Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2020-02-18
ECLI:NL:RBZWB:2020:3917
Civiel recht
Kort geding
2,748 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Civiele handelszaken
Breda
zaak/rolnr.: 367699 KG ZA 20-29
vonnis in kort geding d.d. 18 februari 2020
inzake
[eiseres 1] ,
wonende te [plaats A] ,
eiseres (hierna te noemen: [eiseres 2] ),
advocaat mr. C.A. Gobbens te Breda,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2] ,
wonende te [plaats B] ,
gedaagden (hierna gezamenlijk te noemen in mannelijk enkelvoud: [gedaagde] ),
advocaat mr. F. Raaijmakers te Alphen.
1Het verloop van het geding
1.1
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding;
de per brief van 3 februari 2020 door [eiseres 2] ingediende aanvullende producties;
de – tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken – eis in reconventie;
e mondelinge behandeling;
de pleitnota van [eiseres 2] ;
de pleitnota van [gedaagde] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1
[eiseres 2] vordert – samengevat – primair om [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van de onroerende zaak (woning) te [adres 1] (hierna te noemen: het gehuurde) en subsidiair om [gedaagde] te verbieden het gehuurde te (laten) gebruiken in het tijdsbestek van 18:00 uur tot 09:00 uur tot het moment dat er in de tussen partijen lopende bodemprocedure bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist op straffe van een dwangsom. Zowel primair als subsidiair vordert [eiseres 2] om [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
2.2
[gedaagde] voert verweer.
2.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
3.1
Tussen partijen staan de volgende feiten vast.
- [eiseres 2] is de moeder van gedaagde sub 2 en verhuurt als eigenaar het gehuurde aan [gedaagde] . Het gehuurde staat op een perceel waarop ook de woning van [eiseres 2] is gelegen.
- Tijdens de mondelinge behandeling van een eerder kort geding hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“1. Gedaagden ( [gedaagde] , toevoeging door de voorzieningenrechter) zullen vanaf 1 november 2019 de thans door hen gehuurde ruimtes alle dagen van de week kunnen gebruiken van 9.00 uur tot 18:00 uur en dragen er zorg voor dat die ruimtes in het tijdsbestek van 18:00 uur tot 9.00 uur niet door hen of anderen worden gebruikt.
2. Eiseres ( [eiseres 2] , toevoeging door de voorzieningenrechter) zal uiterlijk 1 december 2019 een bodemprocedure starten jegens gedaagden. In dat geval loopt hetgeen onder 1 is overeengekomen door totdat in de bodemprocedure bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist. Mocht de bodemprocedure niet op 1 december 2019 zijn gestart dan vervalt hetgeen onder 1 is overeengekomen.
3. Partijen trachten in de komende periode elkaar in der minne te vinden, zo nodig onder begeleiding van externen.”
- Bij dagvaarding van 28 november 2019 is [eiseres 2] de in voormelde vaststellingsovereenkomst genoemde bodemprocedure gestart.
- Op 6 januari 2020 heeft gedaagde sub 2 de gemachtigde van [eiseres 2] een e-mailbericht gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“Na bezoek aan vaatchirurg ( [voornaam A] ) i.v.m. komende operatie aan aneurysma van de aorta heeft arts besloten deze uit te stellen omdat thuis recupereren niet mogelijk is. (…)
Wij stellen gezondheid nu even als ons belangrijkste doel en slapen dus vanaf 1 januari thuis.
Risico hiervan op uitspraak rechter wordt naar ons inziens gigantisch verkleint, zo niet volledig weggenomen door de ruim 500 bandopnamen die wij in afgelopen 3 jaar hebben gemaakt (…)
Het is zeer frustrerend en stresserend dat mediatie telkens door dager wordt afgewezen terwijl wij er alles aan gedaan hebben om dit te laten plaatsvinden.”
- In reactie op voormeld e-mailbericht heeft de gemachtigde van [eiseres 2] op 9 januari 2020 een e-mailbericht verzonden naar de gemachtigde van [gedaagde] , waarin onder meer het volgende staat:
“Per e-mailbericht van 6 januari jl. hebben uw cliënten medegedeeld dat zij weer ‘thuis’ c.q. in het gehuurde slapen.
