Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-02
ECLI:NL:RBROT:2025:7575
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
4,203 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11412290 HA VERZ 24-87
datum uitspraak: 2 april 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster]
,
woonplaats: Dordrecht,
verzoekster,
gemachtigde: mr. J.B. Evenboer,
tegen
[verweerder] , zaakdoende onder de naam
Huisartsenpraktijk [naam huisartsenpraktijk] ,
vestigingsplaats: Dordrecht,
verweerder,
gemachtigde: mr. ing. N. Verweij.
Partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van [verzoekster] (ontvangen op 19 november 2024), met producties;
het verweerschrift, met producties;
de aanvullende producties van de zijde van [verzoekster] ;
de spreeknotitie van mr. Evenboer.
1.2.
Op 5 februari 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en hun gemachtigden besproken.
2Het verzoek en de beoordeling daarvan
De kern van de zaak
2.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. [verzoekster] is vanaf 25 mei 2014 in dienst geweest bij [verweerder] . [verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 30 juli 2024 opgezegd tegen 30 september 2024. Zij vordert in deze procedure betaling van achterstallig c.q. ingehouden loon en van de transitievergoeding, met nevenvorderingen. [verweerder] meent dat [verzoekster] geen aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Verder stelt [verweerder] op terechte gronden salaris te hebben verrekend bij de eindafrekening.
[verweerder] hoeft geen transitievergoeding te betalen
2.2.
[verzoekster] heeft haar arbeidsovereenkomst met [verweerder] opgezegd. Zij vordert nu dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. Deze bedraagt volgens haar € 13.085,- bruto.
[verzoekster] heeft alleen recht op een transitievergoeding als de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder].
2.2.1.
[verzoekster] stelt dat een situatie is ontstaan waarin zij niet anders kon dan de arbeidsrelatie beëindigen. [verzoekster] en [verweerder] hebben een affectieve relatie gehad. Volgens [verzoekster] is de werkrelatie veranderd toen hun persoonlijke relatie eindigde. Zij stelt dat haar vanaf dat moment taken werden afgenomen, dan wel ingeperkt en dat zij door [verweerder] werd genegeerd. [verzoekster] voelde zich onveilig en buitenspel gezet. Alles bij elkaar heeft [verweerder] zich grensoverschrijdend gedragen, aldus [verzoekster] . [verweerder] betwist dit alles gemotiveerd.
2.2.2.
Door de affectieve relatie die [verzoekster] en [verweerder] hadden is een bepaalde dynamiek tussen hen ontstaan. Zij hebben getracht om het eindigen van die relatie – in het voorjaar van 2024 — geen invloed te laten hebben op hun werkverhouding, maar achteraf bezien zijn ze daar niet in geslaagd. Gaandeweg is namelijk ook hun arbeidsrelatie onder druk komen te staan. Illustratief zijn de overgelegde WhatsApp berichten en verwijten die zij elkaar maken (elkaar negeren, collega’s negeren, discussie over een lunch buiten de deur). Gelet op de hiërarchische verhouding op de werkvloer had [verweerder] hierin weliswaar een andere/grotere verantwoordelijkheid dan [verzoekster] , maar beide partijen hebben een aandeel gehad in de verstoring. Dat [verweerder] zich grensoverschrijdend heeft gedragen, zoals [verzoekster] stelt, is niet uit de overgelegde stukken gebleken. Evenmin blijkt uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken dat [verweerder] doelbewust heeft aangestuurd op een einde van de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] . Of op 7 juli 2024 voldoende aanleiding was om [verzoekster] te schorsen is, mede gelet op hetgeen in de cao hierover is bepaald, zeer de vraag. Hierna hebben partijen echter kennelijk goed met elkaar gesproken en leek de lucht geklaard. [verzoekster] heeft desgevraagd ook niet kunnen uitleggen waarom zij amper twee weken later toch de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
2.2.3.
Alhoewel [verweerder] op sommige punten dus zeker anders had kunnen of moeten handelen, is geen sprake van ernstig verwijtbaar gedrag in de arbeidsrelatie van partijen. Voor toekenning van de transitievergoeding is daarom geen plaats.
Ingehouden loon
2.3.
Uit de loonstrook over de maand september 2024 blijkt dat [verweerder] een bedrag van € 1.076,55 bruto heeft ingehouden c.q. verrekend. Als omschrijving staat op de loonstrook vermeld “Inh. Niet gewerkte zaterdaguren juni t/m sept: 42,5 uur”. [verweerder] heeft uitgelegd dat [verzoekster] vanaf 1 juni 2024 niet meer vanuit huis wilde werken. Het loon over de uren die zij normaal thuis werkte is daarom onverschuldigd betaald, aldus [verweerder] .
2.3.1.
