Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-23
ECLI:NL:RBZWB:2023:4361
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,226 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/5956 en 22/5957
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 november 2022tegen de beschikking geen teruggaaf over 2018 en 2019. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de als bezwaar aangemerkte suppleties niet tijdig waren ingediend.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond. Voor zover wordt opgekomen tegen ambtshalve door de inspecteur genomen beslissingen is de rechtbank kennelijk onbevoegd.
Toetsingskader
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de voldoening op aangifte of de dagtekening van de voor bezwaar vatbare teruggaafbeschikking. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.
2.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
3. Vast staat dat ten aanzien van de periode waarvoor de suppleties zijn ingediend de laatste voldoening op aangifte op 1 februari 2020 moest plaatsvinden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het laatste tijdvak gelegen in de jaren 2018 en 2019 eindigde dus op 15 maart 2020.
3.1.
Belanghebbende heeft op 24 maart 2021 suppleties ingediend. Deze suppleties zijn door de inspecteur als bezwaren tegen de verschillende voldoeningen op aangiften dan wel teruggaafbeschikkingen met betrekking tot de tijdvakken 2018 en 2019 aangemerkt. Deze bezwaren zijn dus niet tijdig ingediend.
Zijn de suppletieaangiften terecht aangemerkt als bezwaar?
4. De inspecteur heeft de suppleties aangemerkt als bezwaar tegen de voldoeningen op aangiften dan wel teruggaafbeschikkingen over de in 2018 en 2019 gelegen tijdvakken. Voor zover belanghebbende betwist dat ingediende suppleties aangemerkt hadden moeten worden als bezwaarschrift verwijst de rechtbank naar de parlementaire toelichting waarin de volgende (relevante) passages staan:
“Vanuit het oogpunt dat het de belastingplichtige niet moeilijk gemaakt moet worden om zijn belastingschuld correct vast te (laten) stellen, biedt de Belastingdienst een digitaal formulier suppletie aan waarmee de belastingplichtige de onjuistheid van de aangifte(n) kan melden. De suppletie is juridisch gezien geen aangifte en ontbeert elke wettelijke grondslag. De Belastingdienst merkt deze suppleties aan als een verzoek om het opleggen van een naheffingsaanslag of als een (meestal te laat) bezwaar tegen de eigen aangifte.
(…)
Voor degenen die thans suppleren verandert er weinig. Het formaliseren vindt namelijk op dezelfde wijze plaats als nu: via een naheffingsaanslag of een ambtshalve teruggaaf. Daarbij wordt het verzoek behandeld als een (te laat) ingediend bezwaarschrift tegen de eigen aangifte.”
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de suppleties terecht als bezwaarschriften in behandeling heeft genomen. Voor de indiening van bezwaarschriften geldt de termijn zoals hiervoor uiteengezet. De toepassing van die termijn op dit geval houdt in dat belanghebbende niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Anders dan belanghebbende lijkt te veronderstellen, geldt voor het indienen van een bezwaar door middel van een suppletie geen andere termijn dan de termijnen die hiervoor zijn weergegeven. De vijfjaarstermijn waar belanghebbende naar verwijst houdt (mogelijk) verband met de verplichting van artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Die verplichting en de bijbehorende voorschriften zijn echter van een andere aard dan de bepalingen rondom bezwaar en beroep. Voor zover bedoeld is te verwijzen naar de vijfjaarstermijn die samenhangt met de bevoegdheid van de inspecteur voor ambtshalve beslissingen, verwijst de rechtbank naar de onderdelen 6 en 7 hierna. De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding om de suppleties als verzoeken op grond van artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 aan te merken, aangezien het indienen van een suppletie niet de voorgeschreven wijze is om een dergelijk verzoek te doen. Verder zouden de verzoeken dan ook steeds te laat zijn gedaan.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor de termijnoverschrijding. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. In zoverre heeft de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Kan de rechtbank een inhoudelijk oordeel geven?
6. De inspecteur heeft de suppletieaangiften ook in behandeling genomen als verzoeken om ambtshalve vermindering en deze in de uitspraken op bezwaar van 11 november 2022 afgewezen.
7. Voor zover de beroepen zich richten tegen deze afwijzingen verklaart de rechtbank zich kennelijk onbevoegd. Het betreft namelijk beslissingen op grond van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dat zijn niet voor (bezwaar en) beroep vatbare beslissingen. Rechtsmiddelen kunnen worden aangewend bij de civiele rechter.
Conclusie
8. De bezwaren zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom kennelijk ongegrond voor zover ze op die beslissing zien. De rechtbank is niet bevoegd om te oordelen over de ambtshalve beslissingen van de inspecteur. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- verklaart zich onbevoegd voor zover de beroepen zich richten tegen de afwijzingen van de verzoeken om ambtshalve vermindering.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 23 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Kamerstukken 2011-2012, 33004, nr.3, p. 60
Vgl. Gerechtshof Amsterdam 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:1694.