Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-10-14
ECLI:NL:RBOVE:2024:5315
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,139 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 11290916 \ CV EXPL 24-1779
Vonnis in kort geding van 14 oktober 2024
in de zaak van
[partij A]
,wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen [partij A] ,
gemachtigde: mr. D.F. Briedé, advocaat te Almelo,
tegen
[partij B]
,wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna te noemen [partij B] ,
gemachtigde: mr. G.J. Hollema, advocaat te Almelo.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 september 2024 met producties,
- de van de zijde van [partij B] overgelegde producties en reconventionele vordering van 25 september 2024,
- de van de zijde van [partij A] overgelegde producties van 26 september 2024,
- de mondelinge behandeling,
- de pleitnota van [partij A] ,
- de pleitnota van [partij B] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[partij A] huurt van [partij B] met ingang van 3 februari 2023 een onzelfstandige woonruimte (een kamer) in de bovenwoning aan de [adres] . [partij A] heeft met de andere kamerbewoners het recht van medegebruik van de woonkamer, de keuken, het toilet en de badkamer van de bovenwoning. De huur bedraagt € 420,00 per maand.
2.2.
[partij B] heeft bij schrijven van 17 april 2024 aan [partij A] medegedeeld dat hij zich niet als goed huurder gedraagt, omdat er is sprake van geluidsoverlast, beschadigingen aan de kamer en bedreigingen door [partij A] . In de brief staat vermeld dat wanneer [partij A] niet instemt met een beëindiging van de huur een kort gedingprocedure zal worden gestart.
2.3.
In het e-mailbericht van de gemachtigde van [partij B] van 7 mei 2024 staat vermeld dat [partij A] aan hem heeft verteld dat hij bij de [locatie] in [plaats] verblijft, dat hij niet meer zal terugkeren naar het gehuurde, dat de post door een derde zal worden opgehaald en dat de huur zal worden doorbetaald door [partij A] .
2.4.
Bij schrijven van 14 mei 2024 heeft de gemachtigde van [partij A] [partij B] verzocht en gesommeerd hem de beschikking te geven over de sleutels, dit omdat de sloten waren vervangen.
2.5.
Bij e-mailbericht van 20 juni 2024 heeft de gemachtigde van [partij A] [partij B] weer gesommeerd hem de sleutels van de woning ter beschikking te stellen. Bij e-mailbericht van 14 augustus 2024 heeft hij voorts aangekondigd dat [partij A] bij wijze van prikkel tot nakoming de huurbetaling zal opschorten.
2.6.
In het e-mailbericht van 10 september 2024 van [naam 1] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige, werkzaam bij Dimence, staat vermeld:
“Hierbij verklaar ik dat bovengenoemde patiënt in de periode van 4 april 2024 tot 21 juni 2024 was opgenomen in onze GGZ-instelling, afdeling [locatie] te [plaats] vanwege een manisch-psychotisch toestandsbeeld.”
Geschil
De vordering in conventie van [partij A]
3.1.
vordert bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij B] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de sleutels van het gehuurde aan de [adres] c.q. de voordeur tot het pand aan [partij A] althans zijn aan te wijzen begeleider of vertegenwoordiger ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van de dag dat gedaagde zich hieraan niet houdt, tot maximaal € 50.000,00;
II. [partij B] te verbieden andersoortige belemmeringen op te werpen of beperkingen te introduceren die op enigerlei wijze afbreuk doen aan het huurgenot op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 ineens;
III. [partij B] te veroordelen bij wijze van schadevergoeding € 1.000,00 te betalen wegens het handelen in strijd met artikel 8 EVRM en (daarmee) het private life van eiser;
IV. [partij B] te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.
[partij A] legt aan zijn vordering, kort samengevat, het volgende ten grondslag. [partij A] stelt dat [partij B] eigenrichting pleegt. De sloten zijn vervangen zodat [partij A] het gehuurde niet meer kan betreden. [partij A] betwist dat hij heeft verteld dat hij na verblijf bij [locatie] niet zal terugkeren naar het gehuurde en de huur zal doorbetalen.
3.3.
[partij B] voert verweer. [partij B] voert aan dat [partij A] ernstige overlast veroorzaakt. Niet hij, maar de andere bewoners hebben de sloten vervangen. Met [partij A] is de afspraak gemaakt dat hij na zijn verblijf bij Dimence niet terug zal keren naar het gehuurde.
