Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-16
ECLI:NL:RBROT:2025:6008
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
5,078 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer: C/10/674861 / FA RK 24-1694
Beschikking van 16 mei 2025 over de benadeling van de huwelijksgemeenschap in het kader van de echtscheidingsprocedure
in de zaak van:
[naam 1]
, hierna: de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Burger te Rotterdam,
t e g e n
[naam 2]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs.
1De verdere procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van deze rechtbank van 2 augustus 2024;
het bericht van de man 8 augustus 2024;
het bericht van de vrouw van 30 september 2024;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 28 januari 2025;
het bericht met bijlagen en aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 28 februari 2025;
het bericht van de man van 27 maart 2025;
het bericht van de vrouw van 31 maart 2025.
1.2.
Bij bericht van 8 augustus 2024 heeft de man aan de rechtbank om verlof verzocht voor tussentijds appel. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat dit de procedure onredelijk kon vertragen en de procedure al lang duurde.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 2 augustus 2024 is beslist dat de man de huwelijksgemeenschap van partijen heeft benadeeld. Voor de vraag of sprake is van schade aan deze huwelijksgemeenschap moest het onroerend goed in Kroatië gewaardeerd worden. De beslissing op het verzoek van de vrouw is aangehouden in afwachting van het taxatierapport van dat onroerend goed. De rechtbank verwijst naar wat over dit onderwerp is opgenomen in die beschikking.
2.2.
Bij bericht van de vrouw van 28 januari 2025 is het (vertaalde) taxatierapport van het onroerend goed in Kroatië overgelegd. Partijen hebben hierna gereageerd op het rapport.
2.3.
De rechtbank moet nog een beslissing nemen op het – inmiddels – gewijzigde verzoek van de vrouw. In haar bericht dat op 28 februari 2025 bij de griffie is binnengekomen, verzoekt zij primair te bepalen dat de man de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld voor een bedrag van € 800.000,- zodat de man aan haar een bedrag van € 400.000,- moet vergoeden op grond van artikel 1:164 BW en subsidiair verzoekt zij de benadelingsvordering vast te stellen op € 315.000,- zodat de vrouw een vordering heeft op de man van (naar de rechtbank begrijpt:) € 157.500,-.
2.4.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.5.
De vrouw heeft vervolgens op 31 maart 2025 verzocht een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen. De man had hiervoor op 27 maart 2025 aangegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling. De rechtbank zal geen nieuwe mondelinge behandeling gelasten. In de beschikking van 2 augustus 2024 heeft de rechtbank al overwogen dat, na ontvangst van het taxatierapport en de reacties daarop van partijen, in beginsel zonder nadere mondelinge behandeling een beslissing wordt genomen. De rechtbank acht zich, op basis van de stukken, voldoende geïnformeerd en daarmee in staat een beslissing te nemen. Daarbij tekent de rechtbank aan dat ook uit de wet niet volgt dat er een recht bestaat op een nieuwe mondelinge behandeling. De rechtbank zal daarom hierna inhoudelijk ingaan op het verzoek.
2.6.
Partijen hebben de deskundige op de door de rechtbank omschreven wijze gekozen. Dat wil zeggen, de vrouw heeft drie taxateurs aangewezen, waarna de man hieruit één taxateur heeft gekozen. Het taxatierapport vermeldt een waarde van € 315.000,- voor het onroerend goed in Kroatië. De vrouw heeft bezwaren ingebracht tegen de inhoud en totstandkoming van het taxatierapport en meent dat het onroerend goed € 800.000,- waard is. De man is het daarentegen eens met de waardering en sluit zich aan bij het rapport. Hij weerspreekt de bezwaren van de vrouw.
2.7.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit verweer, onder verwijzing naar Hoge Raad 8 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ3514), het volgende voorop. De rechter moet bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken (vgl. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5172). Ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen, geldt voor de rechter een beperkte motiveringsplicht (vgl. HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4476).
2.8.
De rechtbank zal – het voorgaande toetsingskader in acht nemend – ingaan op de door de vrouw geuite bezwaren.
2.9.
Allereerst stelt de vrouw dat sprake was van beperkte communicatie met de deskundige en dat zij zich niet serieus genomen voelde. De rechtbank gaat voorbij aan deze weersproken stelling. Het is allereerst niet duidelijk waarom de genoemde omstandigheden maken dat het onroerend goed hoger gewaardeerd moet worden. Daarnaast vindt de stelling van de vrouw onvoldoende steun in de overgelegde stukken. De vrouw staat als opdrachtgever vermeld op het rapport en is aanwezig en betrokken geweest bij de taxatie.
2.9.1.
