Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-18
ECLI:NL:RBZWB:2023:5872
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,740 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4502 WABOA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
( [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college.
Inleiding
1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek op tegemoetkoming in planschade.
1.1
Met het bestreden besluit van 10 augustus 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college [naam 1] en [naam 2] . [naam 3] is verschenen als getuige.
Beoordeling
2 De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in planschade. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
Eiser heeft op 26 oktober 2020 een verzoek voor tegemoetkoming in planschade ingediend voor een geschatte waardevermindering van € 58.000,- van zijn perceel wegens de in afwijking van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een hoveniers/bestratingsbedrijf en de bouw van een schuur aan de [adres] te [plaats] .
Naar aanleiding van dit verzoek heeft het college aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) advies gevraagd. Op 11 november 2021 heeft SAOZ een conceptadvies aan partijen toegestuurd. SAOZ heeft geconcludeerd dat de tegemoetkoming in planschade vastgesteld moet worden op nihil. Op dit conceptadvies heeft eiser en het college schriftelijk gereageerd. Bij het definitieve advies van december 2021 heeft SAOZ haar conclusie gehandhaafd.
Met het besluit van 16 december 2021 heeft het college het advies van SAOZ overgenomen en het verzoek om tegemoetkoming in planschade afgewezen.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 22 januari 2022.
De Advies commissie bezwaarschriften Veere (hierna: commissie) heeft op 17 mei 2022 geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
5 Hoorplicht
5.1
Eiser heeft betoogd dat hij ten onrechte niet is gehoord. Eiser heeft verzocht om niet in het bijzijn van [naam 4] van [bedrijf] te worden gehoord. Dit verzoek is gehonoreerd, maar hiervan is eiser niet op de hoogste gesteld. Hierdoor is hij niet naar de hoorzitting gekomen en is hij niet gehoord. De commissie had geen advies moeten uitbrengen, voordat ze eiser alsnog hadden gehoord.
5.2
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) stelt het bestuursorgaan, voordat op hij op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
5.3
Op grond van artikel 7:6, tweede lid, van de Awb kunnen belanghebbende ambtshalve of op verzoek afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling kan belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden.
5.4
De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Het college heeft eiser een uitnodiging verzonden voor de hoorzitting en eiser heeft deze ook ontvangen. Eiser heeft verzocht om afzonderlijk gehoord te worden. Het college heeft dit verzoek gehonoreerd. Weliswaar heeft het college dit niet aan eiser kenbaar gemaakt en is eiser hierdoor niet op de hoorzitting verschenen, maar dit maakt niet dat het college de hoorplicht heeft geschonden. Eiser heeft zelf de overweging gemaakt om niet op de hoorzitting te verschijnen.
6 Benoeming SAOZ
6.1
Eiser is van mening dat hem ten onrechte niet is medegedeeld dat hij SAOZ kon wraken. Daarnaast is onduidelijk waarom voorheen een andere adviseur is benoemd, maar later toch is gekozen om SAOZ aan te stellen als adviseur.
6.2
Op grond van artikel 9 van de Procedureverordening tegemoetkoming in (plan)schade gemeente Veere 2013 (hierna: Procedureverordening) stelt het bestuursorgaan, voordat de opdracht tot advisering verstrekt, de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,tweede en derde lid van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van een adviseur of adviseurs. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen.
6.3
Het college heeft ter zitting gemotiveerd dat voorheen een andere adviseur was aangesteld, maar dat wegens financiële redenen de opdrachtverstrekking niet is doorgezet. Om die reden heeft het college hierna de SAOZ benoemd.
6.4
De rechtbank is van oordeel dat het college SAOZ kon benoemen als adviseur en eiser de mogelijkheid had om SAOZ te wraken. Het college heeft aan eiser kenbaar gemaakt dat SAOZ is benoemd. Het college heeft daarbij niet benoemd dat eiser de mogelijkheid had om SAOZ te wraken. Daartoe is het college niet verplicht op grond van de Procedureverordening. Het stond eiser vrij om een verzoek tot wraking in te dienen, maar dit heeft eiser niet gedaan. Niet is gebleken dat eiser bezwaren had tegen de benoeming van SAOZ.
