Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-08
ECLI:NL:RBROT:2026:4266
Civiel recht
Kort geding
18,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4266 text/xml public 2026-05-04T11:32:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-08 C/10/709728 / KG ZA 25-1109 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4266 text/html public 2026-05-04T11:30:51 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4266 Rechtbank Rotterdam , 08-04-2026 / C/10/709728 / KG ZA 25-1109 Kort geding. Aanbesteding. Afwijzing. Vordering tot tussenkomst toegewezen. Er is geen sprake van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen. Het gunningsvoornemen is voldoende gemotiveerd. De kwalitatieve aspecten van de inschrijving van eiseres zijn op de juiste manier beoordeeld en die beoordeling is voldoende gemotiveerd. Gedaagde hoefde de inschrijfprijs van de winnende inschrijver niet (nader) te verifiëren. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/709728 / KG ZA 25-1109 Vonnis in kort geding van 8 april 2026 in de zaak van D&B THE FACILITY GROUP B.V. , statutaire vestigingsplaats: Amstelveen, eisende partij, advocaten: mrs. P.B.J. van den Oord en D. Britsemmer, tegen STEDIN GROUP SERVICES B.V. , vestigingsplaats: Rotterdam, gedaagde partij, advocaten: mrs. T. van Wijk en G.J. van Essen, waarin is tussengekomen TRIGION BEVEILIGING B.V. , vestigingsplaats: Schiedam, tussenkomende partij, advocaat: mr. L.C. van den Berg. Partijen worden hierna D&B, Stedin en Trigion genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht). Stedin heeft de Opdracht voorlopig gegund aan Trigion. D&B is het daar niet mee eens. Volgens D&B heeft Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) aangevuld, heeft Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende gemotiveerd, is de inschrijving van D&B onjuist beoordeeld althans is die beoordeling onvoldoende gemotiveerd en had Stedin de inschrijving van Trigion (nader) moeten verifiëren. Omdat al deze gebreken in de ogen van D&B niet kunnen worden hersteld zonder heraanbesteding, vordert D&B primair dat Stedin wordt geboden het gunningsvoornemen in te trekken, met verplichting tot een heraanbesteding voor zover Stedin de Opdracht nog wil gunnen. D&B vordert subsidiair dat Stedin wordt geboden om verificatie toe te passen overeenkomstig de aanbestedingsvoorwaarden en een herbeoordeling van de inschrijvingen te laten uitvoeren door een onafhankelijke nieuwe beoordelingscommissie. Trigion heeft gevorderd om in de procedure tussen D&B en Stedin te mogen tussenkomen, althans zich daarin te mogen voegen aan de zijde van Stedin. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen en zij wijst de vorderingen van D&B af. Dit wordt hierna uitgelegd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 7 november 2025, met bijlagen 0 tot en met 9; de akte overlegging nadere productie van D&B, met bijlagen 10 en 11; de conclusie van antwoord, met bijlagen 001A tot en met 002; de incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) van Trigion; de mondelinge behandeling op 25 maart 2026; de pleitnota van mr. Britsemmer; de pleitnota van mr. Van Essen; de pleitnota van mr. Van den Berg. 3 De feiten 3.1. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht). 3.2. De Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de beste prijs-kwaliteitverhouding. 3.3. Een inschrijver kan voor het criterium kwaliteit maximaal 750 punten behalen. Het criterium kwaliteit is opgedeeld in vier subcriteria. Inschrijvers schrijven per subcriterium een plan van aanpak, dat beoordeeld wordt op de wijze zoals omschreven in de gunningsleidraad en de bijlage met gunningscriteria. De subcriteria en het maximaal per subcriterium te behalen aantal punten zijn als volgt: 3.4. De beoordeling van de subcriteria en het toekennen van een score aan die subcriteria vindt plaats aan de hand van de volgende tabel: 3.5. Ten behoeve van het criterium prijs wordt door inschrijvers het prijzenblad ingevuld, waarbij overeenkomstig de in de gunningscriteria opgenomen formule een score aan de totaalprijs van de inschrijver wordt toegekend. De inschrijver met de laagste totaalprijs krijgt 250 punten. Op basis van een formule wordt aan de andere inschrijvers een score toegekend. Uit de aanbestedingsvoorwaarden volgt dat het indienen van een manipulatieve inschrijving niet is toegestaan en tot terzijdelegging van de inschrijving leidt. Ter voorkoming van manipulatieve inschrijvingen heeft Stedin geëist dat alle afzonderlijke bedragen c.q. eenheidsprijzen reëel en marktconform zijn, en bepaald dat er niet met symbolische prijzen mag worden ingeschreven. 3.6. De optelsom van de scores op de criteria kwaliteit en prijs vormt de totaalscore op basis waarvan de Opdracht wordt gegund. In totaal kunnen 1000 punten worden behaald. 3.7. Onder andere D&B en Trigion hebben op tijd ingeschreven op de door Stedin georganiseerde aanbesteding. Bij gunningsvoornemen van 21 oktober 2025 heeft Stedin aan D&B medegedeeld dat de opdracht voorlopig aan Trigion wordt gegund. Uit het gunningsvoornemen volgt dat D&B op plaats twee in de rangorde is geëindigd. Het verschil in score met de nummer 1, Trigion, is 9,17 punten. De door D&B en Trigion behaalde punten zijn als volgt (waarbij “Uw Inschrijving” de scores van D&B zijn en de “Eerst gerangschikte inschrijving (EMVI) de scores van Trigion zijn): 3.8. Uit de toelichting op de kwalitatieve puntentoekenning van D&B volgt dat D&B op kwaliteitscriterium K1 ‘uitstekend’ heeft gescoord. Dat staat gelijk aan 100% van de op dat subcriterium te behalen punten. Op kwaliteitscriteria K2 tot en met K4 heeft D&B steeds ‘goed’ gescoord. Dat staat gelijk aan 85% van de op die subcriteria te behalen punten. 3.9. D&B heeft schriftelijk bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen van Stedin. Naar aanleiding daarvan heeft op 4 november 2025 een gesprek tussen D&B en Stedin plaatsgevonden. Verder heeft Stedin op 5 november 2025 schriftelijk een reactie op het bezwaar van D&B gegeven. Die reactie houdt onder meer een nadere toelichting op de motivering van het gunningsvoornemen in. D&B kan zich niet met het gunningsvoornemen en deze reactie verenigen. 4 De beoordeling in het incident 4.1. Trigion heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair om zich te mogen voegen in de procedure tussen D&B en Stedin. De voorzieningenrechter heeft de primaire vordering voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen, wat in de kop van dit vonnis al tot uitdrukking is gebracht. Het belang van Trigion bij de tussenkomst is erin gelegen dat zij, als de partij aan wie de Opdracht voorlopig is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor Stedin ongunstige uitkomst van deze zaak. Het spoedeisend belang en de goede procesorde staan niet in de weg aan toewijzing. 4.2. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, omdat geen van partijen heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. in de hoofdzaak en in de tussenkomst 4.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hoewel Trigion in het incident primair heeft gevorderd om te mogen tussenkomen en die primaire vordering ook is toegewezen, de (subsidiair geformuleerde) eigen vordering van Trigion inhoudt dat Stedin zal worden geboden de voorgenomen gunning in stand te laten en uit te voeren. Materieel valt de beoordeling in dat kader samen met die in de hoofdzaak. Er is immers geen reden voor een gebod aan Stedin om te doen wat zij toch al voornemens is te doen. De beoordeling in de hoofdzaak en de tussenkomst is om die reden beperkt tot de vorderingen van D&B en de verweren die Stedin en Trigion daartegen hebben aangevoerd. 