Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:984
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,872 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26812 V
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2025 op het verzet van
[opposant] , opposant
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
tevens is in deze procedure betrokken:
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, hierna: geopposeerde, (gemachtigde: mr. Y. Verheugd).
Procesverloop
1. In deze uitspraak oordeelt de verzetsrechter over het verzet van opposant, gericht tegen de uitspraak van deze rechtbank van 1 oktober 2024 (bestreden uitspraak).
1.1
Bij uitspraak (NL24.10786) van deze rechtbank van 29 mei 2024 is het eerste beroep wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser gegrond verklaard en is verweerder opgedragen om binnen twee weken op de asielaanvraag te beslissen. Daarbij is een dwangsom opgelegd.
1.2
Bij uitspraak van 1 oktober 2024 (NL24.26812, bestreden uitspraak) is het tweede beroep wegens niet tijdig beslissen - met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Hiertegen heeft opposant verzet gedaan.
1.4
Geopposeerde heeft een schriftelijke reactie uitgebracht op dit verzet.
1.5
De rechtbank heeft het verzet op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van geopposeerde.
1.6
Het onderzoek is ter zitting gesloten en de rechtbank heeft op grond van art 8:67 van de Awb aanleiding gezien om onmiddellijk mondeling uitspraak te doen op het verzet.
Gronden van de beslissing
Wat heeft de rechtbank eerder geoordeeld in de bestreden uitspraak?
2. Bij de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het opvolgende beroep niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk geacht, omdat de maximale dwangsom van het eerste beroep niet tijdig nog niet was volgelopen. Ter onderbouwing van dit oordeel is verwezen naar het beleid van de rechtbank.
Wat zijn de gronden van verzet?
3. Opposant betoogt dat zolang er niet alsnog een nieuw besluit is genomen, procesbelang bestaat bij een beroep niet tijdig beslissen. Het nog niet volledig ‘volgelopen’ zijn van de maximale dwangsom staat daarin niet in de weg. Opposant wijst daarbij op jurisprudentie en op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 31 december 2024.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het verzet?
4. Het beroep niet tijdig beslissen is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard bij de bestreden uitspraak van 1 oktober 2024. Het verzet is gegrond.
5. Ten tijde van de bestreden uitspraak was nog geen inhoudelijk besluit op de asielaanvraag genomen en was de door de rechtbank gegeven beslistermijn van twee weken van de uitspraak van 29 mei 2024 overschreden. Op dit moment is nog steeds geen besluit genomen. Gelet hierop had en heeft eiser procesbelang. Eiser wordt hierin gevolgd, onder verwijzing naar de genoemde jurisprudentie en de uitspraak van deze rechtbank van 31 december 2024.
6. De rechtbank heeft dit in de bestreden uitspraak miskend en daarom stond het eindoordeel over het beroep niet tijdig beslissen niet buiten redelijke twijfel en was daarmee niet kennelijk. Hieraan kan niet afdoen dat verweerder zich hierin niet kan vinden en inmiddels hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 31 december 2024.
7. Het verzet is daarom gegrond. Dat betekent dat de bestreden uitspraak van 1 oktober 2024 vervalt. De rechtbank zal daarom opnieuw oordelen over het beroep niet tijdig beslissen van 1 juli 2024.
8. Op de zitting van 8 januari 2025 heeft de rechtbank - op grond van artikel 8:55, tiende lid en sub b van de Awb - partijen meteen gehoord over de inhoud van het beroep niet tijdig beslissen. Het onderzoek daarin is vervolgens gesloten. De rechtbank zal hierover oordelen bij aparte schriftelijke uitspraak.
9. Er bestaat aanleiding om geopposeerde in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt dit bedrag voor het verzet vast op € 907,- (0,5 punt voor het verzetschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 907,-, wegingsfactor 1). Geopposeerde dient dit bedrag aan de gemachtigde van opposant te betalen.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt geopposeerde in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is op de zitting van 8 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Dit proces-verbaal is ondertekend en verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak op het verzet is geen hoger beroep mogelijk.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1683 en de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 26 april 2024, zaaknummer NL24.7258, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Zie de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 31 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22227.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26812 V
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2025 op het verzet van
[opposant] , opposant
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
tevens is in deze procedure betrokken:
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, hierna: geopposeerde, (gemachtigde: mr. Y. Verheugd).
