Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-05
ECLI:NL:RBZWB:2023:6217
Strafrecht
Raadkamer
1,784 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
hierna te noemen: klager.
Klager heeft in deze zaak woonplaats gekozen ten kantore van mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, op het adres Parkstraat 10, 4818 SJ Breda.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 27 maart 2023 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het Audi, type A4 Avant, kleur grijs, en voorzien van het [kenteken] (hierna: Audi);
het klaagschrift, ingediend op 28 maart 2023 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
het verweerschrift van de officier van justitie; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 22 augustus 2023. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. E.E. de Feijter, klager en waarnemend raadsvrouw mr. S. van Minderhout als raadsvrouw van klager.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klager. Klager stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen Audi en overlegt daartoe bankafschriften. Het belang van strafvordering verzet zich dan ook niet tegen teruggave. Klager wordt door het voortduren van het beslag bezwaard. In raadkamer heeft de raadsvrouw aangevoerd dat na drie maanden nog steeds geen duidelijkheid is gegeven over de inbeslagname. Een dergelijk tijdsverloop is in strijd met de proportionaliteit en subsidiariteit. De raadsvrouw verwijst daarbij naar een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:2023:81). Tot slot voert de raadsvrouw aan dat de Audi aan waarde verliest door het voortduren van het beslag.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven. Daartoe overweegt zij dat de overlegde bankafschriften niets zeggen over de aanschaf van het voertuig. Bovendien is het onaannemelijk dat klager ten tijde van de aanschaf beschikte over het geldbedrag waarmee het voertuig is aangeschaft. In raadkamer heeft de officier van justitie benadrukt dat de Audi pas een jaar na opname van contante geldbedragen van de bankrekening van klager is aangekocht. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat het voertuig met dat geld is aangekocht.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379).
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een fors tijdsverloop tussen de opnames van de geldbedragen en de aanschaf van de Audi. Gelet op dit tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat er geen directe link bestaat tussen de Audi en het geld waarmee de Audi volgens klager zou zijn aangeschaft. Verder maakt de verklaring van klager niet dat op dit moment al vastgesteld kan worden dat er evident geen sprake is van witwassen. De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de Audi en dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de Audi verbeurd zal verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de huidige duur van het beslag geen aanleiding om te oordelen dat het voortduren van het beslag disproportioneel zou zijn. In het kader van de subsidiariteit is vooralsnog niet gebleken dat de officier van justitie niet openstaat voor een aanbod tot het stellen van zekerheid. Ook de subsidiariteit staat daarmee niet in de weg aan het voortduren van het beslag. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond.
Dictum
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 5 september 2023 gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 september 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).