Daarnaast stelt de vrouw dat de ingeschakelde deskundige niet onafhankelijk is en het rapport onbetrouwbaar is. Volgens de vrouw is corruptie in Kroatië gebruikelijk en aan de orde van de dag. Zij is van mening dat de door de deskundige bepaalde waarde onrealistisch is, onder invloed van de man tot stand is gekomen en niet de werkelijke waarde vertegenwoordigt. Ter onderbouwing stelt de vrouw dat sprake was van een niet onafhankelijke gang van zaken waarbij de taxateur alleen met de man heeft gesproken en naar aanleiding daarvan allerlei zaken zijn opgenomen in het rapport, zoals het onderhoud en de vergunningen, waar zij geen weet van had. Ook zou de advocaat van de man, zonder medeweten van de vrouw, via e-mail contact hebben gehad met de taxateur en hierdoor is sprake van beïnvloeding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw haar stellingen niet (gemotiveerd) onderbouwd, terwijl dit wel van haar verlangd wordt. De stelling dat corruptie in Kroatië gebruikelijk is en een feit van algemene bekendheid omdat Kroatië op de 'Corruption Perceptions Index’ laag scoort, is onvoldoende om van corruptie in dit specifieke geval te spreken. Bovendien is niet gesteld en ook niet gebleken dat het deskundigenrapport onder corruptie tot stand zou zijn gekomen. Uit de door de vrouw overgelegde e-mail volgt evenmin dat sprake is van beïnvloeding door de man. Daarnaast laat de vrouw na te onderbouwen waarom de getaxeerde waarde niet juist is. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren. Het rapport kent een logische opbouw en structuur, waarbij de deskundige uitgebreid heeft beschreven en beargumenteerd hoe hij tot zijn waardering is gekomen. Ook is toegelicht dat vanwege de staat van de woning er een vermindering van de waarde plaatsvindt. Zo zijn de tekortkomingen van de panden beschreven in het rapport (onder 6.), waarin onder meer melding wordt gemaakt van waterschade en niet-afgewerkte kelderruimtes. Onder 11. zijn als bijlagen onder meer foto’s opgenomen van deze gebreken en de verleende bouwvergunning(en).
Dictum
De rechtbank:
3.1.
veroordeelt de man aan de vrouw een bedrag van € 157.500,- te betalen in het kader van de benadeling van de gemeenschap;
3.2.
veroordeelt de man in het kader van de kosten van de taxatie van het onroerend goed in Kroatië aan de vrouw te betalen een bedrag van € 875,-;
3.3.
veroordeelt de man in de proceskosten aan de zijde van de vrouw begroot op € 2.456,-;
3.4.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Buizer, voorzitter en rechter, mr. E.M. Moerman en mr. S. Wierink, rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.M. de Witte, griffier, op 16 mei 2025.
Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer: C/10/674861 / FA RK 24-1694
Beschikking van 16 mei 2025 over de benadeling van de huwelijksgemeenschap in het kader van de echtscheidingsprocedure
in de zaak van:
[naam 1]
, hierna: de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Burger te Rotterdam,
t e g e n
[naam 2]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs.
1De verdere procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van deze rechtbank van 2 augustus 2024;
het bericht van de man 8 augustus 2024;
het bericht van de vrouw van 30 september 2024;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 28 januari 2025;
het bericht met bijlagen en aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 28 februari 2025;
het bericht van de man van 27 maart 2025;
het bericht van de vrouw van 31 maart 2025.
1.2.
Bij bericht van 8 augustus 2024 heeft de man aan de rechtbank om verlof verzocht voor tussentijds appel. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat dit de procedure onredelijk kon vertragen en de procedure al lang duurde.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 2 augustus 2024 is beslist dat de man de huwelijksgemeenschap van partijen heeft benadeeld. Voor de vraag of sprake is van schade aan deze huwelijksgemeenschap moest het onroerend goed in Kroatië gewaardeerd worden. De beslissing op het verzoek van de vrouw is aangehouden in afwachting van het taxatierapport van dat onroerend goed. De rechtbank verwijst naar wat over dit onderwerp is opgenomen in die beschikking.
2.2.
Bij bericht van de vrouw van 28 januari 2025 is het (vertaalde) taxatierapport van het onroerend goed in Kroatië overgelegd. Partijen hebben hierna gereageerd op het rapport.
2.3.
De rechtbank moet nog een beslissing nemen op het – inmiddels – gewijzigde verzoek van de vrouw. In haar bericht dat op 28 februari 2025 bij de griffie is binnengekomen, verzoekt zij primair te bepalen dat de man de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld voor een bedrag van € 800.000,- zodat de man aan haar een bedrag van € 400.000,- moet vergoeden op grond van artikel 1:164 BW en subsidiair verzoekt zij de benadelingsvordering vast te stellen op € 315.000,- zodat de vrouw een vordering heeft op de man van (naar de rechtbank begrijpt:) € 157.500,-.
2.4.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.5.