7 Normaal maatschappelijk risico
7.1
Eiser is van mening dat ten onrechte met een hogere aftrek dan 2% is gerekend. Daarnaast heeft de SAOZ ten onrechte het taxatierapport van 14 augustus 2013 niet meegenomen in het advies. Bovendien lag de normaal maatschappelijke ontwikkeling niet gedeeltelijk in lijn der verwachtingen.
7.2
De bestuursrechter kan een taxatie slechts terughoudend toetsen. De maatstaf bij de rechterlijke toetsing is niet de eigen waardering door de rechter van de nadelen van de planologische wijziging, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat het bestuursorgaan, gelet op de motivering van het advies van de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige, zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dat deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Dit laat uiteraard onverlet dat de besluitvorming dient te voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan moet toetsen.
7.3
Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan, indien uit een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en het college mag in beginsel dan ook op een door SAOZ uitgebracht advies afgaan.
7.4
Op grond van artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade in ieder geval voor rekening van de aanvrager.
7.5
Bij de vaststelling van het normaal maatschappelijk risico dienen alle relevante omstandigheden van het geval te worden betrokken. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden. Het gaat erom dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past.
7.6
SAOZ heeft in het advies gesteld dat de waardevermindering het forfaitaire minimale normale maatschappelijke risico overstijgt, waardoor de aftrek dient te worden beoordeeld op basis van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro. Artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, bepaalt dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft.
Conclusie
8 Het beroep is ongegrond.. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 18 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Artikel 7:6 van de Awb
1. Belanghebbenden worden in elkaar aanwezigheid gehoord.
2. Ambtshalve of op verzoek kunnen belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten en omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden.
[…]
Wet ruimtelijke ordening (Wro)
Artikel 6.1, eerste lid, van de Wro
Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensverderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Artikel 6.2 van de Wro
1. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.
2. In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:
a. van schade in de vorm van een inkomensderving: een gedeelte gelijk aan twee procent van het inkomen onmiddellijk voor het ontstaan van de schade;
b. van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:
1. van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of
2. van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.
Artikel 6.3 van de Wro
Met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade betrekken burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval:
a. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak;
b. de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken.
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1338.
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.
ABRvS 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7718.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4502 WABOA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
( [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college.
Inleiding
1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek op tegemoetkoming in planschade.
1.1
Met het bestreden besluit van 10 augustus 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college [naam 1] en [naam 2] . [naam 3] is verschenen als getuige.
Beoordeling
2 De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in planschade. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
Eiser heeft op 26 oktober 2020 een verzoek voor tegemoetkoming in planschade ingediend voor een geschatte waardevermindering van € 58.000,- van zijn perceel wegens de in afwijking van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een hoveniers/bestratingsbedrijf en de bouw van een schuur aan de [adres] te [plaats] .
Naar aanleiding van dit verzoek heeft het college aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) advies gevraagd. Op 11 november 2021 heeft SAOZ een conceptadvies aan partijen toegestuurd. SAOZ heeft geconcludeerd dat de tegemoetkoming in planschade vastgesteld moet worden op nihil. Op dit conceptadvies heeft eiser en het college schriftelijk gereageerd. Bij het definitieve advies van december 2021 heeft SAOZ haar conclusie gehandhaafd.
Met het besluit van 16 december 2021 heeft het college het advies van SAOZ overgenomen en het verzoek om tegemoetkoming in planschade afgewezen.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 22 januari 2022.
De Advies commissie bezwaarschriften Veere (hierna: commissie) heeft op 17 mei 2022 geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
5 Hoorplicht
5.1
Eiser heeft betoogd dat hij ten onrechte niet is gehoord. Eiser heeft verzocht om niet in het bijzijn van [naam 4] van [bedrijf] te worden gehoord. Dit verzoek is gehonoreerd, maar hiervan is eiser niet op de hoogste gesteld. Hierdoor is hij niet naar de hoorzitting gekomen en is hij niet gehoord. De commissie had geen advies moeten uitbrengen, voordat ze eiser alsnog hadden gehoord.
5.2
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) stelt het bestuursorgaan, voordat op hij op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
5.3
Op grond van artikel 7:6, tweede lid, van de Awb kunnen belanghebbende ambtshalve of op verzoek afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling kan belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden.
