Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-27
ECLI:NL:RBROT:2026:3316
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,050 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3316 text/xml public 2026-04-15T10:00:32 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-27 ROT 25/4444 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3316 text/html public 2026-04-13T08:42:37 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3316 Rechtbank Rotterdam , 27-03-2026 / ROT 25/4444 Tw - in rekening brengen toezichtskosten - beroep ongegrond RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/4444 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen [naam 1] , uit [plaats] , eiser en De minister van Economische Zaken (de minister) (gemachtigden: mr. W. Sneijder en mr. W.L. Heida). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het door de minister niet verlenen van nader uitstel voor het indienen van aanvullende bezwaargronden en het in rekening brengen van toezichtskosten van tweemaal € 101,- voor eisers vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers beroepsgronden niet slagen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met een besluit van 27 januari 2025 (primair besluit) is eiser het jaartarief voor de registratie in de categorie Amateur F (€ 56,-) en tweemaal het tarief (2x € 101,-) voor relais- en bakenstations (met dossiernummers [nummer] en [nummer] ) in rekening gebracht. 2.1. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft de minister eisers verzoek om verder uitstel voor het aanvullen van de bezwaargronden afgewezen en heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. Eiser heeft op 24 februari 2026 nog aanvullende stukken ingediend. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Voorgeschiedenis 3. Naar aanleiding van een aanvraag van eiser op 31 mei 2024 heeft de minister met besluiten van 18 juni 2024 voor het gebruik van frequentieruimte twee vergunningen verleend. Er is een vergunning verleend voor de toepassingen Automatic Positioning Reporting System (APRS) 70 cm en Relaisstation 70 cm met de roepletters: [naam 2] ( [kenmerk] ) én er is een vergunning verleend voor de toepassingen Automatic Positioning Reporting System (APRS) 2 m en relaisstation 2m met de roepletters: [naam 3] ( [kenmerk] ). Bij factuur van 6 juli 2024 is eiser voor het verlenen van de vergunningen een bedrag van € 249,- voor elk van de vergunningen (in totaal dus € 498,-) in rekening gebracht. 3.1. Eiser heeft tegen de besluiten van 18 juni 2024 en de factuur van 6 juli 2024 bezwaar gemaakt omdat hij het niet eens is dat er twee vergunningen zijn verleend, er tweemaal een bedrag van € 249,- in rekening wordt gebracht en omdat er in de vergunningen een verkeerd vermogen is opgenomen. 3.2. Met een besluit van 1 oktober 2024 is het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft het toegekende vermogen en ongegrond verklaard voor het overige. Bij besluiten van 25 september 2024 zijn de vergunningen van 18 juni 2024 gewijzigd in die zin dat daarin het juiste vermogen is opgenomen. 3.3. Vervolgens is het primaire besluit - gehandhaafd bij het bestreden besluit - genomen en is eiser onder meer per vergunning een bedrag aan toezichtskosten van € 101,- in rekening gebracht. Beroepsgronden 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit omdat hij meent dat hij de bij hem in rekening gebrachte (toezichts)kosten van € 101,- per vergunning niet hoeft te betalen omdat er geen toezicht is dan wel kan zijn, maar hij meent vooral ook dat de minister hem ten onrechte geen aanvullend uitstel heeft verleend voor het indienen van aanvullende bezwaargronden. Nu eiser geen beroep instelt tegen het in rekening brengen van het jaartarief voor de registratie in de categorie Amateur F (€ 56,-) laat de rechtbank dat verder buiten haar beoordeling. Uitstel 5. Eiser heeft op 11 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Uit de stukken blijkt - daargelaten hoe vaak er uitstel is verleend - dat eiser in elk geval tot en met 22 april 2025 uitstel is verleend om de gronden aan te vullen. Eiser heeft op enig moment aangegeven uitstel te willen vanwege een aanhangige civiele procedure (kort geding) tegen [naam 4] waarvan de uitkomst volgens hem verregaande invloed heeft op eisers bezwaarprocedure. Eiser heeft verder niet toegelicht waarom de uitkomst dergelijke invloed heeft. 6. De rechtbank volgt het betoog van de minister dat er voor het bestuursorgaan geen verplichting bestaat om herhaaldelijk uitstel te verlenen. Een andere lopende procedure rechtvaardigt geen verder uitstel, zelfs niet wanneer om die reden eerder uitstel is verleend. In dit geval komt daar ook nog bij - zoals hierna aan de orde zal komen - dat de civiele procedure ziet op een afzonderlijke, privaatrechtelijke beoordeling en op geen enkele wijze afbreuk kan doen aan de publiekrechtelijke betalingsverplichting die hier aan de orde is. 6.1. De beroepsgrond dat eiser ten onrechte geen nader uitstel voor het indienen van aanvullende bezwaargronden is verleend, slaagt dan ook niet. In rekening gebrachte toezichtskosten 7. Op grond van artikel 16.1, eerste en tweede lid, van de Telecommunicatiewet (Tw) en artikel 2 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet en Wet telecommunicatievoorzieningen BES, brengt de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) voor zowel de uitvoerende werkzaamheden als de toezichtwerkzaamheden een vergoeding in rekening bij de vergunning- en registratiehouders. 