4.4.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4266 text/xml public 2026-05-04T11:32:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-08 C/10/709728 / KG ZA 25-1109 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4266 text/html public 2026-05-04T11:30:51 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4266 Rechtbank Rotterdam , 08-04-2026 / C/10/709728 / KG ZA 25-1109 Kort geding. Aanbesteding. Afwijzing. Vordering tot tussenkomst toegewezen. Er is geen sprake van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen. Het gunningsvoornemen is voldoende gemotiveerd. De kwalitatieve aspecten van de inschrijving van eiseres zijn op de juiste manier beoordeeld en die beoordeling is voldoende gemotiveerd. Gedaagde hoefde de inschrijfprijs van de winnende inschrijver niet (nader) te verifiëren. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/709728 / KG ZA 25-1109 Vonnis in kort geding van 8 april 2026 in de zaak van D&B THE FACILITY GROUP B.V. , statutaire vestigingsplaats: Amstelveen, eisende partij, advocaten: mrs. P.B.J. van den Oord en D. Britsemmer, tegen STEDIN GROUP SERVICES B.V. , vestigingsplaats: Rotterdam, gedaagde partij, advocaten: mrs. T. van Wijk en G.J. van Essen, waarin is tussengekomen TRIGION BEVEILIGING B.V. , vestigingsplaats: Schiedam, tussenkomende partij, advocaat: mr. L.C. van den Berg. Partijen worden hierna D&B, Stedin en Trigion genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht). Stedin heeft de Opdracht voorlopig gegund aan Trigion. D&B is het daar niet mee eens. Volgens D&B heeft Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) aangevuld, heeft Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende gemotiveerd, is de inschrijving van D&B onjuist beoordeeld althans is die beoordeling onvoldoende gemotiveerd en had Stedin de inschrijving van Trigion (nader) moeten verifiëren. Omdat al deze gebreken in de ogen van D&B niet kunnen worden hersteld zonder heraanbesteding, vordert D&B primair dat Stedin wordt geboden het gunningsvoornemen in te trekken, met verplichting tot een heraanbesteding voor zover Stedin de Opdracht nog wil gunnen. D&B vordert subsidiair dat Stedin wordt geboden om verificatie toe te passen overeenkomstig de aanbestedingsvoorwaarden en een herbeoordeling van de inschrijvingen te laten uitvoeren door een onafhankelijke nieuwe beoordelingscommissie. Trigion heeft gevorderd om in de procedure tussen D&B en Stedin te mogen tussenkomen, althans zich daarin te mogen voegen aan de zijde van Stedin. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen en zij wijst de vorderingen van D&B af. Dit wordt hierna uitgelegd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 7 november 2025, met bijlagen 0 tot en met 9; de akte overlegging nadere productie van D&B, met bijlagen 10 en 11; de conclusie van antwoord, met bijlagen 001A tot en met 002; de incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) van Trigion; de mondelinge behandeling op 25 maart 2026; de pleitnota van mr. Britsemmer; de pleitnota van mr. Van Essen; de pleitnota van mr. Van den Berg. 3 De feiten 3.1. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht). 3.2. De Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de beste prijs-kwaliteitverhouding. 3.3. Een inschrijver kan voor het criterium kwaliteit maximaal 750 punten behalen. Het criterium kwaliteit is opgedeeld in vier subcriteria. Inschrijvers schrijven per subcriterium een plan van aanpak, dat beoordeeld wordt op de wijze zoals omschreven in de gunningsleidraad en de bijlage met gunningscriteria. De subcriteria en het maximaal per subcriterium te behalen aantal punten zijn als volgt: 3.4. De beoordeling van de subcriteria en het toekennen van een score aan die subcriteria vindt plaats aan de hand van de volgende tabel: 3.5. Ten behoeve van het criterium prijs wordt door inschrijvers het prijzenblad ingevuld, waarbij overeenkomstig de in de gunningscriteria opgenomen formule een score aan de totaalprijs van de inschrijver wordt toegekend. De inschrijver met de laagste totaalprijs krijgt 250 punten. Op basis van een formule wordt aan de andere inschrijvers een score toegekend. Uit de aanbestedingsvoorwaarden volgt dat het indienen van een manipulatieve inschrijving niet is toegestaan en tot terzijdelegging van de inschrijving leidt. Ter voorkoming van manipulatieve inschrijvingen heeft Stedin geëist dat alle afzonderlijke bedragen c.q. eenheidsprijzen reëel en marktconform zijn, en bepaald dat er niet met symbolische prijzen mag worden ingeschreven. 3.6. De optelsom van de scores op de criteria kwaliteit en prijs vormt de totaalscore op basis waarvan de Opdracht wordt gegund. In totaal kunnen 1000 punten worden behaald. 3.7. Onder andere D&B en Trigion hebben op tijd ingeschreven op de door Stedin georganiseerde aanbesteding. Bij gunningsvoornemen van 21 oktober 2025 heeft Stedin aan D&B medegedeeld dat de opdracht voorlopig aan Trigion wordt gegund. Uit het gunningsvoornemen volgt dat D&B op plaats twee in de rangorde is geëindigd. Het verschil in score met de nummer 1, Trigion, is 9,17 punten. De door D&B en Trigion behaalde punten zijn als volgt (waarbij “Uw Inschrijving” de scores van D&B zijn en de “Eerst gerangschikte inschrijving (EMVI) de scores van Trigion zijn): 3.8. Uit de toelichting op de kwalitatieve puntentoekenning van D&B volgt dat D&B op kwaliteitscriterium K1 ‘uitstekend’ heeft gescoord. Dat staat gelijk aan 100% van de op dat subcriterium te behalen punten. Op kwaliteitscriteria K2 tot en met K4 heeft D&B steeds ‘goed’ gescoord. Dat staat gelijk aan 85% van de op die subcriteria te behalen punten. 3.9. D&B heeft schriftelijk bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen van Stedin. Naar aanleiding daarvan heeft op 4 november 2025 een gesprek tussen D&B en Stedin plaatsgevonden. Verder heeft Stedin op 5 november 2025 schriftelijk een reactie op het bezwaar van D&B gegeven. Die reactie houdt onder meer een nadere toelichting op de motivering van het gunningsvoornemen in. D&B kan zich niet met het gunningsvoornemen en deze reactie verenigen. 4 De beoordeling in het incident 4.1. Trigion heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair om zich te mogen voegen in de procedure tussen D&B en Stedin. De voorzieningenrechter heeft de primaire vordering voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen, wat in de kop van dit vonnis al tot uitdrukking is gebracht. Het belang van Trigion bij de tussenkomst is erin gelegen dat zij, als de partij aan wie de Opdracht voorlopig is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor Stedin ongunstige uitkomst van deze zaak. Het spoedeisend belang en de goede procesorde staan niet in de weg aan toewijzing. 4.2. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, omdat geen van partijen heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. in de hoofdzaak en in de tussenkomst 4.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hoewel Trigion in het incident primair heeft gevorderd om te mogen tussenkomen en die primaire vordering ook is toegewezen, de (subsidiair geformuleerde) eigen vordering van Trigion inhoudt dat Stedin zal worden geboden de voorgenomen gunning in stand te laten en uit te voeren. Materieel valt de beoordeling in dat kader samen met die in de hoofdzaak. Er is immers geen reden voor een gebod aan Stedin om te doen wat zij toch al voornemens is te doen. De beoordeling in de hoofdzaak en de tussenkomst is om die reden beperkt tot de vorderingen van D&B en de verweren die Stedin en Trigion daartegen hebben aangevoerd. 4.4.
