Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-12-30
ECLI:NL:RBROT:2025:15093
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,429 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10005
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. I. Car),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 26 november 2025. In dit besluit had het college de bijstandsuitkering van verzoekster opgeschort. Verzoekster heeft het verzoek ingetrokken omdat het college op 15 december 2025 een nieuw besluit heeft genomen en de opschorting heeft opgeheven.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop gereageerd op 24 december 2025.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het besluit van 15 december 2025 aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is sprake van deze bijzondere omstandigheden. Het college heeft voor het eerst op 6 augustus 2024 informatie opgevraagd bij verzoekster, in het kader van onderzoek naar de onderhoudsplicht van de vader van het minderjarig kind van verzoekster. Hierop is geen reactie ingekomen. Op 19 september en 7 oktober 2025 is nogmaals om informatie gevraagd, waarop geen reactie is ingekomen. Op 27 oktober 2025 is de bijstandsuitkering van verzoekster opgeschort en is zij nogmaals in de gelegenheid gesteld informatie aan te leveren, uiterlijk 3 november 2025. Nadat hierop geen reactie is ingekomen, heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken met het besluit van 26 november 2025. Op 1 december 2025 levert verzoekster per e-mailbericht de gevraagde informatie aan, waarin zij tevens vermeldt dat ze een bewindvoerder heeft en de brieven niet op tijd heeft gekregen. Verzoekster heeft met deze mededeling niet aannemelijk gemaakt dat zij de brieven van 6 augustus 2024, 19 september, 7 oktober en 27 oktober 2025 niet op tijd heeft ontvangen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek, om het college in de proceskosten te veroordelen, af.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10005
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. I. Car),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 26 november 2025. In dit besluit had het college de bijstandsuitkering van verzoekster opgeschort. Verzoekster heeft het verzoek ingetrokken omdat het college op 15 december 2025 een nieuw besluit heeft genomen en de opschorting heeft opgeheven.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop gereageerd op 24 december 2025.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het besluit van 15 december 2025 aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is sprake van deze bijzondere omstandigheden. Het college heeft voor het eerst op 6 augustus 2024 informatie opgevraagd bij verzoekster, in het kader van onderzoek naar de onderhoudsplicht van de vader van het minderjarig kind van verzoekster. Hierop is geen reactie ingekomen. Op 19 september en 7 oktober 2025 is nogmaals om informatie gevraagd, waarop geen reactie is ingekomen. Op 27 oktober 2025 is de bijstandsuitkering van verzoekster opgeschort en is zij nogmaals in de gelegenheid gesteld informatie aan te leveren, uiterlijk 3 november 2025. Nadat hierop geen reactie is ingekomen, heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken met het besluit van 26 november 2025. Op 1 december 2025 levert verzoekster per e-mailbericht de gevraagde informatie aan, waarin zij tevens vermeldt dat ze een bewindvoerder heeft en de brieven niet op tijd heeft gekregen. Verzoekster heeft met deze mededeling niet aannemelijk gemaakt dat zij de brieven van 6 augustus 2024, 19 september, 7 oktober en 27 oktober 2025 niet op tijd heeft ontvangen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek, om het college in de proceskosten te veroordelen, af.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10005
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. I. Car),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 26 november 2025. In dit besluit had het college de bijstandsuitkering van verzoekster opgeschort. Verzoekster heeft het verzoek ingetrokken omdat het college op 15 december 2025 een nieuw besluit heeft genomen en de opschorting heeft opgeheven.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop gereageerd op 24 december 2025.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het besluit van 15 december 2025 aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is sprake van deze bijzondere omstandigheden. Het college heeft voor het eerst op 6 augustus 2024 informatie opgevraagd bij verzoekster, in het kader van onderzoek naar de onderhoudsplicht van de vader van het minderjarig kind van verzoekster. Hierop is geen reactie ingekomen. Op 19 september en 7 oktober 2025 is nogmaals om informatie gevraagd, waarop geen reactie is ingekomen. Op 27 oktober 2025 is de bijstandsuitkering van verzoekster opgeschort en is zij nogmaals in de gelegenheid gesteld informatie aan te leveren, uiterlijk 3 november 2025. Nadat hierop geen reactie is ingekomen, heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken met het besluit van 26 november 2025. Op 1 december 2025 levert verzoekster per e-mailbericht de gevraagde informatie aan, waarin zij tevens vermeldt dat ze een bewindvoerder heeft en de brieven niet op tijd heeft gekregen. Verzoekster heeft met deze mededeling niet aannemelijk gemaakt dat zij de brieven van 6 augustus 2024, 19 september, 7 oktober en 27 oktober 2025 niet op tijd heeft ontvangen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek, om het college in de proceskosten te veroordelen, af.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:15093 text/xml public 2026-01-08T12:54:24 2025-12-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-12-30 ROT 25/10005 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15093 text/html public 2026-01-08T12:51:11 2026-01-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:15093 Rechtbank Rotterdam , 30-12-2025 / ROT 25/10005 De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/10005 uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2025 in de zaak tussen [verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster (gemachtigde: mr. I. Car), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 26 november 2025. In dit besluit had het college de bijstandsuitkering van verzoekster opgeschort. Verzoekster heeft het verzoek ingetrokken omdat het college op 15 december 2025 een nieuw besluit heeft genomen en de opschorting heeft opgeheven. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop gereageerd op 24 december 2025. 1.2. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld? 3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. 3.1. In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen? 4. Het college is met het besluit van 15 december 2025 aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is sprake van deze bijzondere omstandigheden. Het college heeft voor het eerst op 6 augustus 2024 informatie opgevraagd bij verzoekster, in het kader van onderzoek naar de onderhoudsplicht van de vader van het minderjarig kind van verzoekster. Hierop is geen reactie ingekomen. Op 19 september en 7 oktober 2025 is nogmaals om informatie gevraagd, waarop geen reactie is ingekomen. Op 27 oktober 2025 is de bijstandsuitkering van verzoekster opgeschort en is zij nogmaals in de gelegenheid gesteld informatie aan te leveren, uiterlijk 3 november 2025. Nadat hierop geen reactie is ingekomen, heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken met het besluit van 26 november 2025. Op 1 december 2025 levert verzoekster per e-mailbericht de gevraagde informatie aan, waarin zij tevens vermeldt dat ze een bewindvoerder heeft en de brieven niet op tijd heeft gekregen. Verzoekster heeft met deze mededeling niet aannemelijk gemaakt dat zij de brieven van 6 augustus 2024, 19 september, 7 oktober en 27 oktober 2025 niet op tijd heeft ontvangen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek, om het college in de proceskosten te veroordelen, af. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263. Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252. Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.