Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-21
ECLI:NL:RBROT:2025:5906
Civiel recht; Arbeidsrecht
Kort geding
2,770 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11452712 VV EXPL 24-620
datum uitspraak: 21 januari 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: Zeist,
eiser,
gemachtigde: mr. L.P. Kruidenier,
tegen
[gedaagde] .,
vestigingsplaats: Nieuw-Lekkerland,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Simons.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 2 januari 2025, met bijlagen;
de producties 1 tot en met 7 van [gedaagde] ;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] .
1.2.
Op 15 januari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] met mr. L.P. Kruidenier en namens [gedaagde] [persoon A] (CFO [naam bedrijf] ) en [persoon B] (directie [naam bedrijf] ) met mr. R. Simons en mr. I. van Toer.
2De kern van de zaak
2.1.
[eiser] werkt sinds 1 juni 2022 bij [gedaagde] als algemeen directeur. [gedaagde] bevindt zich in een moeilijke bedrijfseconomische situatie. In november 2024 heeft [gedaagde] [eiser] laten weten dat zij heeft besloten dat de functie van [eiser] komt te vervallen. [gedaagde] heeft [eiser] een vaststellingsovereenkomst aangeboden, maar daar is [eiser] niet mee akkoord gegaan. [gedaagde] heeft op 4 december 2024 bij het UWV een ontslagaanvraag voor [eiser] ingediend wegens bedrijfseconomische redenen. Volgens [eiser] worden sinds de aanzegging door [gedaagde] dat zijn functie vervalt zijn gebruikelijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden eenzijdig bij hem weggenomen en bij anderen belegd. [gedaagde] heeft [eiser] op 17 december 2024, een dag na het aanvragen van deze kortgedingprocedure, op non-actief gesteld.
2.2.
[eiser] eist [gedaagde] te veroordelen tot wedertewerkstelling van [eiser] , op straffe van een dwangsom, en [gedaagde] te veroordelen in de werkelijke advocaatkosten. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van de eis van [eiser] .
2.3.
De kantonrechter wijst de geëiste wedertewerkstelling toe, met de dwangsom. De geëiste werkelijke advocaatkosten worden afgewezen. In plaats daarvan wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten conform het liquidatietarief. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordeling
3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
3.2.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn eis tot wedertewerkstelling. Op dit moment is [eiser] niet aan het werk. [eiser] heeft er belang bij om zo snel mogelijk weer zijn werkzaamheden te hervatten.
Wedertewerkstelling
3.3.
De kantonrechter wijst de geëiste wedertewerkstelling toe. Door het besluit van [gedaagde] om [eiser] op non-actief te stellen, ontneemt [gedaagde] [eiser] de mogelijkheid om de overeengekomen arbeid te verrichten. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde] [eiser] zonder voldoende zwaarwegende grond op non-actief heeft gesteld.
3.4.
De eis van een werknemer tot wedertewerkstelling moet worden getoetst aan de norm van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Het antwoord op de vraag of een werkgever verplicht is een werknemer in staat te stellen de overeengekomen arbeid te verrichten is afhankelijk van de aard van de arbeidsovereenkomst, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval. In het algemeen geldt dat een non-actiefstelling of een vrijstelling van werkzaamheden tegen de zin van de werknemer een zeer ingrijpende maatregel is die voor werknemers vaak een diffamerend karakter heeft. Voor een dergelijke ingrijpende maatregel moet sprake zijn van een redelijke en zwaarwegende grond, gelet op het in beginsel zwaarwegende belang van de werknemer om de overeengekomen arbeid te kunnen blijven verrichten. Goed werkgeverschap brengt ook mee dat een werknemer, in een situatie waarin zijn functie volgens de werkgever komt te vervallen, de verdere ontwikkelingen in beginsel mag afwachten vanuit een werkende situatie. Met een non-actiefstelling mag niet vooruitgelopen worden op de uitslag van een UWV-procedure.
3.5.
