Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-12
ECLI:NL:RBROT:2025:13041
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
14,430 tokens
Inleiding
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/694547 / HA ZA 25-156
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiser in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. P.C. Nieuwenhuizen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] , [gemeente] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P. Smit.
1De zaak in het kort
1.1.
Deze zaak gaat over de vraag of ING tot een bedrag van € 100.000,00 (nog) terugbetaling kan vorderen van een geldlening die ING voor [gedaagde] faillissement in 2009 aan hem verstrekte. In het verlengde daarvan is de vraag aan de orde of ING beslag mocht leggen op het woonhuis van [gedaagde] en of ING een BKR-registratie mocht doen voor de onbetaalde schuld van [gedaagde] aan haar. De rechtbank beantwoordt deze drie vragen bevestigend en zal dit hierna toelichten.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 januari 2024, met producties 1 tot en met 24,- de conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie met producties 1 tot en met 15,
- de brief van 16 april 2025 van de rechtbank waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,
- de e-mail van 1 september 2025 van de rechtbank met daarin opgenomen de zittingsagenda,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 25 tot en met 28,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 september 2025 en de daarbij door mr. Smit gebruikte spreekaantekeningen.
2.2.
Partijen hebben bij de mondelinge behandeling aangegeven dat al hetgeen zij in de processtukken in conventie naar voren hebben gebracht ook heeft te gelden in reconventie en omgekeerd.
2.3.
Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen vonnis gevraagd.
Feiten
3.1.
ING heeft in mei 2001 met [gedaagde] een kredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van NLG 10.000,00. De kredietlimiet is vanaf 2006 meerdere malen verhoogd. De laatste verhoging was in oktober 2008, toen is de kredietfaciliteit verhoogd tot € 125.000,00.
3.2.
Op 6 oktober 2009 is [gedaagde] failliet verklaard. ING heeft op 23 oktober 2009 aan de curator kenbaar gemaakt dat haar vordering op [gedaagde] € 127.966,65 bedroeg. ING heeft nadien een bedrag van € 1.695,00 ontvangen door het uitoefenen van een pandrecht.
3.3.
Het faillissement is in april 2013 geëindigd door het verbindend worden van de uitdelingslijst. De concurrente schuldeisers, waaronder ING, hebben geen uitkering ontvangen.
3.4.
Op 8 mei 2013 heeft Vesting Finance namens ING [gedaagde] aangeschreven en gesommeerd de nog openstaande vordering te betalen. Die bedroeg op dat moment € 153.709,21. [gedaagde] heeft in reactie hierop aangegeven dat hij niet beschikte over de middelen om de vordering te betalen, waarna Vesting Finance namens ING een betalingsuitstel van zes maanden aan [gedaagde] heeft verleend. Nadien heeft Vesting Finance [gedaagde] meerdere brieven aan [gedaagde] gestuurd waarin zij aanspraak maakte op betaling van de vordering van ING. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
3.5.
ING heeft op 1 september 2020 een BKR-registratie gedaan voor de schuld van [gedaagde] en heeft in januari 2025 conservatoir beslag gelegd op het woonhuis van [gedaagde] .
Geschil
in conventie
4.1.
ING vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [gedaagde]
- tot betaling van een bedrag van € 100.000,00, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- in de kosten van deze procedure met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen nadat gedaagde tot betaling van deze kosten schriftelijk is aangemaand.
4.2.
ING legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] had een kredietfaciliteit bij ING. Na [gedaagde] faillissement in april 2009 heeft ING de kredietovereenkomst opgezegd en de openstaande kredietsom van € 127.966,65 ter verificatie ingediend. ING heeft na het faillissement van [gedaagde] een bedrag van € 1.695,00 ontvangen door uitoefening van haar pandrecht. Het faillissement van [gedaagde] is in 2013 geëindigd zonder uitkering aan de concurrente schuldeisers. [gedaagde] heeft nadien zijn schuld aan ING niet afgelost. ING heeft daarom nog een vordering op [gedaagde] ter hoogte van de nog openstaande kredietsom vermeerderd met rente en kosten. In deze procedure beperkt ING haar vordering tot € 100.000,00, zonder daarmee enig recht prijs te geven.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ING, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van ING, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ING in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. De vordering van ING is verjaard. Mocht de vordering van ING niet zijn verjaard, dan staat de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid – rechtsverwerking daaronder begrepen – aan toewijzing van de vordering in de weg.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.6.