Volledig
Verder merkt de voorzieningenrechter op dat tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken dat tot nu toe slechts een deels zwartgelakte dagvaarding en ook deels zwartgelakte bijlagen van D&B en Stedin aan Trigion ter beschikking zijn gesteld. D&B, Stedin en de voorzieningenrechter beschikken wel over de volledige dagvaarding en bijlagen (dus zonder zwartgelakte gedeelten). Partijen hebben afgesproken dat de voorzieningenrechter in principe uitspraak doet op basis van de volledige dagvaarding en bijlagen. Alleen in het geval dat de voorzieningenrechter zou overwegen enige vordering van D&B toe te wijzen, moet, eventueel na verder partijdebat op dat punt, worden beslist of de volledige dagvaarding en bijlagen ook aan Trigion ter beschikking worden gesteld of dat de voorzieningenrechter, vanwege de equality of arms, op basis van de aan Trigion ter beschikking gestelde deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen dient te beslissen. Zoals hierna zal blijken, wijst de voorzieningenrechter alle vorderingen van D&B af. Aan een nader debat over de deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen wordt om die reden niet toegekomen. Er is geen sprake van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen 4.5. D&B voert in de eerste plaats aan dat Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) heeft aangevuld. Dit is in strijd met het arrest KPN/Staat, aldus D&B. De voorzieningenrechter volgt D&B hier niet in. 4.6. Naar aanleiding van het bezwaar van D&B tegen het gunningsvoornemen heeft Stedin op 5 november 2025 een brief gestuurd, waarin Stedin op de bezwaren van D&B heeft gereageerd. Weliswaar heeft Stedin in die brief enige nadere toelichting verschaft en dus niet enkel de bewoordingen van het gunningsvoornemen herhaald, maar dat is niet ongeoorloofd. Stedin noemt in haar brief namelijk geen nieuwe argumenten ten aanzien van de beoordeling van de inschrijving van D&B. Stedin geeft slechts een toelichting op de al in het gunningsvoornemen vermelde punten waarop de inschrijving van D&B – naar het oordeel van de beoordelingscommissie van Stedin – tekortschiet om de hoogste score ‘uitstekend’ te halen. 4.7. Het voorgaande is helder inzichtelijk in een brief van Stedin van 3 maart 2026, waarin Stedin de bewoordingen van het gunningsvoornemen én haar reactie op het bezwaar van D&B heeft gecombineerd. Zo noemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 in het gunningsvoornemen “ Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht ”. Stedin geeft hier in de brief van 3 maart 2026 een nadere toelichting op, door – met voorbeelden – uit te leggen dat de onderbouwing van D&B op punten enkel gericht is op het operationele deel (de hosts) en niet op het servicemanagement, en dat “ Stedin graag [had] teruggezien hoe [de] mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden ”. Verder benoemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) benoemt. In de brief van 3 maart 2026 licht Stedin nader toe waarom zij dit wel van D&B had verwacht én mocht verwachten om van het judicium goed naar het judicium uitstekend te kunnen komen. Van een nieuw argument is geen sprake. Ook ten aanzien van subcriteria K3 en K4 is geen sprake van nieuwe argumenten. Stedin heeft in haar brief van 3 maart 2026 enkel nader toegelicht waarom, onder meer, de rol van de regievoerder van Stedin onvoldoende terugkomt en de rapportagewijze uitgebreider omschreven had moeten worden om uitstekend te kunnen scoren. Zo’n nadere toelichting is niet in strijd met het arrest KPN/Staat. 4.8. Ten aanzien van de opmerking van Stedin in haar brief van 3 maart 2026 dat het door D&B in haar inschrijving genoemde risico van ‘onvoldoende meewerken van de latende partij’ als een risico buiten de invloedssfeer in het geval van D&B – als huidige partner van Stedin – “ een hypothetisch risico en mogelijk niet het belangrijkste risico buiten de invloedsfeer ” van D&B is, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Aan D&B kan worden toegegeven dat deze opmerking niet in het gunningsvoornemen staat, en dus in zoverre nieuw is, en dat deze opmerking bovendien strijdig is met het door Stedin zelf geformuleerde uitgangspunt dat – geparafraseerd weergegeven – iedere inschrijver er in haar inschrijving vanuit moet gaan dat zij niet de huidige partner van Stedin is. De voorzieningenrechter kwalificeert deze opmerking echter niet als een nieuw argument om de inschrijving van D&B op subcriterium K4 als ‘goed’ te waarderen, maar als een onhandig geformuleerde aanvulling/opmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4 (zie hiervoor ook overweging 4.26. hierna). De motivering van het gunningsvoornemen 4.9. D&B stelt zich verder op het standpunt dat Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat zij – kort gezegd – niet alle kenmerken van de (winnende) inschrijving van Trigion heeft medegedeeld om zo D&B in staat te stellen te beoordelen of Stedin de inschrijving van Trigion mogelijk onjuist of te gunstig heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt. 4.10. Voor wat betreft de motiveringsplicht van een gunningsvoornemen geldt dat die wordt beperkt doordat het aan een aanbestedende dienst niet is toegestaan bedrijfsvertrouwelijke informatie van andere inschrijvers aan een inschrijver te verstrekken. De motiveringsplicht is bovendien (slechts) bedoeld om de betreffende inschrijver te informeren en voor die inschrijver voldoende effectieve rechtsbescherming tegen het gunningsvoornemen mogelijk te maken. Zoals Stedin terecht stelt gaat de motiveringsplicht van een aanbestedende dienst niet zo ver dat zij ook inzicht moet verschaffen in de inschrijving van de voorlopige winnaar, om zo een niet uitgekozen inschrijver de gelegenheid te geven de beoordeling van de aanbestedende dienst over te doen. Het is niet aan een inschrijver om de inschrijving van een andere partij te beoordelen; dat is voorbehouden aan de aanbestedende dienst, hier Stedin. Het voorgaande laat onverlet dat niet ondenkbaar is dat een verdergaande motiveringsverplichting moet worden aangenomen als er voorshands redenen zijn om aan de juistheid van de beoordeling van de inschrijving van de winnaar te twijfelen. 4.11. Van dergelijke redenen is geen sprake. D&B heeft in feite slechts in het algemeen gesteld dat het zou kunnen dat de inschrijving van Trigion op onderdelen te hoog is gescoord. Dit noopt niet tot een verdergaande motiveringsverplichting van Stedin. Voor het overige is Stedin in het gunningsvoornemen voldoende ingegaan op de scores van Trigion. Stedin heeft immers de scores per (sub)gunningscriterium en de totaalscore van Trigion bekendgemaakt. Aangezien Trigion op geen enkel subcriterium van het gunningscriterium kwaliteit hoger heeft gescoord dan D&B, is de voorzieningenrechter bovendien met Stedin van oordeel dat Stedin niet verplicht was om de relatieve voordelen en kenmerken van de inschrijving van Trigion met betrekking tot de subcriteria nader te benoemen. Het is in dit geval voldoende dat D&B uit het gunningsvoornemen kan afleiden dat Trigion voor wat betreft de subcriteria van het gunningscriterium kwaliteit gelijk aan of minder goed dan D&B heeft gescoord en dat Trigion op het gunningscriterium prijs beter heeft gescoord dan D&B. De (motivering van de) beoordeling van de inschrijving van D&B 4.12. D&B is het verder niet eens met de manier waarop haar inschrijving door Stedin is beoordeeld en met de motivering die Stedin daarvan heeft verstrekt.
Volledig
Verder merkt de voorzieningenrechter op dat tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken dat tot nu toe slechts een deels zwartgelakte dagvaarding en ook deels zwartgelakte bijlagen van D&B en Stedin aan Trigion ter beschikking zijn gesteld. D&B, Stedin en de voorzieningenrechter beschikken wel over de volledige dagvaarding en bijlagen (dus zonder zwartgelakte gedeelten). Partijen hebben afgesproken dat de voorzieningenrechter in principe uitspraak doet op basis van de volledige dagvaarding en bijlagen. Alleen in het geval dat de voorzieningenrechter zou overwegen enige vordering van D&B toe te wijzen, moet, eventueel na verder partijdebat op dat punt, worden beslist of de volledige dagvaarding en bijlagen ook aan Trigion ter beschikking worden gesteld of dat de voorzieningenrechter, vanwege de equality of arms, op basis van de aan Trigion ter beschikking gestelde deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen dient te beslissen. Zoals hierna zal blijken, wijst de voorzieningenrechter alle vorderingen van D&B af. Aan een nader debat over de deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen wordt om die reden niet toegekomen. Er is geen sprake van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen 4.5. D&B voert in de eerste plaats aan dat Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) heeft aangevuld. Dit is in strijd met het arrest KPN/Staat, aldus D&B. De voorzieningenrechter volgt D&B hier niet in. 4.6. Naar aanleiding van het bezwaar van D&B tegen het gunningsvoornemen heeft Stedin op 5 november 2025 een brief gestuurd, waarin Stedin op de bezwaren van D&B heeft gereageerd. Weliswaar heeft Stedin in die brief enige nadere toelichting verschaft en dus niet enkel de bewoordingen van het gunningsvoornemen herhaald, maar dat is niet ongeoorloofd. Stedin noemt in haar brief namelijk geen nieuwe argumenten ten aanzien van de beoordeling van de inschrijving van D&B. Stedin geeft slechts een toelichting op de al in het gunningsvoornemen vermelde punten waarop de inschrijving van D&B – naar het oordeel van de beoordelingscommissie van Stedin – tekortschiet om de hoogste score ‘uitstekend’ te halen. 