7.1. De minister heeft toegelicht dat de toezichtskosten die eiser in rekening zijn gebracht met het primaire besluit zijn gebaseerd op de Regeling vergoedingen RDI 2025. De vergoedingen genoemd in kolom II van de Regeling zijn ter dekking van de toezichtskosten en worden jaarlijks in rekening gebracht. Deze vergoeding is in de Regeling voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op € 101,- per vergunning. Nu deze vergoedingen volgen uit de Regeling stelt de minister terecht dat zij zijn aan te merken als eenzijdige betalingsverplichtingen die hun grondslag vinden in het publiekrecht. 8. Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 1 oktober 2024 zodat in rechte vaststaat dat eiser beschikt over twee vergunningen. Rechtsgevolg van het in bezit hebben van twee vergunningen is dat per vergunning eenmalige uitvoeringskosten en jaarlijks toezichtskosten moeten worden betaald. Dat zoals eiser stelt uit het besluit van 1 oktober 2024 zou blijken dat hij maar voor één vergunning aangeslagen zou worden voor de eenmalige uitvoeringskosten, volgt de rechtbank niet. Eiser wijst erop dat in dat besluit na de opsomming van de twee verleende vergunningen de zin staat “U bent hiervoor een vergoeding verschuldigd van in totaal € 249,-.” Na deze zin staat echter “ Bij factuur van 6 juli 2024, met factuurnummer [kenmerk] , heb ik het tarief voor de bestreden Besluiten bij u in rekening gebracht.” De rechtbank heeft geconstateerd dat deze factuur twee vergunningen en een bedrag van € 249,- per vergunning (in totaal € 498,-) vermeldt. 8.1. Het betoog van eiser dat hij de toezichtskosten niet hoeft te betalen omdat er geen toezicht is dan wel kan zijn, slaagt niet. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft al eerder geoordeeld dat uit de tekst van artikel 16.1 Tw, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling af valt te leiden dat het verband tussen de vergoeding en de toezichtskosten zich specifiek zou moeten richten naar de werkelijke mate van onderworpenheid aan toezicht, in die zin dat een marktpartij moet betalen voor het op hem individueel uitgeoefende toezicht.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:3316 text/xml public 2026-04-15T10:00:32 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-27 ROT 25/4444 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3316 text/html public 2026-04-13T08:42:37 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3316 Rechtbank Rotterdam , 27-03-2026 / ROT 25/4444 Tw - in rekening brengen toezichtskosten - beroep ongegrond RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/4444 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen [naam 1] , uit [plaats] , eiser en De minister van Economische Zaken (de minister) (gemachtigden: mr. W. Sneijder en mr. W.L. Heida). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het door de minister niet verlenen van nader uitstel voor het indienen van aanvullende bezwaargronden en het in rekening brengen van toezichtskosten van tweemaal € 101,- voor eisers vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers beroepsgronden niet slagen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met een besluit van 27 januari 2025 (primair besluit) is eiser het jaartarief voor de registratie in de categorie Amateur F (€ 56,-) en tweemaal het tarief (2x € 101,-) voor relais- en bakenstations (met dossiernummers [nummer] en [nummer] ) in rekening gebracht. 2.1. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft de minister eisers verzoek om verder uitstel voor het aanvullen van de bezwaargronden afgewezen en heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. Eiser heeft op 24 februari 2026 nog aanvullende stukken ingediend. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Voorgeschiedenis 3. Naar aanleiding van een aanvraag van eiser op 31 mei 2024 heeft de minister met besluiten van 18 juni 2024 voor het gebruik van frequentieruimte twee vergunningen verleend. Er is een vergunning verleend voor de toepassingen Automatic Positioning Reporting System (APRS) 70 cm en Relaisstation 70 cm met de roepletters: [naam 2] ( [kenmerk] ) én er is een vergunning verleend voor de toepassingen Automatic Positioning Reporting System (APRS) 2 m en relaisstation 2m met de roepletters: [naam 3] ( [kenmerk] ). Bij factuur van 6 juli 2024 is eiser voor het verlenen van de vergunningen een bedrag van € 249,- voor elk van de vergunningen (in totaal dus € 498,-) in rekening gebracht. 