtbank het volgende op. De bij uitspraak van 21 juli 2023 opgelegde dwangsom is ook op het moment van deze uitspraak nog niet volledig verbeurd. Die dwangsom loopt vanaf 3 oktober 2023 tot en met uiterlijk 29 februari 2024 (maximaal 150 dagen). Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat de minister de verhoogde dwangsom van € 250,- per dag pas vanaf 1 maart 2024 verschuldigd is, indien de minister voor die tijd niet op het verzoek van eiser heeft beslist. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze verhoogde dwangsom al eerder – zoals door eiser verzoekt – in te laten gaan.
Conclusie
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op uiterlijk 31 januari 2024 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister vanaf 1 maart 2024 aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 22 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2019:673, ECLI:NL:RVS:2020:3156.
ECLI:NL:RVS:2022:1683.