Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-26
ECLI:NL:RBROT:2026:3055
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,854 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:3055 text/xml public 2026-04-09T14:35:50 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-26 ROT 25/7739 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3055 text/html public 2026-04-09T14:34:23 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3055 Rechtbank Rotterdam , 26-03-2026 / ROT 25/7739 Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Niet tijdig beslissen. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten over dezelfde regeling samenhangend zijn, ook als die zien op verschillende toeslagjaren. Dit betekent niet dat nimmer een beroep wegens niet-tijdig beslissen kan worden ingesteld op een aanvraag, ook nadat al is beslist over andere toeslagjaren. Beroep gegrond. Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/7739 uitspraak van de enkelvoudige kamer van [*] als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [eiseres], uit Hoek van Holland, eiseres, gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak, en Dienst Toeslagen, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit. Verweerder heeft op 30 oktober 2025 een verweerschrift ingediend. Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is. De rechtbank stelt het volgende vast. Eiseres heeft in beginsel een aanvraag gedaan om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009. Op 23 maart 2022 heeft verweerder een besluit bekendgemaakt op de aanvraag van eiseres ten aanzien van deze toeslagjaren, met kenmerk UHT-DC I. Eiseres heeft zich op 17 maart 2022 opnieuw gemeld bij verweerder vanwege een aanvraag om compensatie voor de aanvullende toeslagjaren, te weten 2010 tot en met 2012. Verweerder geeft in zijn verweerschrift – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder volgt eiseres niet in haar standpunt dat niet op haar aanvraag is beslist. Immers, met de beschikking van 23 maart 2022 is beslist op haar aanvraag. Het feit dat eiseres haar aanvraag aanvankelijk had beperkt tot de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 en later opnieuw een aanvraag heeft gedaan ten aanzien van toeslagjaren 2005 tot en met 2010, doet daar volgens verweerder niet aan af. Een tweede aanvraag kent de Wht namelijk niet. Omdat reeds op de eerste aanvraag is beslist, is eiseres volgens verweerder (dus) niet langer in afwachting van een besluit op haar aanvraag. De rechtbank komt tot het volgende oordeel. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn, ook indien die zien op verschillende toeslagjaren (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2024:13134). Dit betekent echter niet dat nimmer een beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld op een aanvraag nadat is beslist over andere toeslagjaren, omdat onverkorte toepassing van dit uitgangspunt kan leiden tot de ontzegging van een rechtsingang (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2026:1348 en ECLI:NL:RBROT:2025:14811). Eiseres heeft haar aanvraag om compensatie over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 op 17 maart 2022 bij verweerder ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 18 januari 2024 een vooraankondiging bekend gemaakt over deze toeslagjaren. Niet is gebleken dat alsnog is beslist op de aanvraag van eiseres. Daarnaast is het maximum van de door de rechtbank opgelegde dwangsom in 24/5683 inmiddels bereikt, waardoor er ook geen dwangsomtermijn meer loopt met betrekking tot (ontbrekende) besluiten die zien op dezelfde bepaling van de Wht. Het beroep is daarom gegrond. Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Verweerder moet in beginsel binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een schriftelijke vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 van de Wht bekendmaken. De beslistermijn is ten minste zes weken na de datum van deze uitspraak. Omdat verweerder al een vooraankondiging bekend heeft gemaakt, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een besluit over compensatie bekend moet maken. Er bestaat geen aanleiding om dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen. 7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijnen overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat een termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. De dwangsom begint te lopen op het moment dat verweerder de eerste termijn voor het nemen van een vooraankondiging overschrijdt en loopt door tot op het moment dat de vooraankondiging is verzonden. Als verweerder vervolgens ook de tweede termijn voor het nemen van een besluit over compensatie overschrijdt, gaat de dwangsom weer verder lopen tot het moment dat verweerder dat besluit bekendmaakt. De dwangsom loopt niet verder door dan het maximum van € 15.000,-. 8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. 9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een besluit over compensatie bekend te maken. bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op [*]. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. ABRvS 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.