Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-11-29
ECLI:NL:RBZWB:2022:7212
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,441 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1379
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2022 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. J.W.J. Hopmans),
en
Het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)
(gemachtigde: [woordvoerder verweerder] ).
Inleiding
1.1
Namens eisers is beroep ingesteld tegen het besluit van 2 maart 2021 (bestreden besluit). In het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet uit het besluit van
14 oktober 2020 (primaire besluit) gehandhaafd.
1.2
Het dagelijks bestuur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvulling daarop.
1,3 De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het dagelijks bestuur.
Beoordeling
Omvang van het geschil
2. De rechtbank beoordeelt of het dagelijks bestuur op goede gronden de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 4 maart 2020 tot en met
20 juni 2020 heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden. Eisers ontvangen vanaf 1 juni 2005 een bijstandsuitkering naar de norm van een gezin. Het dagelijks bestuur heeft op 23 oktober 2019 een telefonische melding ontvangen dat eisers werken en bezittingen in het buitenland zouden hebben. Op verzoek van het dagelijks bestuur heeft het team Naleving van het Sociaal Economisch Domein van de gemeente Breda een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van eisers. In het kader van het onderzoek zijn diverse openbare bronnen geraadpleegd, zijn waarnemingen verricht en zijn eisers en meerdere getuigen gehoord. Er is op 15 juli 2020 gerapporteerd. In het rapport is geconcludeerd dat eiser [eiser] in de maanden maart 2020 tot en met juni 2020 als schilder bij [schildersbedrijf] uit Etten-Leur werkzaam is geweest, dat deze werkzaamheden niet zijn gemeld, dat er geen administratie is bijgehouden en dat het recht op bijstand over de periode maart 2020 tot en met juni 2020 daarom niet vastgesteld kan worden. Het onderzoek naar de bezittingen in het buitenland loopt nog en is niet meegenomen in dit onderzoek. Het dagelijks bestuur heeft bij het primaire besluit de bijstandsuitkering over de periode van 4 maart 2020 tot en met 20 juni 2020 ingetrokken en de over die periode betaalde bijstand van € 5.316,55 netto van eisers teruggevorderd. De bijstandsuitkering is na 20 juni 2020 voortgezet.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering over de genoemde periode gehandhaafd.
Heeft het dagelijks bestuur op goede gronden de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 4 maart 2020 tot en met 20 juni 2020 gehandhaafd?
5. Eisers voeren aan dat zij de inlichtingenplicht niet hebben overtreden, omdat zij niet beter wisten dan dat het verrichten van werkzaamheden alleen maar gemeld moet worden als de werkzaamheden betaald worden en daar was geen sprake van. Ook was het eisers niet bekend dat het verrichten van werkzaamheden in het kader van de opleiding tot schilder onder de inlichtingenplicht valt. Verder voeren eisers – op basis van een in beroep opgesteld urenoverzicht – aan dat de inkomsten uit de werkzaamheden in de betreffende periode niet meer dan € 1.866,75 zouden kunnen zijn geweest, zodat er nog aanspraak bestaat op aanvullende bijstand. Tevens is er geen rekening mee gehouden dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht niet heeft overtreden.
5.1
Het college verwijst naar het bestreden besluit en voert aanvullend aan dat eisers bij de toekenning en in meerdere besluiten daarna zijn gewezen op de inhoud van de inlichtingenplicht. Indien een en ander niet duidelijk was, hadden eisers hierover contact met het dagelijks bestuur dienen op te nemen dan wel hulp van een derde moeten inschakelen. De inlichtingenplicht is geschonden. Het in bezwaar gevoerde verweer was niet onderbouwd. Voor de nieuwe berekening in beroep geldt eveneens dat eisers noch het schilderbedrijf een boekhouding of administratie hebben bijgehouden en ook dit nieuwe overzicht is niet met objectieve gegevens onderbouwd. De handtekening van de directeur van het schildersbedrijf op het overzicht wijkt af van de handtekening op het proces-verbaal van het betreffende verhoor en het overzicht komt niet overeen met de informatie die het dagelijks bestuur bij derden heeft ingewonnen.
5.2
De te beoordelen periode bestrijkt de periode van 4 maart 2020 tot en met
20 juni 2020. De rechtbank moet beoordelen of de uitkering van eisers over deze periode terecht is ingetrokken, omdat de inlichtingenplicht is overtreden en het recht op bijstand daarom niet meer vastgesteld kan worden. Vervolgens dient de rechtbank zich te buigen over de vraag of het dagelijks bestuur terecht overgegaan is tot terugvordering van het te veel ontvangen bedrag aan bijstand in deze periode.