4.7. Het voorgaande is helder inzichtelijk in een brief van Stedin van 3 maart 2026, waarin Stedin de bewoordingen van het gunningsvoornemen én haar reactie op het bezwaar van D&B heeft gecombineerd. Zo noemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 in het gunningsvoornemen “ Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht ”. Stedin geeft hier in de brief van 3 maart 2026 een nadere toelichting op, door – met voorbeelden – uit te leggen dat de onderbouwing van D&B op punten enkel gericht is op het operationele deel (de hosts) en niet op het servicemanagement, en dat “ Stedin graag [had] teruggezien hoe [de] mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden ”. Verder benoemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) benoemt. In de brief van 3 maart 2026 licht Stedin nader toe waarom zij dit wel van D&B had verwacht én mocht verwachten om van het judicium goed naar het judicium uitstekend te kunnen komen. Van een nieuw argument is geen sprake. Ook ten aanzien van subcriteria K3 en K4 is geen sprake van nieuwe argumenten. Stedin heeft in haar brief van 3 maart 2026 enkel nader toegelicht waarom, onder meer, de rol van de regievoerder van Stedin onvoldoende terugkomt en de rapportagewijze uitgebreider omschreven had moeten worden om uitstekend te kunnen scoren. Zo’n nadere toelichting is niet in strijd met het arrest KPN/Staat. 4.8. Ten aanzien van de opmerking van Stedin in haar brief van 3 maart 2026 dat het door D&B in haar inschrijving genoemde risico van ‘onvoldoende meewerken van de latende partij’ als een risico buiten de invloedssfeer in het geval van D&B – als huidige partner van Stedin – “ een hypothetisch risico en mogelijk niet het belangrijkste risico buiten de invloedsfeer ” van D&B is, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Aan D&B kan worden toegegeven dat deze opmerking niet in het gunningsvoornemen staat, en dus in zoverre nieuw is, en dat deze opmerking bovendien strijdig is met het door Stedin zelf geformuleerde uitgangspunt dat – geparafraseerd weergegeven – iedere inschrijver er in haar inschrijving vanuit moet gaan dat zij niet de huidige partner van Stedin is. De voorzieningenrechter kwalificeert deze opmerking echter niet als een nieuw argument om de inschrijving van D&B op subcriterium K4 als ‘goed’ te waarderen, maar als een onhandig geformuleerde aanvulling/opmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4 (zie hiervoor ook overweging 4.26. hierna). De motivering van het gunningsvoornemen 4.9. D&B stelt zich verder op het standpunt dat Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat zij – kort gezegd – niet alle kenmerken van de (winnende) inschrijving van Trigion heeft medegedeeld om zo D&B in staat te stellen te beoordelen of Stedin de inschrijving van Trigion mogelijk onjuist of te gunstig heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt. 4.10. Voor wat betreft de motiveringsplicht van een gunningsvoornemen geldt dat die wordt beperkt doordat het aan een aanbestedende dienst niet is toegestaan bedrijfsvertrouwelijke informatie van andere inschrijvers aan een inschrijver te verstrekken. De motiveringsplicht is bovendien (slechts) bedoeld om de betreffende inschrijver te informeren en voor die inschrijver voldoende effectieve rechtsbescherming tegen het gunningsvoornemen mogelijk te maken. Zoals Stedin terecht stelt gaat de motiveringsplicht van een aanbestedende dienst niet zo ver dat zij ook inzicht moet verschaffen in de inschrijving van de voorlopige winnaar, om zo een niet uitgekozen inschrijver de gelegenheid te geven de beoordeling van de aanbestedende dienst over te doen. Het is niet aan een inschrijver om de inschrijving van een andere partij te beoordelen; dat is voorbehouden aan de aanbestedende dienst, hier Stedin. Het voorgaande laat onverlet dat niet ondenkbaar is dat een verdergaande motiveringsverplichting moet worden aangenomen als er voorshands redenen zijn om aan de juistheid van de beoordeling van de inschrijving van de winnaar te twijfelen. 4.11. Van dergelijke redenen is geen sprake. D&B heeft in feite slechts in het algemeen gesteld dat het zou kunnen dat de inschrijving van Trigion op onderdelen te hoog is gescoord. Dit noopt niet tot een verdergaande motiveringsverplichting van Stedin. Voor het overige is Stedin in het gunningsvoornemen voldoende ingegaan op de scores van Trigion. Stedin heeft immers de scores per (sub)gunningscriterium en de totaalscore van Trigion bekendgemaakt. Aangezien Trigion op geen enkel subcriterium van het gunningscriterium kwaliteit hoger heeft gescoord dan D&B, is de voorzieningenrechter bovendien met Stedin van oordeel dat Stedin niet verplicht was om de relatieve voordelen en kenmerken van de inschrijving van Trigion met betrekking tot de subcriteria nader te benoemen. Het is in dit geval voldoende dat D&B uit het gunningsvoornemen kan afleiden dat Trigion voor wat betreft de subcriteria van het gunningscriterium kwaliteit gelijk aan of minder goed dan D&B heeft gescoord en dat Trigion op het gunningscriterium prijs beter heeft gescoord dan D&B. De (motivering van de) beoordeling van de inschrijving van D&B 4.12. D&B is het verder niet eens met de manier waarop haar inschrijving door Stedin is beoordeeld en met de motivering die Stedin daarvan heeft verstrekt.
Volledig
D&B voert – kort gezegd – aan dat (i) Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken, (ii) de motivering van de beoordeling van de inschrijving van D&B op punten onvoldoende en/of onbegrijpelijk is en (iii) de beoordelingscommissie op punten een nieuw beoordelingscriterium heeft geïntroduceerd. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 4.13. Voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria geldt als uitgangspunt dat de voorzieningenrechter slechts een beperkte beoordelingsruimte heeft. De voorzieningenrechter moet in principe uitgaan van de deskundigheid van de beoordelingscommissie. Aan deze beoordelingscommissie moet de nodige vrijheid worden gegund. Slechts wanneer sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling of procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden/onduidelijkheden die meebrengen dat het gunningsvoornemen duidelijk niet overtuigt, is plaats voor ingrijpen door de rechter. 4.14. Daarnaast is bij een beoordelingssystematiek zoals in deze zaak aan de orde, uitgangspunt dat een inschrijver in eigen bewoordingen moet aangeven op welke wijze de door de aanbestedende dienst verlangde kwaliteit wordt geleverd. Daarmee wordt een inschrijver in de gelegenheid gesteld om zich te onderscheiden van andere inschrijvers en kan hij zijn meerwaarde aantonen. Mede gelet hierop hoeft een aanbestedende dienst ook niet concreet aan te geven wat nodig is om een maximale score op een kwalitatief (sub)gunningscriterium te behalen. Als een aanbestedende dienst daartoe wel zou zijn gehouden, wordt immers iedere innovatie, creativiteit of ieder zelfstandig denkproces bij inschrijvers weggenomen. Ten aanzien van de duidelijke toegevoegde waarde 4.15. D&B stelt dat Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken en dat de motivering van het gunningsvoornemen alleen al daarom onnavolgbaar is. Uit wat hiervoor in 4.14. is overwogen, volgt echter dat het niet aan Stedin is om aan een inschrijver uit te leggen hoe de inschrijving van D&B duidelijke toegevoegde waarde had kunnen hebben. Stedin heeft haar inschrijving op dit punt als goed beoordeeld. De verlangde duidelijke toegevoegde waarde, die nodig was om ‘uitstekend’ te scoren op de subcriteria voor het gunningscriterium kwaliteit, kon naar eigen inzicht van de inschrijvers worden ingevuld. De inschrijvers konden daarmee laten zien dat zij de onderneming van Stedin en de Opdracht hebben begrepen, en zij konden laten zien net een stap extra te kunnen zetten ten opzichte van de vereisten van de Opdracht. Op dat punt is eigen initiatief en een eigen visie noodzakelijk. Het is niet aan Stedin om dit (achteraf) voor de inschrijvers in te vullen. Ten aanzien van subcriterium K2 4.16. Volgens D&B heeft Stedin ten aanzien van subcriterium K2 het gunningsvoornemen op niet-toegestane wijze aangevuld en is er op dit punt sprake van een duidelijk onjuiste beoordeling in het licht van het beoordelingskader. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt. 4.17. Hiervoor in overwegingen 4.5. tot en met 4.8. is al overwogen dat de brief van 5 november 2025 geen ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is, maar (slechts) een toelichting op het gunningsvoornemen. Ook de opmerking van Stedin in de brief van 5 november 2025 dat “Stedin graag [had] teruggezien hoe deze mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden” beschouwt de voorzieningenrechter niet als een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen. In het gunningsvoornemen heeft Stedin opgemerkt “Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht”. De zinsnede “zowel vast als flexibele schil” in de brief van 5 november 2025 begrijpt de voorzieningenrechter aldus, dat Stedin expliciteert dat zij graag had gezien dat D&B in haar inschrijving niet alleen ten aanzien van de vaste medewerkers had uitgelegd hoe de mystery visits zouden worden ingepland zodat iedereen beoordeeld zou worden, maar ook ten aanzien van de flexibele schil. Dat is slechts een verduidelijking van de eerdere, zeer beknopte, motivering op dit punt. Van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is geen sprake. 