De vrouw heeft vervolgens op 31 maart 2025 verzocht een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen. De man had hiervoor op 27 maart 2025 aangegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling. De rechtbank zal geen nieuwe mondelinge behandeling gelasten. In de beschikking van 2 augustus 2024 heeft de rechtbank al overwogen dat, na ontvangst van het taxatierapport en de reacties daarop van partijen, in beginsel zonder nadere mondelinge behandeling een beslissing wordt genomen. De rechtbank acht zich, op basis van de stukken, voldoende geïnformeerd en daarmee in staat een beslissing te nemen. Daarbij tekent de rechtbank aan dat ook uit de wet niet volgt dat er een recht bestaat op een nieuwe mondelinge behandeling. De rechtbank zal daarom hierna inhoudelijk ingaan op het verzoek.
2.6.
Partijen hebben de deskundige op de door de rechtbank omschreven wijze gekozen. Dat wil zeggen, de vrouw heeft drie taxateurs aangewezen, waarna de man hieruit één taxateur heeft gekozen. Het taxatierapport vermeldt een waarde van € 315.000,- voor het onroerend goed in Kroatië. De vrouw heeft bezwaren ingebracht tegen de inhoud en totstandkoming van het taxatierapport en meent dat het onroerend goed € 800.000,- waard is. De man is het daarentegen eens met de waardering en sluit zich aan bij het rapport. Hij weerspreekt de bezwaren van de vrouw.
2.7.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit verweer, onder verwijzing naar Hoge Raad 8 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ3514), het volgende voorop. De rechter moet bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken (vgl. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5172). Ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen, geldt voor de rechter een beperkte motiveringsplicht (vgl. HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4476).
2.8.
De rechtbank zal – het voorgaande toetsingskader in acht nemend – ingaan op de door de vrouw geuite bezwaren.
2.9.
Allereerst stelt de vrouw dat sprake was van beperkte communicatie met de deskundige en dat zij zich niet serieus genomen voelde. De rechtbank gaat voorbij aan deze weersproken stelling. Het is allereerst niet duidelijk waarom de genoemde omstandigheden maken dat het onroerend goed hoger gewaardeerd moet worden. Daarnaast vindt de stelling van de vrouw onvoldoende steun in de overgelegde stukken. De vrouw staat als opdrachtgever vermeld op het rapport en is aanwezig en betrokken geweest bij de taxatie.
2.9.1.
Daarnaast stelt de vrouw dat de ingeschakelde deskundige niet onafhankelijk is en het rapport onbetrouwbaar is. Volgens de vrouw is corruptie in Kroatië gebruikelijk en aan de orde van de dag. Zij is van mening dat de door de deskundige bepaalde waarde onrealistisch is, onder invloed van de man tot stand is gekomen en niet de werkelijke waarde vertegenwoordigt. Ter onderbouwing stelt de vrouw dat sprake was van een niet onafhankelijke gang van zaken waarbij de taxateur alleen met de man heeft gesproken en naar aanleiding daarvan allerlei zaken zijn opgenomen in het rapport, zoals het onderhoud en de vergunningen, waar zij geen weet van had. Ook zou de advocaat van de man, zonder medeweten van de vrouw, via e-mail contact hebben gehad met de taxateur en hierdoor is sprake van beïnvloeding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw haar stellingen niet (gemotiveerd) onderbouwd, terwijl dit wel van haar verlangd wordt. De stelling dat corruptie in Kroatië gebruikelijk is en een feit van algemene bekendheid omdat Kroatië op de 'Corruption Perceptions Index’ laag scoort, is onvoldoende om van corruptie in dit specifieke geval te spreken. Bovendien is niet gesteld en ook niet gebleken dat het deskundigenrapport onder corruptie tot stand zou zijn gekomen. Uit de door de vrouw overgelegde e-mail volgt evenmin dat sprake is van beïnvloeding door de man. Daarnaast laat de vrouw na te onderbouwen waarom de getaxeerde waarde niet juist is. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren. Het rapport kent een logische opbouw en structuur, waarbij de deskundige uitgebreid heeft beschreven en beargumenteerd hoe hij tot zijn waardering is gekomen. Ook is toegelicht dat vanwege de staat van de woning er een vermindering van de waarde plaatsvindt. Zo zijn de tekortkomingen van de panden beschreven in het rapport (onder 6.), waarin onder meer melding wordt gemaakt van waterschade en niet-afgewerkte kelderruimtes. Onder 11. zijn als bijlagen onder meer foto’s opgenomen van deze gebreken en de verleende bouwvergunning(en).
Dictum
De rechtbank:
3.1.
veroordeelt de man aan de vrouw een bedrag van € 157.500,- te betalen in het kader van de benadeling van de gemeenschap;
3.2.
veroordeelt de man in het kader van de kosten van de taxatie van het onroerend goed in Kroatië aan de vrouw te betalen een bedrag van € 875,-;
3.3.
veroordeelt de man in de proceskosten aan de zijde van de vrouw begroot op € 2.456,-;
3.4.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Buizer, voorzitter en rechter, mr. E.M. Moerman en mr. S. Wierink, rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.M. de Witte, griffier, op 16 mei 2025.
Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.