De vordering in reconventie van [partij B]
3.4.
[partij B] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij A] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, zijn kamer aan het adres [adres] te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van de sleutels met alle goederen en al de personen die zijdens [partij A] in voormelde kamer verblijven, en deze kamer ter vrije beschikking van [partij B] te stellen;
II. [partij A] te veroordelen om aan [partij B] tegen kwijting te betalen een bedrag van
(2 maanden x € 420,00 =) € 840,00 wegens achterstallige huurpenningen tot 1 oktober 2024, vermeerderd met een bedrag van € 420,00 per maand voor elke ingegane maand vanaf die datum 1 oktober 2024 tot en met de ontruiming van de kamerwoning;
III. [partij A] te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[partij B] legt, kort samengevat, aan zijn vordering ten grondslag dat [partij A] zich niet als goed huurder gedraagt door overlast te veroorzaken en sinds 1 augustus 2024 de huur niet meer te betalen.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
Spoedeisend belang
4.1.
De vorderingen in kort geding kunnen alleen worden toegewezen als [partij A] en [partij B] daarbij een spoedeisend belang hebben. Dat is bij de vordering van [partij A] het geval, omdat de spoedeisendheid (in elk geval) voortvloeit uit het belang van [partij A] om weer over de sleutels van de gehuurde woonruimte te kunnen beschikken.
Hetzelfde geldt voor de vordering van [partij B] , die ziet op het spoedeisend belang om ernstige overlast te voorkomen en op het niet verder oplopen van de huurachterstand.
Toets in kort geding
4.2.
De kantonrechter overweegt dat voor toewijzing van een vordering in kort geding vereist is dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Verder moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren bodemprocedure toegewezen zal worden. In kort geding is voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Omdat [partij A] bij toewijzing van de reconventionele vordering, strekkend tot ontruiming, geen belang meer heeft bij zijn vorderingen in conventie, zal de kantonrechter hierna eerst de reconventionele vordering bespreken.
in reconventie
4.3.
In deze procedure moet de kantonrechter beoordelen of [partij B] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming en of aannemelijk is dat de vorderingen van [partij B] tot ontbinding en ontruiming in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het - mede gelet op de belangen van partijen over en weer - gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van de in dit kort geding gevorderde voorziening, te weten ontruiming.
4.4.
Bij de beoordeling van de vraag of het aannemelijk is dat de vorderingen van [partij B] tot ontbinding en ontruiming in een eventuele bodemprocedure toegewezen zullen worden, stelt de kantonrechter het volgende voorop.
4.5.
Uit artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat iedere tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van één van zijn verplichtingen de schuldeiser de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of de tekortkoming voldoende ernstig is om tot ontbinding over te gaan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de overeenkomst, eventueel ook omstandigheden die na de gestelde tekortkoming hebben plaatsgevonden en de belangen van partijen over en weer (zie HR 10 augustus 1992, NJ 1992/715). Bij de beoordeling of een tekortkoming voldoende is om de ontbinding van een huurovereenkomst voor woonruimte te rechtvaardigen moet het gewicht van de tekortkoming (ook) worden afgezet tegen het woonbelang van de huurder (zie HR 30 november 1984, NJ 1985/232 en Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 september 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR7499).
4.6.
[partij B] stelt dat op 6 mei 2024 tussen partijen de afspraak is gemaakt dat [partij A] niet meer zal terugkeren naar de kamer. De kantonrechter volgt [partij B] hierin niet. Daarvoor is redengevend dat [partij A] op 6 mei 2024 was opgenomen in de [locatie] in verband met een manisch-psychotisch toestandsbeeld. De door [partij B] gestelde afspraken zijn voor [partij A] zeer nadelig: hij zou immers geen huurgenot (meer) ontvangen maar wel de volledige huur moeten betalen. [partij A] heeft betwist dat hij de gestelde afspraak heeft willen maken. De kantonrechter is van oordeel dat de gemachtigde van [partij B] , die wist dat [partij A] in de [locatie] zat, zich er niet voldoende van heeft vergewist dat de wil van [partij A] werkelijk gericht was op het maken van voornoemde, voor hem zeer nadelige afspraak. De kantonrechter is van oordeel dat (de gemachtigde van) [partij B] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [partij A] de gestelde afspraak wilde maken, nu [partij B] in het licht van de feiten niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij dat mocht. Er is op 6 mei 2024 dan ook geen overeenkomst tot stand gekomen.