Op zich mag een werkgever het loon verrekenen met hetgeen op het loon teveel is betaald. Dan moet de werkgever wel stellen en bewijzen dat er teveel loon is betaald. In dit geval is kennelijk het in de arbeidsovereenkomst afgesproken loon aan [verzoekster] betaald. De stelling van [verweerder] wordt zo begrepen dat [verzoekster] zonder zijn instemming niet het overeengekomen aantal uren werkte. Dit betekent echter niet dat daardoor zonder meer sprake is van een recht op terugvordering van reeds betaald salaris. In dit geval is niet gebleken dat [verweerder] [verzoekster] heeft gewaarschuwd voor een eventuele loonsanctie of dat hij anderszins kenbaar heeft gemaakt dat hij van mening was dat [verzoekster] tekortschoot in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Daar komt nog bij dat [verzoekster] betwist dat zij niet het aantal overeengekomen uren per week heeft gewerkt.
2.3.3.
Bij deze stand van zaken is niet voldoende met feiten onderbouwd dat [verweerder] een verrekenbare vordering op [verzoekster] had bij het einde van het dienstverband. Het wordt er daarom voor gehouden dat [verweerder] ten onrechte heeft verrekend met de eindafrekening. [verweerder] moet daarom dit bedrag alsnog aan [verzoekster] betalen.
2.3.4.
De wettelijke rente over dit bedrag wordt op de hierna te vermelden manier toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%, omdat deze vooral bedoeld is als een prikkel om het loon op tijd te betalen en niet zozeer als schadevergoeding.
Getuigschrift
2.4.
[verzoekster] heeft in haar verzoekschrift ook afgifte van een getuigschrift gevorderd, op straffe van een dwangsom. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verweerder] dit inmiddels heeft verstrekt. Deze vordering hoeft daarom niet meer te worden besproken.
Proceskosten
2.5.
Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. De proceskosten worden daarom gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 1.076,55 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2024 tot de dag dat volledig is betaald, onder afgifte van een aangepaste bruto-/nettospecificatie over de maand september 2024;
3.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken.
783
Artikel 7:673 lid 1 onder b sub 1 BW
Zie bijvoorbeeld productie 4 bij verweerschrift
Productie 1 bij verzoekschrift
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:7575 text/xml public 2026-04-30T14:24:47 2025-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-04-02 11412290 HA VERZ 24-87 Uitspraak Beschikking NL Dordrecht Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl VAAN-AR-Updates.nl 2025-0813 AR-Updates.nl 2025-0813 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:7575 text/html public 2025-07-01T10:23:21 2025-07-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:7575 Rechtbank Rotterdam , 02-04-2025 / 11412290 HA VERZ 24-87 Opzegging arbeidsovereenkomst door werknemer. Geen recht op transitievergoeding, want geen ernstig verwijtbaar handelen. Artikel 7:673 lid 1 BW. Werkgever mag reeds betaald loon niet terugvorderen c.q. verrekenen. Onvoldoende gebleken dat werknemer tekort is geschoten in nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11412290 HA VERZ 24-87 datum uitspraak: 2 april 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [verzoekster] , woonplaats: Dordrecht, verzoekster, gemachtigde: mr. J.B. Evenboer, tegen [verweerder] , zaakdoende onder de naam Huisartsenpraktijk [naam huisartsenpraktijk] , vestigingsplaats: Dordrecht, verweerder, gemachtigde: mr. ing. N. Verweij. Partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift van [verzoekster] (ontvangen op 19 november 2024), met producties; het verweerschrift, met producties; de aanvullende producties van de zijde van [verzoekster] ; de spreeknotitie van mr. Evenboer. 1.2. Op 5 februari 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en hun gemachtigden besproken. 2 Het verzoek en de beoordeling daarvan De kern van de zaak 2.1. Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. [verzoekster] is vanaf 25 mei 2014 in dienst geweest bij [verweerder] . [verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 30 juli 2024 opgezegd tegen 30 september 2024. Zij vordert in deze procedure betaling van achterstallig c.q. ingehouden loon en van de transitievergoeding, met nevenvorderingen. [verweerder] meent dat [verzoekster] geen aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Verder stelt [verweerder] op terechte gronden salaris te hebben verrekend bij de eindafrekening. [verweerder] hoeft geen transitievergoeding te betalen 2.2. [verzoekster] heeft haar arbeidsovereenkomst met [verweerder] opgezegd. Zij vordert nu dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. Deze bedraagt volgens haar € 13.085,- bruto. [verzoekster] heeft alleen recht op een transitievergoeding als de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . 