Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-20
ECLI:NL:RBROT:2026:4516
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,131 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4516 text/xml public 2026-05-18T09:31:18 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-20 ROT 25/9997 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4516 text/html public 2026-05-18T09:30:18 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4516 Rechtbank Rotterdam , 20-04-2026 / ROT 25/9997 Verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft gevraagd om de invordering van een dwangsom te schorsen. De burgemeester heeft vervolgens de invordering geschorst. De burgemeester had echter nog geen invorderingsbeschikking genomen. Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/9997 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en de burgemeester van Vlaardingen (gemachtigde: mr. F. Amouri). Inleiding 1. Met een besluit van 9 januari 2025 heeft de burgemeester aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd vanwege (kort gezegd) drugshandel op straat. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 10.000,- per geconstateerde overtreding van artikel 2:87 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 (APV), met een maximum van € 30.000,-. 2. Bij brief van 25 november 2025 heeft de burgemeester aan verzoeker laten weten dat hij op 24 oktober 2025 heeft gehandeld in strijd met de aan hem opgelegde last onder dwangsom en dat van rechtswege een dwangsom is verbeurd van € 10.000,-. Verzoeker heeft op 3 december 2025 een factuur gekregen, waarin staat dat hij dit bedrag uiterlijk op 2 januari 2026 moet hebben betaald. 3. Verzoeker heeft op 10 december 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 januari 2025 en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 4. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 5. De burgemeester heeft verzoeker op 12 februari 2026 laten weten dat de invordering van de dwangsom wordt opgeschort tot zes weken na de beslissing op bezwaar. 6. Verzoeker heeft vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, en daarbij het verzoek gedaan om de burgemeester te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft de burgemeester in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De burgemeester heeft de rechtbank meegedeeld dat er volgens hem geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. 7. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling. Beoordeling door de voorzieningenrechter 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen. 9. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. 10. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. 11. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de invordering van de dwangsom wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft verzoeker daarop laten weten dat de invordering van de dwangsom wordt opgeschort tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft daarmee een maatregel genomen waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. De burgemeester is daarmee aan verzoeker tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. 12. Er moet echter in dit geval wegens bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt op het uitgangspunt dat bij tegemoetkoming in beginsel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening was namelijk niet noodzakelijk omdat de burgemeester nog geen invorderingsbeschikking had genomen. Verder heeft de burgemeester toegelicht dat het vast beleid is dat het invorderingsproces ‘on hold’ wordt gezet als er een bezwaarschrift wordt ingediend. Het had op de weg van verzoeker gelegen om naar aanleiding van de brief van 25 november 2025 en de factuur van 3 december 2025 contact op te nemen met de burgemeester. Deze omstandigheden vormen aanleiding het verzoek om een proceskostenveroordeling af te wijzen. Conclusie en gevolgen 13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263. Zie CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252. Zie artikel 5:37, eerste lid, van de Awb: “Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.”
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4516 text/xml public 2026-05-18T09:31:18 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-20 ROT 25/9997 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4516 text/html public 2026-05-18T09:30:18 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4516 Rechtbank Rotterdam , 20-04-2026 / ROT 25/9997 Verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft gevraagd om de invordering van een dwangsom te schorsen. De burgemeester heeft vervolgens de invordering geschorst. De burgemeester had echter nog geen invorderingsbeschikking genomen. Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/9997 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en de burgemeester van Vlaardingen (gemachtigde: mr. F. Amouri). Inleiding 1. Met een besluit van 9 januari 2025 heeft de burgemeester aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd vanwege (kort gezegd) drugshandel op straat. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 10.000,- per geconstateerde overtreding van artikel 2:87 van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 (APV), met een maximum van € 30.000,-. 2. Bij brief van 25 november 2025 heeft de burgemeester aan verzoeker laten weten dat hij op 24 oktober 2025 heeft gehandeld in strijd met de aan hem opgelegde last onder dwangsom en dat van rechtswege een dwangsom is verbeurd van € 10.000,-. Verzoeker heeft op 3 december 2025 een factuur gekregen, waarin staat dat hij dit bedrag uiterlijk op 2 januari 2026 moet hebben betaald. 3. Verzoeker heeft op 10 december 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 januari 2025 en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 4. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 5. De burgemeester heeft verzoeker op 12 februari 2026 laten weten dat de invordering van de dwangsom wordt opgeschort tot zes weken na de beslissing op bezwaar. 6. Verzoeker heeft vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, en daarbij het verzoek gedaan om de burgemeester te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft de burgemeester in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De burgemeester heeft de rechtbank meegedeeld dat er volgens hem geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. 7. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling. Beoordeling door de voorzieningenrechter 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen. 9. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. 10. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. 11. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de invordering van de dwangsom wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft verzoeker daarop laten weten dat de invordering van de dwangsom wordt opgeschort tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft daarmee een maatregel genomen waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. De burgemeester is daarmee aan verzoeker tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. 12. Er moet echter in dit geval wegens bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt op het uitgangspunt dat bij tegemoetkoming in beginsel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening was namelijk niet noodzakelijk omdat de burgemeester nog geen invorderingsbeschikking had genomen. Verder heeft de burgemeester toegelicht dat het vast beleid is dat het invorderingsproces ‘on hold’ wordt gezet als er een bezwaarschrift wordt ingediend. Het had op de weg van verzoeker gelegen om naar aanleiding van de brief van 25 november 2025 en de factuur van 3 december 2025 contact op te nemen met de burgemeester. Deze omstandigheden vormen aanleiding het verzoek om een proceskostenveroordeling af te wijzen. Conclusie en gevolgen 13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263. Zie CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252. Zie artikel 5:37, eerste lid, van de Awb: “Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.”