4.18. Tegen de achtergrond van de beperkte beoordelingsruimte die de voorzieningenrechter voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria heeft, kan het bezwaar van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K2 niet worden gehonoreerd. Uit het gunningsvoornemen blijkt dat D&B niet naar volle tevredenheid van de beoordelingscommissie uiteen heeft gezet hoe de borging van de ontwikkeling van het servicemanagement en de flexibele schil is ingericht. Stedin heeft dit naar aanleiding van het bezwaar van D&B nog nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. D&B heeft vervolgens niet meer uitgelegd waarom ook na deze nadere toelichting, waarvan hiervoor al is geoordeeld dat die geoorloofd is, sprake is van een onvoldoende motivering van het gunningsvoornemen. Voor wat betreft het standpunt van D&B dat de beoordelingscommissie ten onrechte heeft opgemerkt dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) heeft benoemd, merkt de voorzieningenrechter op dat uit de eis dat de inschrijving SMART moest worden uitgewerkt volgt dat de inschrijving Meetbaar moest zijn. Twee van de beoordelingsaspecten binnen subcriterium K2 zijn “Hoe wordt invulling gegeven aan het inrichten van de formatie, functie-invulling en de Single Point of Contact” en “Hoe gaat inschrijver om met flexibiliteit van al het in te zetten personeel”. Deze aspecten hebben (ook) te maken met aantallen en uren van in te zetten medewerkers. Niet in geschil is dat de inschrijving van D&B op dit punt meetbaarder was geweest als D&B de inzet van personeel had gekwantificeerd, ook al werd niet expliciet gevraagd om deze kwantificering. Daarbij doet niet ter zake dat die kwantificering elders (het prijzenblad) wel was gevraagd. De beoordelingscommissie is op dit punt dan ook niet buiten het beoordelingskader getreden. Ten aanzien van subcriterium K3 4.19. Ook de bezwaren van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K3 kunnen niet worden gehonoreerd. 4.20. Door in de motivering van de score van de inschrijving van D&B te verwijzen naar het onvoldoende terugkomen van de rol van de Stedin regievoerder, heeft het beoordelingsteam geen nieuw beoordelingscriterium geïntroduceerd maar een lacune in de inschrijving van D&B benoemd. Daarmee is niet buiten het beoordelingskader getreden. 4.21. Voor wat betreft het punt in de motivering dat het beoordelingsteam de rapportagewijze graag uitgebreider omschreven terug had willen zien, constateert de voorzieningenrechter dat Stedin in haar brief van 5 november 2025 heeft toegelicht dat D&B weliswaar aangeeft zich aan de verantwoordingsstructuur te zullen committeren en dat meldingen in FMIS worden geregistreerd, maar dat niet op de rapportagestructuur of wijze van rapportage is ingegaan. Daarmee is voldoende toegelicht waar het in de inschrijving van D&B aan schortte. Er is geen sprake van een onnavolgbare motivering. 4.22. Hetzelfde geldt voor de motivering dat de samenwerking met specifiek de ketenpartner ‘Hard Services’ uitgebreider omschreven had kunnen worden. Stedin heeft dit nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. In die nadere toelichting heeft Stedin vermeld dat de samenwerking met Hard Services met name gaat over technische beveiliging en dus ook ziet op de locaties zonder bezetting.
Volledig
D&B voert – kort gezegd – aan dat (i) Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken, (ii) de motivering van de beoordeling van de inschrijving van D&B op punten onvoldoende en/of onbegrijpelijk is en (iii) de beoordelingscommissie op punten een nieuw beoordelingscriterium heeft geïntroduceerd. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 4.13. Voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria geldt als uitgangspunt dat de voorzieningenrechter slechts een beperkte beoordelingsruimte heeft. De voorzieningenrechter moet in principe uitgaan van de deskundigheid van de beoordelingscommissie. Aan deze beoordelingscommissie moet de nodige vrijheid worden gegund. Slechts wanneer sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling of procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden/onduidelijkheden die meebrengen dat het gunningsvoornemen duidelijk niet overtuigt, is plaats voor ingrijpen door de rechter. 4.14. Daarnaast is bij een beoordelingssystematiek zoals in deze zaak aan de orde, uitgangspunt dat een inschrijver in eigen bewoordingen moet aangeven op welke wijze de door de aanbestedende dienst verlangde kwaliteit wordt geleverd. Daarmee wordt een inschrijver in de gelegenheid gesteld om zich te onderscheiden van andere inschrijvers en kan hij zijn meerwaarde aantonen. Mede gelet hierop hoeft een aanbestedende dienst ook niet concreet aan te geven wat nodig is om een maximale score op een kwalitatief (sub)gunningscriterium te behalen. Als een aanbestedende dienst daartoe wel zou zijn gehouden, wordt immers iedere innovatie, creativiteit of ieder zelfstandig denkproces bij inschrijvers weggenomen. Ten aanzien van de duidelijke toegevoegde waarde 4.15. D&B stelt dat Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken en dat de motivering van het gunningsvoornemen alleen al daarom onnavolgbaar is. Uit wat hiervoor in 4.14. is overwogen, volgt echter dat het niet aan Stedin is om aan een inschrijver uit te leggen hoe de inschrijving van D&B duidelijke toegevoegde waarde had kunnen hebben. Stedin heeft haar inschrijving op dit punt als goed beoordeeld. De verlangde duidelijke toegevoegde waarde, die nodig was om ‘uitstekend’ te scoren op de subcriteria voor het gunningscriterium kwaliteit, kon naar eigen inzicht van de inschrijvers worden ingevuld. De inschrijvers konden daarmee laten zien dat zij de onderneming van Stedin en de Opdracht hebben begrepen, en zij konden laten zien net een stap extra te kunnen zetten ten opzichte van de vereisten van de Opdracht. Op dat punt is eigen initiatief en een eigen visie noodzakelijk. Het is niet aan Stedin om dit (achteraf) voor de inschrijvers in te vullen. Ten aanzien van subcriterium K2 4.16. Volgens D&B heeft Stedin ten aanzien van subcriterium K2 het gunningsvoornemen op niet-toegestane wijze aangevuld en is er op dit punt sprake van een duidelijk onjuiste beoordeling in het licht van het beoordelingskader. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt. 4.17. Hiervoor in overwegingen 4.5. tot en met 4.8. is al overwogen dat de brief van 5 november 2025 geen ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is, maar (slechts) een toelichting op het gunningsvoornemen. Ook de opmerking van Stedin in de brief van 5 november 2025 dat “Stedin graag [had] teruggezien hoe deze mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden” beschouwt de voorzieningenrechter niet als een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen. In het gunningsvoornemen heeft Stedin opgemerkt “Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht”. De zinsnede “zowel vast als flexibele schil” in de brief van 5 november 2025 begrijpt de voorzieningenrechter aldus, dat Stedin expliciteert dat zij graag had gezien dat D&B in haar inschrijving niet alleen ten aanzien van de vaste medewerkers had uitgelegd hoe de mystery visits zouden worden ingepland zodat iedereen beoordeeld zou worden, maar ook ten aanzien van de flexibele schil. Dat is slechts een verduidelijking van de eerdere, zeer beknopte, motivering op dit punt. Van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is geen sprake. 4.18. Tegen de achtergrond van de beperkte beoordelingsruimte die de voorzieningenrechter voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria heeft, kan het bezwaar van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K2 niet worden gehonoreerd. Uit het gunningsvoornemen blijkt dat D&B niet naar volle tevredenheid van de beoordelingscommissie uiteen heeft gezet hoe de borging van de ontwikkeling van het servicemanagement en de flexibele schil is ingericht. Stedin heeft dit naar aanleiding van het bezwaar van D&B nog nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. D&B heeft vervolgens niet meer uitgelegd waarom ook na deze nadere toelichting, waarvan hiervoor al is geoordeeld dat die geoorloofd is, sprake is van een onvoldoende motivering van het gunningsvoornemen. Voor wat betreft het standpunt van D&B dat de beoordelingscommissie ten onrechte heeft opgemerkt dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) heeft benoemd, merkt de voorzieningenrechter op dat uit de eis dat de inschrijving SMART moest worden uitgewerkt volgt dat de inschrijving Meetbaar moest zijn. Twee van de beoordelingsaspecten binnen subcriterium K2 zijn “Hoe wordt invulling gegeven aan het inrichten van de formatie, functie-invulling en de Single Point of Contact” en “Hoe gaat inschrijver om met flexibiliteit van al het in te zetten personeel”. Deze aspecten hebben (ook) te maken met aantallen en uren van in te zetten medewerkers. Niet in geschil is dat de inschrijving van D&B op dit punt meetbaarder was geweest als D&B de inzet van personeel had gekwantificeerd, ook al werd niet expliciet gevraagd om deze kwantificering. Daarbij doet niet ter zake dat die kwantificering elders (het prijzenblad) wel was gevraagd. De beoordelingscommissie is op dit punt dan ook niet buiten het beoordelingskader getreden. Ten aanzien van subcriterium K3 4.19. Ook de bezwaren van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K3 kunnen niet worden gehonoreerd. 4.20. Door in de motivering van de score van de inschrijving van D&B te verwijzen naar het onvoldoende terugkomen van de rol van de Stedin regievoerder, heeft het beoordelingsteam geen nieuw beoordelingscriterium geïntroduceerd maar een lacune in de inschrijving van D&B benoemd. Daarmee is niet buiten het beoordelingskader getreden. 4.21. Voor wat betreft het punt in de motivering dat het beoordelingsteam de rapportagewijze graag uitgebreider omschreven terug had willen zien, constateert de voorzieningenrechter dat Stedin in haar brief van 5 november 2025 heeft toegelicht dat D&B weliswaar aangeeft zich aan de verantwoordingsstructuur te zullen committeren en dat meldingen in FMIS worden geregistreerd, maar dat niet op de rapportagestructuur of wijze van rapportage is ingegaan. Daarmee is voldoende toegelicht waar het in de inschrijving van D&B aan schortte. Er is geen sprake van een onnavolgbare motivering. 4.22. Hetzelfde geldt voor de motivering dat de samenwerking met specifiek de ketenpartner ‘Hard Services’ uitgebreider omschreven had kunnen worden. Stedin heeft dit nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. In die nadere toelichting heeft Stedin vermeld dat de samenwerking met Hard Services met name gaat over technische beveiliging en dus ook ziet op de locaties zonder bezetting.