2.2.1. [verzoekster] stelt dat een situatie is ontstaan waarin zij niet anders kon dan de arbeidsrelatie beëindigen. [verzoekster] en [verweerder] hebben een affectieve relatie gehad. Volgens [verzoekster] is de werkrelatie veranderd toen hun persoonlijke relatie eindigde. Zij stelt dat haar vanaf dat moment taken werden afgenomen, dan wel ingeperkt en dat zij door [verweerder] werd genegeerd. [verzoekster] voelde zich onveilig en buitenspel gezet. Alles bij elkaar heeft [verweerder] zich grensoverschrijdend gedragen, aldus [verzoekster] . [verweerder] betwist dit alles gemotiveerd. 2.2.2. Door de affectieve relatie die [verzoekster] en [verweerder] hadden is een bepaalde dynamiek tussen hen ontstaan. Zij hebben getracht om het eindigen van die relatie – in het voorjaar van 2024 — geen invloed te laten hebben op hun werkverhouding, maar achteraf bezien zijn ze daar niet in geslaagd. Gaandeweg is namelijk ook hun arbeidsrelatie onder druk komen te staan. Illustratief zijn de overgelegde WhatsApp berichten en verwijten die zij elkaar maken (elkaar negeren, collega’s negeren, discussie over een lunch buiten de deur). Gelet op de hiërarchische verhouding op de werkvloer had [verweerder] hierin weliswaar een andere/grotere verantwoordelijkheid dan [verzoekster] , maar beide partijen hebben een aandeel gehad in de verstoring. Dat [verweerder] zich grensoverschrijdend heeft gedragen, zoals [verzoekster] stelt, is niet uit de overgelegde stukken gebleken. Evenmin blijkt uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken dat [verweerder] doelbewust heeft aangestuurd op een einde van de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] . Of op 7 juli 2024 voldoende aanleiding was om [verzoekster] te schorsen is, mede gelet op hetgeen in de cao hierover is bepaald, zeer de vraag. Hierna hebben partijen echter kennelijk goed met elkaar gesproken en leek de lucht geklaard. [verzoekster] heeft desgevraagd ook niet kunnen uitleggen waarom zij amper twee weken later toch de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. 2.2.3. Alhoewel [verweerder] op sommige punten dus zeker anders had kunnen of moeten handelen, is geen sprake van ernstig verwijtbaar gedrag in de arbeids relatie van partijen. Voor toekenning van de transitievergoeding is daarom geen plaats. Ingehouden loon 2.3. Uit de loonstrook over de maand september 2024 blijkt dat [verweerder] een bedrag van € 1.076,55 bruto heeft ingehouden c.q. verrekend . Als omschrijving staat op de loonstrook vermeld “ Inh. Niet gewerkte zaterdaguren juni t/m sept: 42,5 uur ”. [verweerder] heeft uitgelegd dat [verzoekster] vanaf 1 juni 2024 niet meer vanuit huis wilde werken. Het loon over de uren die zij normaal thuis werkte is daarom onverschuldigd betaald, aldus [verweerder] . 2.3.1. Op zich mag een werkgever het loon verrekenen met hetgeen op het loon teveel is betaald. Dan moet de werkgever wel stellen en bewijzen dat er teveel loon is betaald. In dit geval is kennelijk het in de arbeidsovereenkomst afgesproken loon aan [verzoekster] betaald. De stelling van [verweerder] wordt zo begrepen dat [verzoekster] zonder zijn instemming niet het overeengekomen aantal uren werkte. Dit betekent echter niet dat daardoor zonder meer sprake is van een recht op terugvordering van reeds betaald salaris. In dit geval is niet gebleken dat [verweerder] [verzoekster] heeft gewaarschuwd voor een eventuele loonsanctie of dat hij anderszins kenbaar heeft gemaakt dat hij van mening was dat [verzoekster] tekortschoot in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Daar komt nog bij dat [verzoekster] betwist dat zij niet het aantal overeengekomen uren per week heeft gewerkt. 2.3.3. Bij deze stand van zaken is niet voldoende met feiten onderbouwd dat [verweerder] een verrekenbare vordering op [verzoekster] had bij het einde van het dienstverband. Het wordt er daarom voor gehouden dat [verweerder] ten onrechte heeft verrekend met de eindafrekening. [verweerder] moet daarom dit bedrag alsnog aan [verzoekster] betalen. 2.3.4. De wettelijke rente over dit bedrag wordt op de hierna te vermelden manier toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%, omdat deze vooral bedoeld is als een prikkel om het loon op tijd te betalen en niet zozeer als schadevergoeding. Getuigschrift 2.4. [verzoekster] heeft in haar verzoekschrift ook afgifte van een getuigschrift gevorderd, op straffe van een dwangsom. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verweerder] dit inmiddels heeft verstrekt. Deze vordering hoeft daarom niet meer te worden besproken. Proceskosten 2.5. Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. De proceskosten worden daarom gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 1.076,55 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2024 tot de dag dat volledig is betaald, onder afgifte van een aangepaste bruto-/nettospecificatie over de maand september 2024; 3.2. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.3. wijst af het meer of anders gevorderde. Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken. 783 Artikel 7:673 lid 1 onder b sub 1 BW Zie bijvoorbeeld productie 4 bij verweerschrift Productie 1 bij verzoekschrift