Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-04-18
ECLI:NL:RBZWB:2023:2657
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,888 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/722 WOB
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2023 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaatsnaam] (NB), eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over zijn aanvraag om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college, mr. M.F.M. van Gansen, deelgenomen.
Beoordeling
De rechtbank beoordeelt eisers beroep tegen het bestreden besluit omtrent de aanvraag om openbaarmaking van de stukken onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Feiten
1.1.
Op 22 mei 2019 heeft eiser het college verzocht om openbaarmaking op grond van de Wob van stukken die betrekking hebben op de kosten en opbrengsten van naheffingsaanslagen parkeerbelasting betreffende de jaren 2016 tot en met 2019 (Wob-verzoek). In een besluit van 16 augustus 2020 heeft het college het Wob-verzoek toegewezen via openbaarmaking van enkele stukken. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift hebben de gemachtigden van het college met eiser op 20 februari 2020 afspraken gemaakt over het Wob-verzoek. De stukken waarvan eiser openbaarmaking wenst, zijn:
Onderliggende facturen naheffingsaanslag P1 over de periode 2016-2018;
Afdelingsurenbegroting Ruimtelijke Uitvoering 2016-2019, Realisatie 2018;
Facturen die betrekking hebben op directe kosten, niet zijnde huisvesting en uren en die genoemd staan in de berekening van de naheffingsaanslag betreffende 2016-2018.
Eiser heeft vervolgens het bezwaar ingetrokken.
1.2.
Op 23 december 2020 heeft eiser opnieuw bezwaar gemaakt, omdat hij de gevraagde informatie nog niet had ontvangen. Het college heeft daarop niet gereageerd, waarna eiser het college op 2 april 2021 in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. Bij besluit van 5 juli 2021 heeft het college het bezwaar van 23 december 2020 kennelijk gegrond verklaard.
1.3.
Bij primair besluit van 1 juli 2021 heeft het college besloten de gevraagde informatie (deels) aan eiser te verstrekken. Een deel van de informatie in de facturen van P1 is op grond van artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob en artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob geweigerd te verstrekken.
1.4.
Eiser heeft tegen het primaire besluit van 1 juli 2021 op 13 augustus 2021 bezwaar gemaakt. Bij brief van 16 augustus 2021 heeft het college eiser een voorstel gedaan voor het plannen van een hoorzitting. Eiser heeft op dat verzoek niet gereageerd.
1.5.
Bij brief van 8 januari 2022 heeft eiser het college in gebreke gesteld, vanwege het niet tijdig beslissen op bezwaar.
1.6.
Op 3 februari 2022 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
1.7.
In het besluit op bezwaar, verzonden op 17 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
1.8.
De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld om het beroep in te trekken of nadere gronden in te dienen tegen het bestreden besluit. Eiser heeft de rechtbank bij brief van 28 maart 2022 laten weten het beroep niet in te willen trekken. Ook heeft hij beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit.
1.9
Het college heeft op de gronden van beroep gereageerd met een verweerschrift.
Wettelijk kader
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
3. Op 1 mei 2022 is de Wet open Overheid (Woo), zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen moeten worden genomen. Het bestreden besluit dat in deze zaak ter beoordeling voorligt, is genomen voor 1 mei 2022. Daarom is de rechtbank van oordeel dat deze zaak dient te worden beoordeeld op grond van het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, namelijk de Wob.
Wat is er nog in geschil?
4.1.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
4.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van het college verklaard dat het college het griffierecht zal vergoeden vanwege het beroep dat is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Eiser heeft daarop bevestigd dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar als ingetrokken kan worden beschouwd en dat zijn beroep nog slechts is gericht tegen het bestreden besluit van 17 februari 2022. Ook heeft eiser ter zitting de beroepsgrond dat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden en de beroepsgronden die zien op de uitbreiding van het Wob-verzoek in bezwaar ingetrokken. De rechtbank zal hierover dan ook geen inhoudelijk oordeel geven.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen nu nog in geschil is of het college het bezwaar terecht deels niet-ontvankelijk heeft verklaard, voor zover het betreft inhoudelijke grieven tegen de kostprijsberekening. Daarnaast is in geschil of het college op goede gronden heeft geconcludeerd dat de Wob zich verzet tegen de openbaarmaking van de weggelakte passages in de P1-facturen en of er sprake is van nadere informatie omtrent eisers Wob-verzoek die het college ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt. De rechtbank zal over deze geschilpunten een oordeel geven.
Is het bezwaar terecht deels niet-ontvankelijk verklaard?
5.1.
In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser deels niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser gronden heeft aangevoerd die zich richten tegen de inhoud en de onderbouwing van de kostprijsberekening. Deze bezwaargronden kunnen volgens het college niet aan de orde komen in deze procedure, omdat deze niet zien op het Wob-verzoek, maar gericht zijn tegen de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen.