[gedaagde] vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van ING
- tot opheffing van het conservatoire beslag, zoals zij dat op 3 januari 2025 gelegd heeft op (de onverdeelde helft van [gedaagde] in) de onroerende zaak, staande en gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (kadastraal bekend [kadasternummer] ), en voor doorhaling van dat beslag in de openbare registers zorg te dragen, zulks binnen 3 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, onder overlegging binnen diezelfde termijn aan de raadsman van [gedaagde] van verificatoire bescheiden waaruit blijkt dat aan deze verplichtingen voldaan is, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat ING daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;
- tot het ongedaan (laten) maken van de BKR-registratie, zoals zij die op 1 september 2020 ten laste van [gedaagde] heeft laten doen, zulks binnen 3 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, onder overlegging binnen diezelfde termijn aan de raadsman van [gedaagde] van verificatoire bescheiden waaruit blijkt dat aan deze verplichting is voldaan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat ING daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;
- in de kosten van de procedure in reconventie, het salaris van de advocaat van [gedaagde] daaronder begrepen, met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen nadat ING tot betaling van deze kosten schriftelijk is aangemaand.
4.7.
[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Omdat de vordering van ING onterecht is, is ook het gelegde conservatoire beslag onterecht. Het beslag moet dan ook worden opgeheven. En ook de BKR-registratie die ING op 1 september 2020 heeft laten registreren, is onterecht omdat ING geen vordering meer heeft op [gedaagde] .
4.8.
ING voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure in reconventie.
4.9.
ING voert het volgende aan. Nu haar vordering terecht is ingesteld, is het beslag ook terecht gelegd. Hetzelfde geldt voor de BKR-registratie.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] ten tijde van zijn faillietverklaring een schuld had aan ING van ten minste € 100.000,00. Tussen partijen is evenmin in geschil dat [gedaagde] faillissement in 2013 is beëindigd met een vereenvoudigde afwikkeling en dat de restschuld van [gedaagde] aan ING bij beëindiging nog ten minste € 100.000,00 bedroeg. Dat betekent dat ING in beginsel een vordering op [gedaagde] heeft van (ten minste) € 100.000,00. Dat is anders als één van de in rechtsoverweging 4.4 genoemde verweren van [gedaagde] slaagt.
Verjaring
5.2.
[gedaagde] beroept zich op verjaring van de vordering van ING. De toepasselijke verjaringstermijn is vijf jaar en vangt aan op het moment dat de vordering opeisbaar wordt (artikel 3:307 BW). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Na een stuitingshandeling begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen.
5.3.
De vordering van ING op [gedaagde] is met de opzegging van de kredietovereenkomst op 23 oktober 2009 opeisbaar geworden. Vesting Finance heeft namens ING op 8 mei 2013 een stuitingsbrief aan [gedaagde] is verzonden, welke brief [gedaagde] heeft ontvangen. Dit is binnen de verjaringstermijn van vijf jaar.
5.4.
Vervolgens heeft Vesting Finance op 1 juli 2013 een brief aan [gedaagde] gestuurd met het verzoek een informatieformulier over zijn inkomen in te vullen en op 16 juli 2013 een brief waarin zij hem een betalingsuitstel van zes maanden verleende. Ook deze brieven heeft [gedaagde] ontvangen. [gedaagde] stelt dat de eerstvolgende brief die hij over de schuld aan ING ontving, een brief is van 25 juni 2020. Als dit juist is, is de vordering van ING verjaard. ING heeft evenwel brieven van 7 juli 2016, 19 augustus 2016, 10 mei 2017 en 23 mei 2017 van Vesting Finance aan [gedaagde] in het geding gebracht, welke brieven stuitingshandelingen bevatten. [gedaagde] betwist deze brieven ontvangen te hebben.
5.5.