Volledig
In het licht daarvan begrijpt de voorzieningenrechter de opmerking van Stedin in het gunningsvoornemen “Er had meer diepgang gegeven kunnen worden over hoe omgegaan wordt met locaties zonder bezetting” aldus, dat dit samenhangt met de wens van het beoordelingsteam dat D&B de samenwerking met ketenpartners als Hard Services uitgebreider had omschreven. De beoordelingscommissie is op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft niet in strijd met het transparantie- en/of gelijkheidsbeginsel gehandeld. 4.23. D&B heeft overigens ook niet uitgelegd waarom (ook) na de nadere toelichting nog sprake zou zijn van een onduidelijke en/of onnavolgbare motivering van de beoordeling op subcriterium K3. Ten aanzien van subcriterium K4 4.24. Tot slot worden ook de bezwaren van D&B tegen (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K4 niet gevolgd. Van inschrijvers is in het kader van dit subcriterium onder meer gevraagd om de belangrijkste risico’s die zij zien in de implementatieperiode te beschrijven, met daarbij een onderscheid tussen een risico binnen en een risico buiten de invloedsfeer van de inschrijver. 4.25. D&B heeft als belangrijkste risico binnen haar invloedsfeer het risico van een culturele mismatch van de teamleider benoemd. In het gunningsvoornemen staat “Het risico van een culturele mismatch is benoemd, maar het is de beoordelaars niet duidelijk waarom dit alleen bij de Teamleider speelt en niet in een breder geheel”. In de brief van 5 november 2025 heeft Stedin dit als volgt verduidelijkt: “Op basis van de inschrijving is het de beoordelingscommissie niet duidelijk geworden waarom D&B specifiek de culturele mismatch bij de Teamleider als belangrijkste risico heeft benoemd, en dit bijvoorbeeld niet in breder verband heeft geplaatst”. Anders dan D&B meent, vormt deze verduidelijking geen nieuw of zwaarder normatief beoordelingselement. De verduidelijking is in feite een herhaling in iets andere woorden en geeft aan dat Stedin de inschrijving op dit punt niet helemaal kon volgen. Dat is niet onbegrijpelijk en in het licht van de vereiste SMART-uitwerking van het antwoord, had het op de weg van D&B gelegen om dit uit te leggen om in plaats van ‘goed’ ‘uitstekend’ te kunnen scoren. De beoordelingscommissie is niet buiten het beoordelingskader getreden door hier een punt van te maken. 4.26. D&B heeft als belangrijkste risico buiten haar invloedsfeer het onvoldoende meewerken van de latende partij benoemd. In het gunningsvoornemen stelt de beoordelingscommissie terecht voorop dat van inschrijvers wordt gevraagd in te schrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert (dus ook in het geval van D&B, die op dit moment de dienst bij Stedin uitvoert, en aan wie dus wordt gevraagd daarvan te abstraheren). Tegen deze achtergrond wordt het door D&B benoemde risico in het gunningsvoornemen gekwalificeerd als “een terecht risico met duidelijk mitigerende maatregelen waar persoonlijk contact onderdeel van uitmaakt”. Aan D&B kan worden toegegeven dat dit risico in de brief van 5 november 2025 ten onrechte wordt afgewaardeerd tot een (in het geval van D&B) hypothetisch risico. Dit is immers in strijd met het voor alle inschrijvers geldende uitgangspunt, dat iedere inschrijver moet inschrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert. De voorzieningenrechter kwalificeert dit echter als een onhandig geformuleerde opmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4, zoals hiervoor in overweging 4.8. al is overwogen. De voorzieningenrechter begrijpt de combinatie van het gunningsvoornemen, de brief van 5 november 2025 én de brief van 3 maart 2026 zo, dat Stedin heeft bedoeld te zeggen dat het onvoldoende meewerken van de latende partij weliswaar een terecht risico vormt, maar dat onvoldoende duidelijk is dat dit het belangrijkste risico is dat genoemd had kunnen worden en dat daarom – zowel aan D&B als aan de overige inschrijvers die dit risico hebben genoemd – niet het maximale aantal punten is toegekend. Het feit dat het door D&B genoemde risico in het gunningsvoornemen als een terecht risico is gekwalificeerd, vormt, in combinatie met de score goed op dit punt, een sterke aanwijzing dat de beoordelingscommissie de daadwerkelijke puntentoekenning niet heeft verricht op basis van het (verkeerde) uitgangspunt dat het risico voor D&B feitelijk een hypothetisch risico is. Tegen deze achtergrond is de beoordelingscommissie ook op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft de beoordelingscommissie de inschrijving van D&B ook niet op basis van een ander uitgangspunt beoordeeld dan de inschrijvingen van andere inschrijvers. De (nadere) verificatie van de inschrijfprijs van Trigion 4.27. D&B richt tot slot nog een bezwaar tegen de prijs waarmee Trigion heeft ingeschreven. Zoals hiervoor in 3.5. geparafraseerd staat vermeld, houden de aanbestedingsstukken in dat (a) alle afzonderlijke bedragen (waaronder alle eenheidsprijzen) reëel (d.i. vanuit kostenperspectief te verantwoorden) en marktconform (d.i. hetgeen in de markt gebruikelijk is voor opdrachten van een soortgelijke aard en omvang) dienen te zijn, ook in vergelijking/verhouding tot elkaar, en dat (b) niet (ook niet op onderdelen) met symbolische prijzen mag worden ingeschreven. Bij de toets of sprake is van een symbolische prijs wordt uitgegaan van algemeen taalgebruik. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake zijn bij het offreren van een (klein) bedrag dat niet in verhouding staat tot de werkelijke waarde van het product of dienst (zie paragraaf 6.9 van de aanbestedingsvoorwaarden). 4.28. Volgens D&B is de prijs waarmee zij zelf heeft ingeschreven voor een zeer groot deel gebaseerd op vaste gegevens die voor alle inschrijvers gelijk zijn (zie hierna in 4.30.). Tegen die achtergrond heeft Trigion met een prijs ingeschreven die een onverklaarbaar groot verschil vertoont met de inschrijfprijs van D&B zelf en daarom onwaarschijnlijk laag is en in strijd met de eisen in de aanbestedingsstukken op dit punt. Dit had voor Stedin aanleiding moeten zijn om de inschrijfprijs van Trigion (nader) te verifiëren. De voorzieningenrechter volgt D&B ook hier niet in. 4.29. Ten aanzien van de inhoud van inschrijvingen, de hoogte van de prijs daaronder begrepen, is vaste jurisprudentie dat de aanbestedende dienst mag uitgaan van de juistheid van verklaringen van de inschrijver. Dat betekent ook dat pas een verplichting tot nader onderzoek naar de inhoud en onderbouwing van een inschrijving ontstaat wanneer gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid daarvan. Er bestaat geen ongeclausuleerde onderzoeksplicht. Het is in dit geval aan D&B om te stellen en, zo nodig, te onderbouwen dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijving van Trigion. Daarbij geldt dat het is toegestaan om strategisch te bieden. De aanbestedende dienst bepaalt op welke wijze de winnaar van de aanbestedingsprocedure wordt vastgesteld. Als de aanbestedende dienst kiest voor een systematiek die strategisch inschrijven mogelijk maakt, mogen alle inschrijvers daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Dat een inschrijver daarvan gebruik maakt, kan haar niet achteraf worden verweten. 4.30. D&B stelt dat zij op basis van het prijsverschil tussen haar eigen inschrijving en de inschrijving van Trigion gerede twijfel heeft of Trigion reële en marktconforme inschrijfprijzen heeft gehanteerd en/of alle benodigde onderdelen (waaronder, maar niet uitsluitend, meldkamer- en surveillancediensten) in haar inschrijfprijs heeft verdisconteerd. Volgens D&B is het zonder nadere toelichting volstrekt onbegrijpelijk en voorshands onmogelijk dat Trigion een dergelijke significant lagere prijs kan aanbieden, rekening houdend met (1) de minimale inzet per locatie, (2) de huidige inzet van de medewerkers, (3) het feit dat de loonkosten een significant deel van de inschrijfsom beslaan en (4) het feit dat de verloning voor alle partijen gelijk is op basis van de toepasselijke CAO. 4.31.
