Rechtspraak 1999-05-18
ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6221
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht enkelvoudige kamer Uitspraak artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) j° artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr.: AWB 97/11932 en 97/10571 VRWET inzake: A, eiseres sub 1, en B, eiseres sub 2, beiden wonende te C, eiseressen, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. I ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. Eiseressen, geboren op [...] 1954 respectievelijk [...] 1980, bezitten de Turkse nationaliteit. Eiseres sub 1 is de moeder van eiseres sub 2. Zij verblijven sedert 1 mei 1996 respectievelijk augustus 1995 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland. Op 8 oktober 1996 hebben eiseressen bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij afzonderlijke besluiten van 1 mei 1997 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiseressen hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 12 mei 1997, aangevuld bij brieven van 16 juni 1997, 4 juli 1997, 4 augustus 1997, 9 september 1997, 19 september 1997, 25 september 1997 en 29 september 1997. Het bezwaar van eiseres sub 1 is bij besluit van 29 september 1997, aan haar gemachtigde op diezelfde dag toegezonden, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres sub 1 bij beroepschrift van 8 oktober 1997 beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij besluit van 10 oktober 1997 heeft verweerder het besluit van 29 september 1997 ingetrokken en het bezwaar van 12 mei 1997 ongegrond verklaard. Dit besluit is op diezelfde dag aan de gemachtigde van eiseres sub 1 gezonden. Op 16 oktober 1997 heeft eiseres sub 1 het beroep van 8 oktober 1997 ingetrokken. Het bezwaar van eiseres sub 2 is bij besluit van 8 september 1997 ongegrond verklaard. Dit besluit is bij brief van diezelfde datum aan de gemachtigde van eiseres sub 2 gezonden. 2. Bij beroepschrift van 16 oktober 1997 respectievelijk 16 september 1997, aangevuld bij brieven (met bijlagen) van 19 september 1997, 17 oktober 1997, 12 december 1997, 1 april 1998 en 7 december 1998 hebben eiseressen tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 24 november 1998 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 24 maart 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiseressen hebben hun standpunt nog nader onderbouwd bij brieven van 12 april 1999 en 20 april 1999. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 1999. Eiseressen zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Jager, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde drs. V.J.C. Berg, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig de echtgenoot van eiseres sub 1 (de vader van eiseres sub 2). 11. OVERWEGINGEN 1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. 2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. D, de Nederlandse echtgenoot van eiseres sub 1 (hierna ook: referent), is sedert 17 juni 1996 mede-vennoot in E VOF te C. Eiseres sub 2 is geboren uit het huwelijk tussen referent en eiseres sub 2, een huwelijk dat op 14 december 1971 in Turkije is gesloten. Dit huwelijk is op 5 mei 1988 door echtscheiding ontbonden. De vader van eiseres sub 2 is in 1985 naar Nederland gekomen en op 1 augustus 1990 te Amsterdam in het huwelijk getreden met de Nederlandse F. Dit huwelijk is op 10 oktober 1994 door echtscheiding ontbonden. Op 23 januari 1995 zijn de ouders van eiseres sub 2 in Turkije opnieuw met elkaar in het huwelijk getreden. Eiseres sub 2 heeft reeds eerder, op 19 september 1995, een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij haar vader. Bij b In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd. Met betrekking tot de betekenis van de overgelegde gegevens over de omzet van E over 1996 en de eerste vijf maanden van 1997 merkt verweerder op dat die gegevens onvoldoende inzicht verschaffen in de wijze waarop de omzet van het bedrijf is gerealiseerd. De omzet is op geen enkele wijze nader gespecificeerd en het is opmerkelijk dat een startende onderneming als E direct vanaf de start van de onderneming een aanzienlijke omzet en winst zou hebben gerealiseerd. Dit klemt temeer, nu uit de brief van de Belastingdienst van 25 maart 1997 over de verschuldigde omzetbelasting van 1996 blijkt dat gesteld is dat er in 1996 door E diverse malen is geleverd aan een afnemer in Duitsland, zonder dat is gebleken dat deze leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Niet is gebleken dat de Belastingdienst over deze daadwerkelijke leveringen alsnog duidelijkheid heeft verkregen en dat de Belastingdienst met de aanslag van 1996 akkoord is gegaan. Hetzelfde geldt voor de jaarrekening 1997 en de aangifte inkomstenbelasting over 1997. Voorts heeft verweerder ten aanzien van eiseres sub 2 aangevoerd dat de feitelijke gezinsband tussen haar en haar vader is verbroken door het vertrek van de vader naar Nederland in 1985. De vader van eiseres sub 2 heeft met mevrouw F een nieuw gezin gevormd, waartoe eiseres sub 2 nimmer heeft behoord. Ook de feitelijke gezinsband tussen eiseres sub 2 en haar moeder is verbroken, aangezien de moeder in 1995 en 1996 nagenoeg een jaar in Duitsland heeft verbleven, terwijl eiseres sub 2 op dat moment in Nederland bij haar vader verbleef. Er kan slechts sprake zijn van het instandblijven van de feitelijke gezinsband, indien betrokkene met het duidelijke oogmerk van tijdelijkheid is opgenomen in een ander gezin. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Zowel de vader (door vestiging in Nederland) als de moeder (door vestiging in Duitsland) van eiseres sub 2 hebben er destijds bewust voor gekozen de feitelijke gezinsband met haar te verbreken. Het beroep op artikel 8 EVRM kan naar de mening van verweerder niet slagen. Er bestaat geen positieve verplichting om het gezinsleven in Nederland mogelijk te maken. Voorts is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. Ten aanzien van het beroep op de hoorplicht heeft verweerder aangevoerd dat eiseressen niet zijn gehoord omdat daartoe, gelet op het bepaalde in artikel 32 lid 2 Vw, geen verplichting bestond. De rechtbank overweegt het volgende. 5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. 6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc). 7. Het terzake door verweerder gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B1 van de Vc 1994. In dit hoofdstuk is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald. Aan de echtgenote van een Nederlander kan hier te lande verblijf worden toegestaan in het kader van gezinshereniging dan wel, vanaf het achttiende levensjaar van beide huwelijkspartners, in het kader van gezinsvorming, indien degene bij wie toelating wordt beoogd duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vreemdelingenwet. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar personen tussen de 18 en 23 jaar en personen van 23 jaar en ouder. Als voldoende inkomen voor deze categorie personen geldt - een zelfstandig verworven inkomen uit een dienstverband, waarmee ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Algemene bijstandswet wordt