3.1. Eiser heeft tegen de besluiten van 18 juni 2024 en de factuur van 6 juli 2024 bezwaar gemaakt omdat hij het niet eens is dat er twee vergunningen zijn verleend, er tweemaal een bedrag van € 249,- in rekening wordt gebracht en omdat er in de vergunningen een verkeerd vermogen is opgenomen. 3.2. Met een besluit van 1 oktober 2024 is het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft het toegekende vermogen en ongegrond verklaard voor het overige. Bij besluiten van 25 september 2024 zijn de vergunningen van 18 juni 2024 gewijzigd in die zin dat daarin het juiste vermogen is opgenomen. 3.3. Vervolgens is het primaire besluit - gehandhaafd bij het bestreden besluit - genomen en is eiser onder meer per vergunning een bedrag aan toezichtskosten van € 101,- in rekening gebracht. Beroepsgronden 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit omdat hij meent dat hij de bij hem in rekening gebrachte (toezichts)kosten van € 101,- per vergunning niet hoeft te betalen omdat er geen toezicht is dan wel kan zijn, maar hij meent vooral ook dat de minister hem ten onrechte geen aanvullend uitstel heeft verleend voor het indienen van aanvullende bezwaargronden. Nu eiser geen beroep instelt tegen het in rekening brengen van het jaartarief voor de registratie in de categorie Amateur F (€ 56,-) laat de rechtbank dat verder buiten haar beoordeling. Uitstel 5. Eiser heeft op 11 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Uit de stukken blijkt - daargelaten hoe vaak er uitstel is verleend - dat eiser in elk geval tot en met 22 april 2025 uitstel is verleend om de gronden aan te vullen. Eiser heeft op enig moment aangegeven uitstel te willen vanwege een aanhangige civiele procedure (kort geding) tegen [naam 4] waarvan de uitkomst volgens hem verregaande invloed heeft op eisers bezwaarprocedure. Eiser heeft verder niet toegelicht waarom de uitkomst dergelijke invloed heeft. 6. De rechtbank volgt het betoog van de minister dat er voor het bestuursorgaan geen verplichting bestaat om herhaaldelijk uitstel te verlenen. Een andere lopende procedure rechtvaardigt geen verder uitstel, zelfs niet wanneer om die reden eerder uitstel is verleend. In dit geval komt daar ook nog bij - zoals hierna aan de orde zal komen - dat de civiele procedure ziet op een afzonderlijke, privaatrechtelijke beoordeling en op geen enkele wijze afbreuk kan doen aan de publiekrechtelijke betalingsverplichting die hier aan de orde is. 6.1. De beroepsgrond dat eiser ten onrechte geen nader uitstel voor het indienen van aanvullende bezwaargronden is verleend, slaagt dan ook niet. In rekening gebrachte toezichtskosten 7. Op grond van artikel 16.1, eerste en tweede lid, van de Telecommunicatiewet (Tw) en artikel 2 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet en Wet telecommunicatievoorzieningen BES, brengt de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) voor zowel de uitvoerende werkzaamheden als de toezichtwerkzaamheden een vergoeding in rekening bij de vergunning- en registratiehouders. 7.1. De minister heeft toegelicht dat de toezichtskosten die eiser in rekening zijn gebracht met het primaire besluit zijn gebaseerd op de Regeling vergoedingen RDI 2025. De vergoedingen genoemd in kolom II van de Regeling zijn ter dekking van de toezichtskosten en worden jaarlijks in rekening gebracht. Deze vergoeding is in de Regeling voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op € 101,- per vergunning. Nu deze vergoedingen volgen uit de Regeling stelt de minister terecht dat zij zijn aan te merken als eenzijdige betalingsverplichtingen die hun grondslag vinden in het publiekrecht. 8. Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 1 oktober 2024 zodat in rechte vaststaat dat eiser beschikt over twee vergunningen. Rechtsgevolg van het in bezit hebben van twee vergunningen is dat per vergunning eenmalige uitvoeringskosten en jaarlijks toezichtskosten moeten worden betaald. Dat zoals eiser stelt uit het besluit van 1 oktober 2024 zou blijken dat hij maar voor één vergunning aangeslagen zou worden voor de eenmalige uitvoeringskosten, volgt de rechtbank niet. Eiser wijst erop dat in dat besluit na de opsomming van de twee verleende vergunningen de zin staat “U bent hiervoor een vergoeding verschuldigd van in totaal € 249,-.” Na deze zin staat echter “ Bij factuur van 6 juli 2024, met factuurnummer [kenmerk] , heb ik het tarief voor de bestreden Besluiten bij u in rekening gebracht.” De rechtbank heeft geconstateerd dat deze factuur twee vergunningen en een bedrag van € 249,- per vergunning (in totaal € 498,-) vermeldt. 8.1. Het betoog van eiser dat hij de toezichtskosten niet hoeft te betalen omdat er geen toezicht is dan wel kan zijn, slaagt niet. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft al eerder geoordeeld dat uit de tekst van artikel 16.1 Tw, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling af valt te leiden dat het verband tussen de vergoeding en de toezichtskosten zich specifiek zou moeten richten naar de werkelijke mate van onderworpenheid aan toezicht, in die zin dat een marktpartij moet betalen voor het op hem individueel uitgeoefende toezicht.