Volledig
In het licht daarvan begrijpt de voorzieningenrechter de opmerking van Stedin in het gunningsvoornemen “Er had meer diepgang gegeven kunnen worden over hoe omgegaan wordt met locaties zonder bezetting” aldus, dat dit samenhangt met de wens van het beoordelingsteam dat D&B de samenwerking met ketenpartners als Hard Services uitgebreider had omschreven. De beoordelingscommissie is op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft niet in strijd met het transparantie- en/of gelijkheidsbeginsel gehandeld. 4.23. D&B heeft overigens ook niet uitgelegd waarom (ook) na de nadere toelichting nog sprake zou zijn van een onduidelijke en/of onnavolgbare motivering van de beoordeling op subcriterium K3. Ten aanzien van subcriterium K4 4.24. Tot slot worden ook de bezwaren van D&B tegen (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K4 niet gevolgd. Van inschrijvers is in het kader van dit subcriterium onder meer gevraagd om de belangrijkste risico’s die zij zien in de implementatieperiode te beschrijven, met daarbij een onderscheid tussen een risico binnen en een risico buiten de invloedsfeer van de inschrijver. 4.25. D&B heeft als belangrijkste risico binnen haar invloedsfeer het risico van een culturele mismatch van de teamleider benoemd. In het gunningsvoornemen staat “Het risico van een culturele mismatch is benoemd, maar het is de beoordelaars niet duidelijk waarom dit alleen bij de Teamleider speelt en niet in een breder geheel”. In de brief van 5 november 2025 heeft Stedin dit als volgt verduidelijkt: “Op basis van de inschrijving is het de beoordelingscommissie niet duidelijk geworden waarom D&B specifiek de culturele mismatch bij de Teamleider als belangrijkste risico heeft benoemd, en dit bijvoorbeeld niet in breder verband heeft geplaatst”. Anders dan D&B meent, vormt deze verduidelijking geen nieuw of zwaarder normatief beoordelingselement. De verduidelijking is in feite een herhaling in iets andere woorden en geeft aan dat Stedin de inschrijving op dit punt niet helemaal kon volgen. Dat is niet onbegrijpelijk en in het licht van de vereiste SMART-uitwerking van het antwoord, had het op de weg van D&B gelegen om dit uit te leggen om in plaats van ‘goed’ ‘uitstekend’ te kunnen scoren. De beoordelingscommissie is niet buiten het beoordelingskader getreden door hier een punt van te maken. 4.26. D&B heeft als belangrijkste risico buiten haar invloedsfeer het onvoldoende meewerken van de latende partij benoemd. In het gunningsvoornemen stelt de beoordelingscommissie terecht voorop dat van inschrijvers wordt gevraagd in te schrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert (dus ook in het geval van D&B, die op dit moment de dienst bij Stedin uitvoert, en aan wie dus wordt gevraagd daarvan te abstraheren). Tegen deze achtergrond wordt het door D&B benoemde risico in het gunningsvoornemen gekwalificeerd als “een terecht risico met duidelijk mitigerende maatregelen waar persoonlijk contact onderdeel van uitmaakt”. Aan D&B kan worden toegegeven dat dit risico in de brief van 5 november 2025 ten onrechte wordt afgewaardeerd tot een (in het geval van D&B) hypothetisch risico. Dit is immers in strijd met het voor alle inschrijvers geldende uitgangspunt, dat iedere inschrijver moet inschrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert. De voorzieningenrechter kwalificeert dit echter als een onhandig geformuleerde opmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4, zoals hiervoor in overweging 4.8. al is overwogen. De voorzieningenrechter begrijpt de combinatie van het gunningsvoornemen, de brief van 5 november 2025 én de brief van 3 maart 2026 zo, dat Stedin heeft bedoeld te zeggen dat het onvoldoende meewerken van de latende partij weliswaar een terecht risico vormt, maar dat onvoldoende duidelijk is dat dit het belangrijkste risico is dat genoemd had kunnen worden en dat daarom – zowel aan D&B als aan de overige inschrijvers die dit risico hebben genoemd – niet het maximale aantal punten is toegekend. Het feit dat het door D&B genoemde risico in het gunningsvoornemen als een terecht risico is gekwalificeerd, vormt, in combinatie met de score goed op dit punt, een sterke aanwijzing dat de beoordelingscommissie de daadwerkelijke puntentoekenning niet heeft verricht op basis van het (verkeerde) uitgangspunt dat het risico voor D&B feitelijk een hypothetisch risico is. Tegen deze achtergrond is de beoordelingscommissie ook op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft de beoordelingscommissie de inschrijving van D&B ook niet op basis van een ander uitgangspunt beoordeeld dan de inschrijvingen van andere inschrijvers. De (nadere) verificatie van de inschrijfprijs van Trigion 4.27. D&B richt tot slot nog een bezwaar tegen de prijs waarmee Trigion heeft ingeschreven. Zoals hiervoor in 3.5. geparafraseerd staat vermeld, houden de aanbestedingsstukken in dat (a) alle afzonderlijke bedragen (waaronder alle eenheidsprijzen) reëel (d.i. vanuit kostenperspectief te verantwoorden) en marktconform (d.i. hetgeen in de markt gebruikelijk is voor opdrachten van een soortgelijke aard en omvang) dienen te zijn, ook in vergelijking/verhouding tot elkaar, en dat (b) niet (ook niet op onderdelen) met symbolische prijzen mag worden ingeschreven. Bij de toets of sprake is van een symbolische prijs wordt uitgegaan van algemeen taalgebruik. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake zijn bij het offreren van een (klein) bedrag dat niet in verhouding staat tot de werkelijke waarde van het product of dienst (zie paragraaf 6.9 van de aanbestedingsvoorwaarden). 4.28. Volgens D&B is de prijs waarmee zij zelf heeft ingeschreven voor een zeer groot deel gebaseerd op vaste gegevens die voor alle inschrijvers gelijk zijn (zie hierna in 4.30.). Tegen die achtergrond heeft Trigion met een prijs ingeschreven die een onverklaarbaar groot verschil vertoont met de inschrijfprijs van D&B zelf en daarom onwaarschijnlijk laag is en in strijd met de eisen in de aanbestedingsstukken op dit punt. Dit had voor Stedin aanleiding moeten zijn om de inschrijfprijs van Trigion (nader) te verifiëren. De voorzieningenrechter volgt D&B ook hier niet in. 4.29. Ten aanzien van de inhoud van inschrijvingen, de hoogte van de prijs daaronder begrepen, is vaste jurisprudentie dat de aanbestedende dienst mag uitgaan van de juistheid van verklaringen van de inschrijver. Dat betekent ook dat pas een verplichting tot nader onderzoek naar de inhoud en onderbouwing van een inschrijving ontstaat wanneer gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid daarvan. Er bestaat geen ongeclausuleerde onderzoeksplicht. Het is in dit geval aan D&B om te stellen en, zo nodig, te onderbouwen dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijving van Trigion. Daarbij geldt dat het is toegestaan om strategisch te bieden. De aanbestedende dienst bepaalt op welke wijze de winnaar van de aanbestedingsprocedure wordt vastgesteld. Als de aanbestedende dienst kiest voor een systematiek die strategisch inschrijven mogelijk maakt, mogen alle inschrijvers daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Dat een inschrijver daarvan gebruik maakt, kan haar niet achteraf worden verweten. 4.30. D&B stelt dat zij op basis van het prijsverschil tussen haar eigen inschrijving en de inschrijving van Trigion gerede twijfel heeft of Trigion reële en marktconforme inschrijfprijzen heeft gehanteerd en/of alle benodigde onderdelen (waaronder, maar niet uitsluitend, meldkamer- en surveillancediensten) in haar inschrijfprijs heeft verdisconteerd. Volgens D&B is het zonder nadere toelichting volstrekt onbegrijpelijk en voorshands onmogelijk dat Trigion een dergelijke significant lagere prijs kan aanbieden, rekening houdend met (1) de minimale inzet per locatie, (2) de huidige inzet van de medewerkers, (3) het feit dat de loonkosten een significant deel van de inschrijfsom beslaan en (4) het feit dat de verloning voor alle partijen gelijk is op basis van de toepasselijke CAO. 4.31.
