Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-03-26
ECLI:NL:RBROT:2026:3016
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,004 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:3016 text/xml public 2026-04-09T14:32:49 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-03-26 ROT 25/6140 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3016 text/html public 2026-04-09T14:31:43 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:3016 Rechtbank Rotterdam , 26-03-2026 / ROT 25/6140 Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Niet tijdig beslissen. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten over dezelfde regeling samenhangend zijn, ook als die zien op verschillende toeslagjaren. Dit betekent niet dat nimmer een beroep wegens niet-tijdig beslissen kan worden ingesteld op een aanvraag, ook nadat al is beslist over andere toeslagjaren. Beroep gegrond. Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/6140 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [eiseres], uit Rotterdam, eiseres, gemachtigde: mr. J. de Back, en Dienst Toeslagen, verweerder. Procesverloop Met de uitspraak van 30 augustus 2024 (ROT 24/3948) heeft de rechtbank verweerder opgedragen een besluit bekend te maken op de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft (opnieuw) beroep ingesteld vanwege het uitblijven van een besluit op haar aanvraag om compensatie, ten aanzien van de toeslagjaren 2005 tot en met 2010. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is. De rechtbank stelt het volgende vast. Eiseres heeft op 2 juni 2020 een (eerste) aanvraag gedaan om compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Verweerder heeft deze aanvraag in behandeling genomen en heeft op 25 oktober 2021 een besluit over compensatie bekendgemaakt met kenmerk UHT-DC I. In dit besluit heeft verweerder de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 beoordeeld. Op 28 september 2023 heeft eiseres zich opnieuw gemeld bij verweerder vanwege een aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2010. Verweerder heeft per brief van 9 oktober 2023 de ontvangst van deze aanvraag aan eiseres bevestigd en te kennen gegeven binnen zes maanden een besluit te nemen. Verweerder geeft in zijn verweerschrift – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder volgt eiseres niet in haar standpunt dat niet op haar aanvraag is beslist. Immers, met de beschikking van 25 oktober 2021 is beslist op haar aanvraag. Het feit dat eiseres de aanvraag heeft beperkt tot de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 en later opnieuw een aanvraag heeft gedaan ten aanzien van 2005 tot en met 2010, doet volgens verweerder aan het voorgaande niet af. Een tweede aanvraag kent de Wht namelijk niet. Omdat reeds op de eerste aanvraag is beslist, is eiseres volgens verweerder niet langer in afwachting van een besluit op haar aanvraag. Het voorgaande heeft verweerder niet uiteengezet in het verweerschrift in de zaak ROT 24/3948, waardoor verweerder eiseres in die zaak ten onrechte in het gelijk heeft gesteld, aldus verweerder. De rechtbank komt tot het volgende oordeel. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn, ook indien die zien op verschillende toeslagjaren (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2024:13134). Dit betekent echter niet dat nimmer een beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld op een aanvraag nadat is beslist over andere toeslagjaren, omdat onverkorte toepassing van dit uitgangspunt kan leiden tot de ontzegging van een rechtsingang (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2026:1348 en ECLI:NL:RBROT:2025:14811). Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om compensatie over de toeslagjaren 2005 tot en met 2010 ontvangen op 9 oktober 2023. Niet is gebleken dat (alsnog) op haar aanvraag over deze jaren is beslist. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van eiseres. De wettelijke beslistermijn van maximaal één jaar op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht is inmiddels ruimschoots verstreken. Daarnaast is de nadere beslistermijn zoals bepaald in ROT 24/3948 verstreken en het maximum van de eerder door de rechtbank opgelegde dwangsom is bereikt. Het beroep is daarom gegrond. Verweerder moet binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een schriftelijke vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) bekendmaken. Vervolgens moet verweerder binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze op de vooraankondiging of na het verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging een besluit over compensatie bekendmaken. Door snel een zienswijze in te dienen of mee te delen dat geen zienswijze wordt ingediend, kan eiser/es deze tweede termijn zo kort als mogelijk maken. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Indien een sterke prikkel nodig is (hetzij vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan, hetzij vanwege het grote belang), wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sterke prikkel nodig. De hoofdoorzaak van de structurele overschrijding van de beslistermijnen ligt niet bij de organisatie en capaciteit van verweerder, maar bij de wetgever, die bewust een regeling met feitelijk onhaalbare beslistermijnen heeft aanvaard. Van gebleken weigerachtigheid bij verweerder is daarom geen sprake. Evenmin is gebleken dat het belang van eiseres zo groot is, dat een hogere dwangsom gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom daarom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. 8. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. 9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een schriftelijke vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 van de Wht bekend te maken; draagt verweerder op binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze op de vooraankondiging of na het verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging een besluit over compensatie bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 maart 2026.