5.2.
Eiser stelt in beroep dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de onderbouwing van de kostprijsberekening. Hij heeft aangegeven dat de naar aanleiding van het Wob-verzoek openbaar gemaakte informatie niet overeenstemt met andere openbare informatie en dat naar aanleiding van het Wob-verzoek daarom onvoldoende informatie openbaar is gemaakt.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar terecht gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, namelijk voor zover eiser in zijn gronden van het bezwaar de juistheid van de inhoud van de openbaar gemaakte informatie bestrijdt. Zo stelt eiser in het aanvullend bezwaarschrift van 28 september 2021 meermaals de inhoudelijke onderbouwing van de kostprijsberekening ter discussie, waar hij opmerkt dat bepaalde bedragen onvoldoende zijn gespecificeerd in het licht van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Ook merkt hij op dat gegevens die hij naar aanleiding van het Wob-verzoek heeft ontvangen, afwijken van de kostprijsberekening die deel uitmaakt van de Verordening parkeerbelastingen 2018.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de inhoudelijke discussie over de kostprijsberekening in deze procedure betreffende het Wob-verzoek niet aan de orde worden gesteld. In deze procedure kan alleen ter discussie staan of het college, behoudens eventuele weigeringsgronden, alle beschikbare documenten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen openbaar heeft gemaakt en of het college op goede gronden bepaalde weigeringsgronden heeft toegepast. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college het bezwaar terecht gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, namelijk voor zover de bezwaargronden zien op de inhoudelijke onderbouwing van de kostprijsberekening. In zoverre is het beroep van eiser ongegrond.
Is een deel van de gevraagde informatie op goede gronden geweigerd?
Facturen P1
6.1.
Eiser stelt dat de (weggelakte informatie in de) facturen van P1 geen bedrijfsinformatie bevatten, laat staan informatie die vertrouwelijk zou zijn medegedeeld. In het licht van artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen behoort P1 te weten dat zij ter zake geen beroep op vertrouwelijkheid kan doen. Ook de onevenredige benadeling ziet eiser niet. Het college heeft ten onrechte de openbaarmaking van deze informatie geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, onder c en artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob.
6.2.
Het college is van mening dat het terecht heeft geweigerd om de weggelakte delen van de facturen van P1 alsnog openbaar te maken. Artikel 10, eerste lid onder c en artikel 10, tweede lid, onder g van de Wob verzetten zich tegen openbaarmaking van deze informatie. De gespecificeerde aantallen en bedragen betreffen gegevens ten aanzien van de tarieven die door P1 aan de gemeente in rekening worden gebracht voor het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Deze informatie, die inzicht geeft in de wijze van opereren, de opbouw van de tarieven en de kosten waartegen P1 de werkzaamheden kan uitvoeren, zien op de financiële bedrijfsvoering van P1. Hieruit kan bovendien worden afgeleid welke afspraken er zijn gemaakt tussen P1 en de gemeente. P1 heeft deze informatie vertrouwelijk aan de gemeente medegedeeld, zodat ook moet worden aangenomen dat de gespecificeerde gegevens zijn verstrekt in een contact dat door P1 als vertrouwelijk mag worden beschouwd. Gelet daarop meent het college dat aannemelijk is dat uit de gegevens concurrentiegevoelige informatie kan worden afgeleid die de belangen van P1 kunnen schaden. Zo kunnen concurrerende bedrijven de informatie gebruiken om tijdens aanbestedingsprocedures te anticiperen op een inschrijving van P1.
6.3.
Op grond van artikel 10, eerste lid, onder aanhef en onder c van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Op grond van het tweede lid, onder g, van dit artikel blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college openbaarmaking van de specificatie van de facturen van P1 heeft mogen weigeren. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat uit de facturen kan worden opgemaakt op welke wijze P1 opereert. Het openbaar maken van prijzen, tarieven en eventuele financiële afspraken leidt tot een onevenredige benadeling van de concurrentiepositie van P1, omdat andere bedrijven die dezelfde diensten verlenen hun prijzen en tarieven daarop kunnen aanpassen.
Conclusie
8. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. De gemachtigde van het college heeft ter zitting toegezegd het griffierecht aan eiser te zullen vergoeden, in verband met het niet tijdig beslissen op bezwaar, waarop eiser het beroep daartegen heeft ingetrokken. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. de Roo, griffier, op 18 april 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage
Wettelijk kader
Wet openbaarheid van bestuur:
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Op grond van het vierde lid verzoekt het bestuursorgaan, indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.
Op grond van artikel 10, eerste lid, onder aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.
Op grond van het tweede lid, onder aanhef en onder g, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
Stb. 2021, 499.
Stb. 2021, 500.
ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3745.
Het college verwijst naar ABRvS 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5083 en Rb. Midden-Nederland 28 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:780.
ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:781 en ABRvS 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2836.