Dat is in flagrante strijd met de ter zitting d.d. 24 oktober 2019 gemaakte afspraken (…)
Ik ontvang graag uiterlijk morgen (vrijdag 10 januari a.s. voor 18:00 uur) een schriftelijke bevestiging (per e-mail volstaat) dat uw cliënten vanaf dat moment de gemaakte afspraken zullen respecteren en zullen nakomen. (…)”
- Vervolgens heeft de gemachtigde van [gedaagde] op 10 januari 2020 een antwoordmail gestuurd met onder meer de volgende tekst:
“Het is u bekend dat cliënt [gedaagde] in het afgelopen jaar een aantal ingrijpende hartoperaties heeft ondergaan. Hij heeft er nog een aantal te gaan. (…) Cliënt moet na de operatie in een rustige omgeving komen te verkeren waarin hij kan herstellen en hem de nodige zorg verleend kan worden. Dat is alleen mogelijk in de eigen woning. (…) er is derhalve sprake van een noodsituatie die voorrang heeft op de gemaakte afspraken.”
3.2
De voorzieningenrechter oordeel als volgt.
3.3
In deze procedure dient te worden beoordeeld of [eiseres 2] een vonnis belang heeftdevoorziening en of aannemelijkdeis dat de vordering van [eiseres 1] invaneen bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft – gelet op de belangen van partijen over en weer – gerechtvaardigd op dooroewijzing daarvante lopen door het treffen vanvan. zoals evorderd.
3.4
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst heeft geschonden door weer vanaf 1 januari 2020 dag en nacht in het gehuurde te verblijven. [gedaagde] heeft die schending immers erkend en heeft ook aangegeven niet bereid te zijn om de vaststellingsovereenkomst alsnog na te komen.
3.5
Verder is gesteld dat het woongenot van de 83-jarige [eiseres 1] door voormelde schending van de vaststellingsovereenkomst zo wordt aangetast dat zij daar niet kan wonen zolang die schending voortduurt. Deze stelling heeft zij onderbouwd tijdens de mondelinge behandeling en door middel van de als producties 8 en 9 overgelegde verklaringen van respectievelijk [naam A] (vriendin van [eiseres 1] ) en [naam B] (nichtje van [eiseres 2] ). Hieruit komt naar voren dat [eiseres 1] mede door het alcoholgebruik van [gedaagde] zodanige angst heeft voor [gedaagde] dat dit leidt tot paniekaanvallen . Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is het enige tijd beter gegaan, maar sinds het moment dat [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst schendt door ook weer ’s avonds in het gehuurde te verblijven, is de angst bij [eiseres 1] weer teruggekeerd. [eiseres 1] durft onder deze omstandigheden niet meer in haar woning te verblijven uit angst voor nieuwe confrontaties met [gedaagde] . Daar komt nog bij dat zij in haar woning en op haar perceel – waar ook het gehuurde staat – geen privacy heeft. Zo heeft [gedaagde] al meer dan 500 bandopnames van [eiseres 1] gemaakt. [gedaagde] heeft het voorgaande niet (voldoende gemotiveerd) betwist, zodat de voorzieningenrechter vooralsnog uitgaat van de juistheid hiervan. Dat brengt mee dat [eiseres 1] een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering.
3.6
Volgens [eiseres 1] brengt voormelde schending van de vaststellingsovereenkomst ook mee dat [gedaagde] zich in strijd met artikel 7:613 BW niet als goed huurder gedraagt. De voorzieningenrechter volgt [eiseres 1] daarin. De vaststellingsovereenkomst – of in ieder geval de door [gedaagde] geschonden bepaling uit de vaststellingsovereenkomst – en de huurovereenkomst zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden, zodat de schending van de afspraak in de vaststellingsovereenkomst om het gehuurde in het tijdsbestek van 18:00 uur tot 9.00 uur niet te gebruiken eveneens een schending van de huurovereenkomst oplevert. De voorzieningenrechter is met andere woorden van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
3.7
Gelet op de primaire vordering is de volgende vraag die beantwoord moet worden of het voorgaande ertoe leidt dat het aannemelijk is dat een (ontbindings- en) ontruimingsvordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
3.8
Uit artikel 6:265 BW volgt dat iedere tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van één van zijn verplichtingen de schuldeiser de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of de tekortkoming voldoende ernstig is om tot ontbinding over te gaan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de overeenkomst, eventueel ook omstandigheden die na de gestelde tekortkoming hebben plaatsgevonden en de belangen van partijen over en weer (HR 10 augustus 1992, NJ 1992/715). Bij de beoordeling of een tekortkoming voldoende is om de ontbinding van een huurovereenkomst voor woonruimte te rechtvaardigen moet het gewicht van de tekortkoming (ook) worden afgezet tegen het woonbelang van de huurder (HR 30 november 1984, NJ 1985/232 en Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 september 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR7499).
3.9
Het belang van [eiseres 1] bij ontruiming van het gehuurde is hiervoor al aan bod gekomen .
Dictum
De voorzieningenrechter:
veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en tijdelijk te ontruimen, en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiseres 1] te stellen, een en ander met inachtneming van het overwogene onder 3.12;
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te dragen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boeder en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020.