Art. 3:37 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Het is vaste jurisprudentie dat een schriftelijke verklaring de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Een verklaring is ontvangen als de verklaring is verzonden aan een adres waarvan de verzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde daar door hem kon worden bereikt en de verklaring op dat adres is aangekomen.
5.6.
De brief van 7 juli 2016 is verzonden aan het (toenmalige) woonadres van [gedaagde] . ING mocht redelijkerwijs aannemen dat zij [gedaagde] daar kon bereiken, nu Vesting Finance de eerdere brieven aan [gedaagde] ook naar dit adres zond en [gedaagde] deze brieven heeft ontvangen. Dat hij tussentijds een adreswijziging aan ING of Vesting Finance zou hebben gezonden, stelt [gedaagde] niet.
5.7.
Uit de e-mail van de heer [persoon 1] van 17 augustus 2016 blijkt dat de brief van 7 juli 2016 op het (toenmalige) woonadres van [gedaagde] is aangekomen De heer [persoon 1] schrijft namelijk aan Vesting Finance:
“Van mevrouw [persoon 2] , echtgenote van mijn voormalige cliënt de heer [gedaagde] , ontving ik uw brief van 7 juli 2016, waarmede u opnieuw verzoekt een uit het faillissement van haar echtgenoot voortvloeiende zakelijke schuld te voldoen, dan wel een betalingsregeling of een afkoop van de vordering voorstelt.”
En dat betekent gelet op de in rechtsoverweging 5.5 weergegeven regel dat de brief van 7 juli 2016 [gedaagde] heeft bereikt, waarmee de stuitingshandeling in de brief werking heeft.
5.8.
Met de brief van 7 juli 2016 is dus een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. [gedaagde] erkent dat hij de brieven van Vesting Finance van 25 juni 2020 en 14 augustus 2020 heeft ontvangen. Dat is binnen de op dat moment lopende verjaringstermijn. Deze brieven bevatten stuitingshandelingen, waarmee wederom een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. De dagvaarding in deze procedure is binnen deze verjaringstermijn betekend.
5.9.
Het beroep van [gedaagde] op verjaring faalt dan ook. De vraag of [gedaagde] de brieven van 19 augustus 2016, 10 mei 2017 en 23 mei 2017 heeft ontvangen, hoeft gelet op het voorgaande niet beantwoord te worden.
Beperkende werking redelijkheid en billijkheid
5.10.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vordering van ING naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat
a sprake is van rechtsverwerking;
b ING niet voldeed aan haar zorgplicht jegens [gedaagde] door de kredietlimiet telkens te verhogen zonder zich ervan te vergewissen of [gedaagde] de daarbij behorende financiële verplichtingen kon opbrengen.
Rechtsverwerking
5.11.
Rechtsverwerking veronderstelt een handelen of nalaten van een contractspartij die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het daarna inroepen van een krachtens de overeenkomst geldende regel. Tijdsverloop alleen is onvoldoende voor rechtsverwerking.
5.12.
Volgens [gedaagde] is het doorhalen van de BKR-registratie tussen mei 2013 en juli 2020 een handelen van ING dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het aanspraak maken op terugbetaling van de lening. ING heeft in reactie hierop naar voren gebracht dat zij verzuimde in 2013 de BKR-registratie te doen. Zij deed pas op 1 september 2020 de BKR-registratie. Van een doorhaling van de registratie tussen 2013 en 2020 is geen sprake.
5.13.
ING heeft de stelling van [gedaagde] dat zij een eerste BKR-registratie heeft doorgehaald dus gemotiveerd betwist. In dat licht lag het op de weg van [gedaagde] om zijn stelling dat de door hem gestelde doorhaling door ING heeft plaatsgevonden te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van ING dat zij niet eerder een BKR-registratie ten aanzien van de vordering op [gedaagde] had gedaan en dat zij die dus ook niet heeft doorgehaald. Dat brengt mee dat faalt het verweer van [gedaagde] dat hij aan een dergelijke doorhaling het vertrouwen kon ontlenen dat ING haar vordering niet meer te gelde zou maken.
5.14.