5.4
De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Het college heeft eiser een uitnodiging verzonden voor de hoorzitting en eiser heeft deze ook ontvangen. Eiser heeft verzocht om afzonderlijk gehoord te worden. Het college heeft dit verzoek gehonoreerd. Weliswaar heeft het college dit niet aan eiser kenbaar gemaakt en is eiser hierdoor niet op de hoorzitting verschenen, maar dit maakt niet dat het college de hoorplicht heeft geschonden. Eiser heeft zelf de overweging gemaakt om niet op de hoorzitting te verschijnen.
6 Benoeming SAOZ
6.1
Eiser is van mening dat hem ten onrechte niet is medegedeeld dat hij SAOZ kon wraken. Daarnaast is onduidelijk waarom voorheen een andere adviseur is benoemd, maar later toch is gekozen om SAOZ aan te stellen als adviseur.
6.2
Op grond van artikel 9 van de Procedureverordening tegemoetkoming in (plan)schade gemeente Veere 2013 (hierna: Procedureverordening) stelt het bestuursorgaan, voordat de opdracht tot advisering verstrekt, de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,tweede en derde lid van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van een adviseur of adviseurs. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen.
6.3
Het college heeft ter zitting gemotiveerd dat voorheen een andere adviseur was aangesteld, maar dat wegens financiële redenen de opdrachtverstrekking niet is doorgezet. Om die reden heeft het college hierna de SAOZ benoemd.
6.4
De rechtbank is van oordeel dat het college SAOZ kon benoemen als adviseur en eiser de mogelijkheid had om SAOZ te wraken. Het college heeft aan eiser kenbaar gemaakt dat SAOZ is benoemd. Het college heeft daarbij niet benoemd dat eiser de mogelijkheid had om SAOZ te wraken. Daartoe is het college niet verplicht op grond van de Procedureverordening. Het stond eiser vrij om een verzoek tot wraking in te dienen, maar dit heeft eiser niet gedaan. Niet is gebleken dat eiser bezwaren had tegen de benoeming van SAOZ.
7 Normaal maatschappelijk risico
7.1
Eiser is van mening dat ten onrechte met een hogere aftrek dan 2% is gerekend. Daarnaast heeft de SAOZ ten onrechte het taxatierapport van 14 augustus 2013 niet meegenomen in het advies. Bovendien lag de normaal maatschappelijke ontwikkeling niet gedeeltelijk in lijn der verwachtingen.
7.2
De bestuursrechter kan een taxatie slechts terughoudend toetsen. De maatstaf bij de rechterlijke toetsing is niet de eigen waardering door de rechter van de nadelen van de planologische wijziging, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat het bestuursorgaan, gelet op de motivering van het advies van de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige, zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dat deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Dit laat uiteraard onverlet dat de besluitvorming dient te voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan moet toetsen.
7.3
Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan, indien uit een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en het college mag in beginsel dan ook op een door SAOZ uitgebracht advies afgaan.
7.4
Op grond van artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade in ieder geval voor rekening van de aanvrager.
7.5
Bij de vaststelling van het normaal maatschappelijk risico dienen alle relevante omstandigheden van het geval te worden betrokken. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden. Het gaat erom dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past.
7.6
SAOZ heeft in het advies gesteld dat de waardevermindering het forfaitaire minimale normale maatschappelijke risico overstijgt, waardoor de aftrek dient te worden beoordeeld op basis van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro. Artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, bepaalt dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft.
Conclusie
8 Het beroep is ongegrond.. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 18 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Artikel 7:6 van de Awb
1. Belanghebbenden worden in elkaar aanwezigheid gehoord.
2. Ambtshalve of op verzoek kunnen belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten en omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden.
[…]
Wet ruimtelijke ordening (Wro)
Artikel 6.1, eerste lid, van de Wro
Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensverderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Artikel 6.2 van de Wro
1. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.
2. In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:
a. van schade in de vorm van een inkomensderving: een gedeelte gelijk aan twee procent van het inkomen onmiddellijk voor het ontstaan van de schade;
b. van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:
1. van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of
2. van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.
Artikel 6.3 van de Wro
Met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade betrekken burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval:
a. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak;
b. de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken.
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1338.
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.
ABRvS 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7718.