5.3
Het dagelijks bestuur stelt dat de inlichtingenplicht is overtreden, omdat eisers het dagelijks bestuur niet hebben ingelicht over de activiteiten van eiser in het kader van de door hem gestelde opleiding tot schilder. Uit het onderzoek volgt dat er in de periode van
3 maart 2020 tot en met 20 juni 2020 in totaal 44 waarnemingen zijn verricht (bij diverse adressen in [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] ) om te beoordelen of eiser [eiser] als schilder werkzaam was. Bij 34 van deze waarnemingen is geconstateerd dat dit het geval is. De waargenomen werkzaamheden betreffen onder meer schuren, schilderen en opruimen. De rapporteurs hebben op 22 juni 2020, 23 juni 2020, 24 juni 2020, 7 juli 2020 en
10 juli 2020 de verschillende adressen bezocht. Uit de verslaglegging van de gesprekken met de verschillende bewoners volgt dat eiser [eiser] op alle adressen – al dan niet zelfstandig – werkzaamheden als schilder heeft verricht. Eiser [eiser] is telkens ook herkend aan de hand van een getoonde foto. Bij meerdere adressen is aangegeven dat hij ook de onderhandeling voor de prijs van de klus voor zijn rekening heeft genomen.
Tijdens het verhoor van eiser [eiser] op 22 juni 2020 en eisers op 2 juli 2020 heeft hij aangegeven dat hij in 2020 is begonnen met het verrichten van schilderwerkzaamheden, met dien verstande dat dit gebeurde in het kader van een opleiding tot schilder en dat hij geen inkomsten heeft ontvangen. De heer [firmant] – een van de firmanten van [schildersbedrijf] – heeft tijdens het verhoor op 26 juni 2020 bevestigd dat eiser [eiser] vanaf maart 2020 schilderwerkzaamheden voor [schildersbedrijf] heeft verricht en dat hij hem hiervoor niet betaald heeft.
5.4
Eisers hebben het dagelijks bestuur niet ingelicht over het uitvoeren van de schilderwerkzaamheden. Met het dagelijks bestuur oordeelt de rechtbank dat eisers dat wel hadden moeten doen. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) rechtvaardigt de waargenomen aanwezigheid tijdens reguliere werkuren op een reguliere werkplek de veronderstelling dat er ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid wordt verricht. Gelet op de aard en het terugkerende karakter van de door eiser [eiser] verrichte werkzaamheden is sprake van op geld waardeerbare werkzaamheden. De rechtbank ziet geen aanleiding om niet uit te gaan van de bevindingen van het onderzoeksrapport. Uit de rechtspraak van de CRvB volgt dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid is die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. De door eisers gestelde opleiding tot schilder is dan ook niet relevant. Overigens volgt uit de bevindingen van het onderzoek dat de werkzaamheden van eiser [eiser] meer inhielden dan enkel een opleiding. Zo schilderde hij zelfstandig, hij stuurde aan en onderhandelde. Ook zijn de werkzaamheden op geld waardeerbaar, omdat de heer [firmant] tijdens het verhoor heeft aangegeven dat hij anders zelfstandigen voor het werk zou hebben ingehuurd.
Het had eisers redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat de activiteiten van eiser [eiser] voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn. Door na te laten hiervan melding te maken bij het dagelijks bestuur hebben zij de inlichtingenverplichting geschonden.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van het recht op bijstand vanaf 4 maart 2020 tot en met 20 juni 2020 en de terugvordering van de betaalde bijstand over die periode in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 29 november 2022 gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 11, eerste en vierde lid:
1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
4. Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.
Artikel 17, eerste lid:
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet 1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. 8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Beleidsregel terugvordering PW, Bbz 2004, Ioaz van de gemeente Etten-Leur (Beleidsregel)
Artikel 3, eerste lid:
Het college maakt gebruik van alle bevoegdheden ingevolge het bepaalde in de artikelen 58 en 59 van de Pw (….).
Artikel 7:
Het college besluit om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering als bedoeld in artikel 58 en 59 van de Pw (….) indien sprake is van dringende redenen.
Artikel 8, eerste lid:
Bij een fraudevordering wordt niet besloten tot het afzien van (verdere) terugvordering.
Bijvoorbeeld CRvB 4 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:B4269 en CRvB 2 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1158.
CRvB 13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5004.
Bijvoorbeeld CRvB 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646 en CRvB 29 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:440.
Bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:340 en Centrale Raad van Beroep
17 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2954.
Bijvoorbeeld CRvB 9 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1184.
CRvB 18 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4124.