Volledig
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het enkele feit dat sprake is van een (significant) prijsverschil tussen de inschrijvingen van D&B en Trigion onvoldoende is om tot de conclusie te dwingen dat Stedin de inschrijfprijs van Trigion (nader) had moeten verifiëren. Zeker als, zoals in dit geval, volgens de algemene mededelingen van Stedin op dit punt, de inschrijfprijs van Trigion dicht bij de inschrijfprijzen van de overige twee inschrijvers ligt en de inschrijfprijs van D&B daar als enige duidelijk bovenuit steekt. Dat is eerder een aanwijzing dat D&B haar inschrijfprijs relatief hoog heeft ingestoken. Ook de overige stellingen van D&B dwingen, mede in het licht van wat Stedin en Trigion daar tegenover hebben gesteld, niet tot een nadere verificatie van de inschrijfprijs van Trigion (of de andere inschrijvers). In dat verband is van belang dat Stedin op dit punt wel enig onderzoek heeft verricht. Zij heeft navraag gedaan bij Trigion en heeft een onafhankelijk adviesbureau gevraagd om de prijzen te bezien. Tijdens de mondelinge behandeling is namens dat door Stedin ingeschakelde adviesbureau toegelicht dat de inschrijfprijzen van de inschrijvers onderling met elkaar zijn vergeleken, waarbij rekening is gehouden met de overname van zittend personeel, de geldende CAO en de grootte van het personeelsbestand. Trigion heeft tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd dat zij daar in haar inschrijfprijs rekening mee heeft gehouden en dat zij heeft gerekend met door Stedin over het personeel van D&B verstrekte gegevens, inclusief bovenschaligheid. D&B heeft tijdens de mondelinge behandeling nog wel aangevoerd dat bij Stedin sprake is van een onevenredig hoog ziekteverzuim van de medewerkers van D&B, maar daar heeft Trigion tegenover gesteld dat ook zij met ziekteverzuim van medewerkers kampt. Dit alles afwegende is geen sprake van een situatie waarin D&B voldoende heeft gesteld én onderbouwd dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijfprijs van Trigion (en de andere inschrijvers) in die zin, dat sprake is van een manipulatieve prijs die in strijd is met de hiervoor onder 4.27 weergegeven eisen. Stedin had dan ook niet de plicht om die inschrijfprijs (nader) te verifiëren. De conclusie 4.32. Alle bezwaren van D&B tegen het gunningsvoornemen en de toelichting daarop zijn gepasseerd, zodat de conclusie is dat alle vorderingen van D&B worden afgewezen. Er bestaat geen grond om Stedin te veroordelen om tot heraanbesteding of herbeoordeling over te gaan. D&B moet de proceskosten van Stedin en Trigion betalen 4.33. D&B is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Stedin en Trigion betalen. 4.34. De proceskosten van Stedin en Trigion worden voor ieder van hen begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.35. De proceskostenveroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: in het incident 5.1. staat Trigion tussen te komen in de procedure tussen D&B en Stedin; 5.2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt; in de hoofdzaak en in de tussenkomst 5.3. wijst de vorderingen van D&B af; 5.4. veroordeelt D&B in de proceskosten van Stedin à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.5. veroordeelt D&B in de proceskosten van Trigion à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.6. verklaart de veroordelingen in 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. 3349 / 106 HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9233.
Volledig
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het enkele feit dat sprake is van een (significant) prijsverschil tussen de inschrijvingen van D&B en Trigion onvoldoende is om tot de conclusie te dwingen dat Stedin de inschrijfprijs van Trigion (nader) had moeten verifiëren. Zeker als, zoals in dit geval, volgens de algemene mededelingen van Stedin op dit punt, de inschrijfprijs van Trigion dicht bij de inschrijfprijzen van de overige twee inschrijvers ligt en de inschrijfprijs van D&B daar als enige duidelijk bovenuit steekt. Dat is eerder een aanwijzing dat D&B haar inschrijfprijs relatief hoog heeft ingestoken. Ook de overige stellingen van D&B dwingen, mede in het licht van wat Stedin en Trigion daar tegenover hebben gesteld, niet tot een nadere verificatie van de inschrijfprijs van Trigion (of de andere inschrijvers). In dat verband is van belang dat Stedin op dit punt wel enig onderzoek heeft verricht. Zij heeft navraag gedaan bij Trigion en heeft een onafhankelijk adviesbureau gevraagd om de prijzen te bezien. Tijdens de mondelinge behandeling is namens dat door Stedin ingeschakelde adviesbureau toegelicht dat de inschrijfprijzen van de inschrijvers onderling met elkaar zijn vergeleken, waarbij rekening is gehouden met de overname van zittend personeel, de geldende CAO en de grootte van het personeelsbestand. Trigion heeft tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd dat zij daar in haar inschrijfprijs rekening mee heeft gehouden en dat zij heeft gerekend met door Stedin over het personeel van D&B verstrekte gegevens, inclusief bovenschaligheid. D&B heeft tijdens de mondelinge behandeling nog wel aangevoerd dat bij Stedin sprake is van een onevenredig hoog ziekteverzuim van de medewerkers van D&B, maar daar heeft Trigion tegenover gesteld dat ook zij met ziekteverzuim van medewerkers kampt. Dit alles afwegende is geen sprake van een situatie waarin D&B voldoende heeft gesteld én onderbouwd dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijfprijs van Trigion (en de andere inschrijvers) in die zin, dat sprake is van een manipulatieve prijs die in strijd is met de hiervoor onder 4.27 weergegeven eisen. Stedin had dan ook niet de plicht om die inschrijfprijs (nader) te verifiëren. De conclusie 4.32. Alle bezwaren van D&B tegen het gunningsvoornemen en de toelichting daarop zijn gepasseerd, zodat de conclusie is dat alle vorderingen van D&B worden afgewezen. Er bestaat geen grond om Stedin te veroordelen om tot heraanbesteding of herbeoordeling over te gaan. D&B moet de proceskosten van Stedin en Trigion betalen 4.33. D&B is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Stedin en Trigion betalen. 4.34. De proceskosten van Stedin en Trigion worden voor ieder van hen begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.35. De proceskostenveroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: in het incident 5.1. staat Trigion tussen te komen in de procedure tussen D&B en Stedin; 5.2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt; in de hoofdzaak en in de tussenkomst 5.3. wijst de vorderingen van D&B af; 5.4. veroordeelt D&B in de proceskosten van Stedin à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.5. veroordeelt D&B in de proceskosten van Trigion à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.6. verklaart de veroordelingen in 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. 3349 / 106 HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9233.