Het standpunt van [gedaagde] dat [eiser] haar in deze procedure onjuiste verwijten maakt en dat dit ertoe leidt dat zij niet meer op [eiser] als directeur kan vertrouwen, waardoor [gedaagde] [eiser] niet langer op de werkvloer wilde houden, wordt niet gevolgd. Hoewel het te begrijpen is dat (de over en weer gewisselde correspondentie en processtukken in) de ontslagprocedure bij het UWV en deze kortgedingprocedure een negatieve impact hebben op de arbeidsrelatie tussen partijen, kunnen deze omstandigheden op zichzelf niet in de weg staan aan een wedertewerkstelling. Dat zou het onaanvaardbare gevolg hebben dat de werkgever een terugkeer van de werknemer naar zijn werkplek eigenhandig kan frustreren. Voor de vaststelling van een onwerkbare situatie, dusdanig dat van de werkgever niet meer kan worden gevergd om de werknemer weer te werk te stellen, moet daarom sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Daarvan is onvoldoende gebleken.
3.6.
[gedaagde] heeft bijvoorbeeld aangevoerd dat zij het onbegrijpelijk vindt dat [eiser] stelt dat er van bedrijfseconomische omstandigheden geen sprake is, althans in correspondentie heeft gevraagd waaruit de bedrijfseconomische redenen bestaan, omdat [eiser] zich juist zeer bewust was van de ernst van de situatie. Dit is echter geen zwaarwegende grond. [eiser] heeft slechts naar aanleiding van de mededelingen van [gedaagde] over de ontslagaanvraag bij het UWV vragen gesteld die verband hielden met zijn rechtspositie als werknemer van [gedaagde] . Dat maakt nog niet dat hij zijn werk als algemeen directeur niet meer kan uitvoeren.
3.7.
Dat [eiser] in deze procedure stelt dat [gedaagde] zijn werkzaamheden heeft afgenomen en dat hij op een zijspoor is geplaatst – wat daar ook van zij – is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een onwerkbare situatie. Het is voorstelbaar dat het een erg vervelende boodschap was voor [eiser] om te horen dat [gedaagde] zijn functie wilde laten vervallen en dat [eiser] de ontwikkelingen naar aanloop van de ontslagaanvraag en daarna daarom zo heeft ervaren. Hetzelfde geldt voor de stelling van [eiser] dat hij onder druk is gezet om een vaststellingsovereenkomst te tekenen.
3.8.
Ook de uitlatingen van [eiser] over de reden waarom een belangrijke opdrachtgever van [gedaagde] niet met nieuwe orders kwam en het verband tussen de reorganisatie en de voorgenomen verkoop van de [naam bedrijf] is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van een onwerkbare situatie, dusdanig dat van [gedaagde] niet meer kan worden gevergd om [eiser] weer aan het werk te laten.
3.9.
Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat [eiser] zijn werkzaamheden niet meer kan hervatten, omdat er geen werk meer voor hem is (omdat er geen team meer is om aan te sturen), oordeelt de kantonrechter dat dit voor rekening en risico van [gedaagde] komt en dat dit niet aan [eiser] kan worden tegengeworpen. [gedaagde] heeft zonder voldoende zwaarwegende grond besloten om [eiser] op non-actief te stellen. [gedaagde] heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met het belang van [eiser] bij voortzetting van zijn werkzaamheden. Door [eiser] op non-actief te stellen, heeft [gedaagde] een niet gerechtvaardigd voorschot genomen op de (door haar gewenste) uitkomst van de UWV-procedure.
3.10.
De dwangsom wordt toegewezen. Voor matiging van de geëiste dwangsom bestaat geen aanleiding.
Proceskosten
3.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). Voor een veroordeling in de werkelijke advocaatkosten is geen plaats. Op vergoeding van de werkelijke advocaatkosten bestaat recht in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is hier geen sprake. De kantonrechter zal de proceskosten daarom vaststellen conform het liquidatietarief. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 87,- aan griffierecht, € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.184,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om [eiser] binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis onverkort in staat te stellen zijn werkzaamheden op de gebruikelijke wijze en met alle daarbij behorende verantwoordelijken en bevoegdheden te laten hervatten, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, tot een maximum van € 10.000,-;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.184,04 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
26975
Hoge Raad 12 mei 1989, ECLI:NL:PHR:1989:AC2497 (Chelbi/Klene).