4.7.
[partij B] legt aan zijn ontruimingsvordering ten grondslag dat de medebewoners van [partij A] klagen over diverse vormen van ernstige en herhaaldelijke overlast die [partij A] veroorzaakt. Die klachten bestaan blijkens de processtukken onder meer uit schreeuwen en andere geluidsoverlast, ook in de nachtelijke uren, verbale agressie en ander onbehoorlijk en intimiderend gedrag, waardoor zij zich niet meer veilig voelen. Ook heeft [partij A] zich jegens [partij B] en zijn echtgenote mevrouw [naam 2] intimiderend gedragen, bijvoorbeeld door tegen hen te schreeuwen.
4.8.
De kantonrechter overweegt dat uit de processtukken en uit hetgeen ter zitting is besproken het beeld naar voren komt van een zeer onveilige situatie, waarbij gevaar voor onderlinge bedreigingen en fysiek geweld reëel aanwezig is. De kantonrechter acht een reële kans aanwezig dat als [partij A] terugkeert naar het gehuurde binnen korte tijd spanningen zullen ontstaan tussen de kamerbewoners, waarbij geweld en intimidatie niet kunnen worden uitgesloten. Het is te begrijpen dat [partij B] een einde wenst te maken aan deze situatie. Temeer daar [partij B] en [naam 2] ook onheus gedrag hebben ervaren van [partij A] en zich naar eigen zeggen bedreigd hebben gevoeld. Verder staat vast dat [partij A] vernielingen in zijn kamer heeft aangericht en blijkt uit foto’s dat hij zijn kamer verslonst en verwaarloost.
4.9.
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of het gedrag van [partij A] de gevorderde ontruiming rechtvaardigt. Al met al is de kantonrechter van oordeel dat het zeer aannemelijk is dat een ontbindings- en ontruimingsvordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Bij dat oordeel speelt een rol dat het om diverse overlastklachten gaat, die al lange tijd voortduren en die worden geuit door meerdere (ex-)medebewoners alsook [partij B] en zijn echtgenote. Verder is van belang de ernst van de klachten: intimiderend en agressief gedrag en het aanrichten van vernielingen. De medebewoners en [partij B] en zijn echtgenote verklaren dat sprake is van een zeer gespannen en dreigende situatie en dat zij geen gevoel van veiligheid meer hebben. Die situatie bestaat slechts als [partij A] in het gehuurde verblijft en kan hem dus worden aangerekend.
4.10.
Verder speelt mee dat het gaat om onzelfstandige woonruimte in een woning met medebewoners en meerdere gemeenschappelijke ruimtes. Ook is van belang dat [partij A] al meerdere keren op zijn gedrag is aangesproken en waarschuwingen heeft ontvangen van [partij B] . Ook de politie is meerdere keren ingeschakeld.
4.11.
Weliswaar staat daartegenover dat [partij A] thans geen structurele alternatieve woonruimte heeft en in een kwetsbare positie verkeert, maar dat weegt naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter niet op tegen de belangen van zijn medebewoners om zonder ernstige overlast en met een gevoel van veiligheid te kunnen wonen in de woning en het belang van [partij B] om niet langer geconfronteerd te worden met ernstig overlastgevend en intimiderend gedrag.
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde ontruiming toewijsbaar is. Wel zal de kantonrechter een iets langere ontruimingstermijn bepalen van twee weken.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [partij A] af,
5.2.
verstaat dat [partij B] [partij A] in staat zal stellen zijn spullen op te komen halen en aan zijn begeleider de post van [partij A] zal verstrekken,
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.4.
veroordeelt [partij A] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn kamer aan het adres [adres] te ontruimen en te verlaten en deze kamer ter vrije beschikking van [partij B] te stellen,
5.5.
verklaart onderdeel 5.4. uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.7.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. K.J. Haarhuis, kantonrechter, en uitgesproken door mr. H. Bottenberg-van Ommeren op 14 oktober 2024.
(JHd(O)