Procesverloop
1. In deze uitspraak oordeelt de verzetsrechter over het verzet van opposant, gericht tegen de uitspraak van deze rechtbank van 1 oktober 2024 (bestreden uitspraak).
1.1
Bij uitspraak (NL24.10786) van deze rechtbank van 29 mei 2024 is het eerste beroep wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser gegrond verklaard en is verweerder opgedragen om binnen twee weken op de asielaanvraag te beslissen. Daarbij is een dwangsom opgelegd.
1.2
Bij uitspraak van 1 oktober 2024 (NL24.26812, bestreden uitspraak) is het tweede beroep wegens niet tijdig beslissen - met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Hiertegen heeft opposant verzet gedaan.
1.4
Geopposeerde heeft een schriftelijke reactie uitgebracht op dit verzet.
1.5
De rechtbank heeft het verzet op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van geopposeerde.
1.6
Het onderzoek is ter zitting gesloten en de rechtbank heeft op grond van art 8:67 van de Awb aanleiding gezien om onmiddellijk mondeling uitspraak te doen op het verzet.
Gronden van de beslissing
Wat heeft de rechtbank eerder geoordeeld in de bestreden uitspraak?
2. Bij de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het opvolgende beroep niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk geacht, omdat de maximale dwangsom van het eerste beroep niet tijdig nog niet was volgelopen. Ter onderbouwing van dit oordeel is verwezen naar het beleid van de rechtbank.
Wat zijn de gronden van verzet?
3. Opposant betoogt dat zolang er niet alsnog een nieuw besluit is genomen, procesbelang bestaat bij een beroep niet tijdig beslissen. Het nog niet volledig ‘volgelopen’ zijn van de maximale dwangsom staat daarin niet in de weg. Opposant wijst daarbij op jurisprudentie en op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 31 december 2024.
Wat is het oordeel van de rechtbank over het verzet?
4. Het beroep niet tijdig beslissen is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard bij de bestreden uitspraak van 1 oktober 2024. Het verzet is gegrond.
5. Ten tijde van de bestreden uitspraak was nog geen inhoudelijk besluit op de asielaanvraag genomen en was de door de rechtbank gegeven beslistermijn van twee weken van de uitspraak van 29 mei 2024 overschreden. Op dit moment is nog steeds geen besluit genomen. Gelet hierop had en heeft eiser procesbelang. Eiser wordt hierin gevolgd, onder verwijzing naar de genoemde jurisprudentie en de uitspraak van deze rechtbank van 31 december 2024.
6. De rechtbank heeft dit in de bestreden uitspraak miskend en daarom stond het eindoordeel over het beroep niet tijdig beslissen niet buiten redelijke twijfel en was daarmee niet kennelijk. Hieraan kan niet afdoen dat verweerder zich hierin niet kan vinden en inmiddels hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 31 december 2024.
7. Het verzet is daarom gegrond. Dat betekent dat de bestreden uitspraak van 1 oktober 2024 vervalt. De rechtbank zal daarom opnieuw oordelen over het beroep niet tijdig beslissen van 1 juli 2024.
8. Op de zitting van 8 januari 2025 heeft de rechtbank - op grond van artikel 8:55, tiende lid en sub b van de Awb - partijen meteen gehoord over de inhoud van het beroep niet tijdig beslissen. Het onderzoek daarin is vervolgens gesloten. De rechtbank zal hierover oordelen bij aparte schriftelijke uitspraak.
9. Er bestaat aanleiding om geopposeerde in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt dit bedrag voor het verzet vast op € 907,- (0,5 punt voor het verzetschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 907,-, wegingsfactor 1). Geopposeerde dient dit bedrag aan de gemachtigde van opposant te betalen.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt geopposeerde in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is op de zitting van 8 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Dit proces-verbaal is ondertekend en verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak op het verzet is geen hoger beroep mogelijk.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1683 en de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 26 april 2024, zaaknummer NL24.7258, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Zie de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 31 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22227.