Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-05-25
ECLI:NL:CRVB:2021:1209
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,359 tokens
Inleiding
19 563 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Datum uitspraak: 25 mei 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
20 december 2018, 18/4324 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. S. Guman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2021. Namens appellanten is
mr. Guman verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen van 7 juni 2012 tot en met 30 januari 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Op 31 januari 2017 zijn appellanten naar het Verenigd Koninkrijk geëmigreerd.
1.2.
Het Team Criminele Inlichtingen van de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (TCI) heeft in de maanden augustus 2015 en januari 2016 meerdere anonieme meldingen ontvangen. Deze meldingen houden onder meer in dat appellant vanuit Engeland naar Nederland komt en in Nederland een compleet zwart bedrijf heeft dat schotelantennes plaatst bij particulieren in Nederland, België en Duitsland, dat hij een website heeft voor dit bedrijf, dat het plaatsen van een schotelantenne ongeveer € 350,- á € 400,- kost, dat dit in contanten wordt betaald door zijn klanten, dat hij twee werknemers heeft die zwart voor hem werken en de schotelantennes plaatsen, dat hij meer dan duizend klanten heeft en dat elke klant na plaatsing van de antenne per jaar € 700,- aan hem betaalt voor de abonnementskosten bij de provider.
1.3.
Naar aanleiding van deze meldingen is onder het gezag van een officier van justitie een opsporingsonderzoek ingesteld naar appellanten. Zij werden er van verdacht strafbare feiten te hebben gepleegd. In het kader van het opsporingsonderzoek is onder meer op 21 september 2015 onderzoek gedaan op het internet, zijn op 24 juli 2017 drie getuigen gehoord en is appellant, eveneens op 24 juli 2017, als verdachte verhoord en is het uitkeringsdossier ontvangen. Een overzicht van de bevindingen van het opsporingsonderzoek is neergelegd in een proces-verbaal Algemeen dossier, dat is afgesloten op 27 september 2017 (proces-verbaal Algemeen dossier).
1.4.
Het opsporingsonderzoek vormde voor een sociaal rechercheur van de gemeente Amsterdam, Cluster Sociaal en werkzaam bij Handhaving Werk en Inkomen, team Projecten, aanleiding een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur dossieronderzoek gedaan en kennisgenomen van de bevindingen van het opsporingsonderzoek. De resultaten van dit rechtmatigheidsonderzoek zijn opgenomen in het rapport Uitkeringsfraude van 7 september 2017 (rapport).
1.5.
De resultaten van het rechtmatigheidsonderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 28 september 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 mei 2018 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten over de periode van 7 juni 2012 tot en met
30 januari 2017 in te trekken. Tevens heeft het college daarbij de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 87.687,85 van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de door appellant in de periode van 7 juni 2012 tot en met 30 januari 2017 verrichte werkzaamheden die op geld waardeerbaar zijn, waardoor het recht op bijstand over die periode niet is vast te stellen.
1.6.
Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 november 2019, ECLI:N:GHAMS:2019:4345, is appellant in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden voor onder andere het, in strijd met de inlichtingenverplichting van artikel 17 van de Wet werk en bijstand en vanaf 1 januari 2015 van artikel 17 van de PW telkens opzettelijk nalaten aan de gemeente Amsterdam te melden dat hij werkzaamheden verrichtte waarmee hij geld verdiende.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Intrekking
4.1.
Appellanten hebben, zoals ter zitting toegelicht, betwist dat uit het opsporingsonderzoek blijkt dat appellant werkzaamheden heeft verricht, laat staan gedurende alle jaren in de periode van 7 juni 2012 tot en met 30 januari 2017. Aan de hand van de website en ook op basis van de getuigenverklaringen kan die conclusie volgens appellanten niet worden getrokken.
4.2.
Het college heeft de intrekking van de bijstand van appellanten mede kunnen baseren op de bevindingen die zijn gedaan in het opsporingsonderzoek. De onderzoeksresultaten bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de hier te beoordelen periode, die loopt van 7 juni 2012 tot en met 30 januari 2017, werkzaamheden heeft verricht die op geld waardeerbaar zijn. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.2.1
Het proces-verbaal van bevindingen internet rechercheren, documentcode [documentcode], van 12 juli 2016, dat is opgenomen in het opsporingsdossier, vermeldt onder meer dat uit onderzoek dat op het internet is gedaan tussen 18 maart 2016 en 12 juli 2016, is gebleken dat op het internetadres www.classicsat.8k.com (website) schotelantennes en abonnementen voor Hindoestaanse en Pakistaanse tv-kanalen worden aangeboden. In het proces-verbaal Algemeen dossier staat dat deze website sinds november 2011 actief is. Het proces-verbaal met documentcode [documentcode], vermeldt dat appellant op deze website met zijn voor- en achternaam wordt genoemd en dat op de website een telefoonnummer (+31(0)[telefoonnummer]) is vermeld. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft appellant dit telefoonnummer bij zijn aanvraag Werkloosheidswet van 1 maart 2011 opgegeven als zijn telefoonnummer. Op vordering van 5 februari 2016 heeft het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie gemeld dat het abonnement voor het telefoonnummer op naam van appellant staat, op een ander adres dan het adres waar hij de bijstandsuitkering ontving. In het proces-verbaal met documentcode [documentcode] is verder vermeld dat op de website drie verschillende e-mailadressen worden genoemd. Over één van deze e-mailadressen heeft appellant tijdens zijn verhoor op 24 juli 2017 verklaard dat dit van hem is. Met de rechtbank wordt in de enkele stelling van appellanten, dat het strafdossier geen prints van de website bevat, geen aanleiding gezien om de bevindingen van de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal in twijfel te trekken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de opsporingsambtenaar in zijn proces-verbaal met documentcode [documentcode] heeft vermeld dat hij relevante webpagina’s door middel van de applicatie Scrapbook heeft opgeslagen en dat deze op verzoek kunnen worden overgelegd. Zoals ook de rechtbank al heeft overwogen, heeft appellant hierom nooit verzocht.
4.2.2.
Zoals genoemd in 1.2 hebben informanten in augustus 2015 en in januari 2016 gemeld dat appellant vanuit Engeland naar Nederland komt en in Nederland een bedrijf heeft dat schotelantennes plaatst. In het kader van het naar aanleiding hiervan gestarte strafrechtelijke onderzoek zijn de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], gehoord. Blijkens de processen-verbaal van verhoor van 24 juli 2017 hebben deze getuigen allen verklaard dat appellant schotelantennes installeerde, monteerde en/of repareerde. Getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben beiden verklaard dat appellant deze werkzaamheden al sinds 2011 of 2012 deed. Getuige [getuige 3] heeft op de vraag of appellant de werkzaamheden nog steeds doet, ontkennend geantwoord en in dat verband benoemd dat appellant sinds ongeveer twee of drie jaar in Engeland woont. Getuige [getuige 3] was op de dag van zijn verhoor bij een klant om een kabel te repareren en die klant had hem gebeld via appellant.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en E.J.M. Heijs en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) R.I.S. van Haaren