Dat brengt de rechtbank tot de bespreking van [gedaagde] betoog dat hij aan de late BKR-registratie in combinatie met het tijdsverloop tussen de brieven van 23 mei 2017 en 25 juni 2020 het vertrouwen mocht ontlenen dat ING de vordering niet meer te gelde zou maken. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Weliswaar had ING de BKR-registratie in 2013 kunnen doen en heeft zij de registratie in 2013 ook aangekondigd, maar daar staat tegenover dat Vesting Finance in de periode tussen de beëindiging van [gedaagde] faillissement in april 2013 en de BKR-registratie op 1 september 2020 negen brieven aan [gedaagde] zond, waarvan [gedaagde] er in ieder geval zes ontving. Omdat in deze brieven aanspraak werd gemaakt op voldoening van de schuld, kon [gedaagde] aan het tot 1 september 2020 ontbreken van een BKR-registratie niet het vertrouwen ontlenen dat ING de vordering niet te gelde zou maken.
5.15.
Het tijdsverloop tussen de brieven van 23 mei 2017 en 25 juni 2020 maakt dit niet anders.
Conclusie
5.23.
De vordering van ING kan worden toegewezen. Van verjaring is geen sprake. Evenmin is het uitoefenen van het vorderingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
5.24.
Gelet op de beperking van de vordering in deze procedure tot € 100.000,00 en het feit dat de hoofdschuld van [gedaagde] aan ING uit hoofde van de kredietovereenkomst dit bedrag te boven gaat, gaat de rechtbank niet in op de vraag of [gedaagde] tot de dag van dagvaarding rente over de hoofdsom verschuldigd is en zo ja, hoeveel. Ook de vraag of ING recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten hoeft gelet op de beperking van de vordering geen bespreking.
5.25.
De gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 100.000,00 met ingang van de datum van dagvaarding kan worden toegewezen nu daartegen geen verweer is gevoerd. ING heeft niet gespecificeerd of zij de rente van artikel 6:119 BW dan wel artikel 6:119a BW vordert. Omdat de eerste kredietovereenkomst voor 1 december 2002 is gesloten, wijst de rechtbank de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toe.
5.26.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
2.281,00
- salaris advocaat
€
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
6.461,47
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.28.
Nu de vordering in conventie wordt toegewezen, betekent dit dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen. ING heeft immers een onbetaalde vordering op [gedaagde] en had daarmee voldoende reden om beslag te leggen. En ook de BKR-registratie is in het licht van de toewijzing van de vordering in conventie terecht.
5.29.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- salaris advocaat
€
614,00
(2 punten × € 614,00 x ½)
- nakosten
€
100,00
Totaal
€
714,00
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ING Bank N.V. te betalen een bedrag van € 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.461,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 6.1, 6.2 en 6.3 genomen beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
6.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van EUR 714,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.6 en 6.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Baetsen en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.
[1729/3979]
HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104
Asser/Sieburgh 6-III 2022/423
HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0543.
Zie HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237
Zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1783 (https://www.inview.nl/document/idce753bed20fd49d8b38c487abfb2584c), r.o. 4.2:
Inleiding
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/694547 / HA ZA 25-156
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiser in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. P.C. Nieuwenhuizen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] , [gemeente] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P. Smit.
1De zaak in het kort
1.1.
Deze zaak gaat over de vraag of ING tot een bedrag van € 100.000,00 (nog) terugbetaling kan vorderen van een geldlening die ING voor [gedaagde] faillissement in 2009 aan hem verstrekte. In het verlengde daarvan is de vraag aan de orde of ING beslag mocht leggen op het woonhuis van [gedaagde] en of ING een BKR-registratie mocht doen voor de onbetaalde schuld van [gedaagde] aan haar. De rechtbank beantwoordt deze drie vragen bevestigend en zal dit hierna toelichten.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 januari 2024, met producties 1 tot en met 24,- de conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie met producties 1 tot en met 15,
- de brief van 16 april 2025 van de rechtbank waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,
- de e-mail van 1 september 2025 van de rechtbank met daarin opgenomen de zittingsagenda,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 25 tot en met 28,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 september 2025 en de daarbij door mr. Smit gebruikte spreekaantekeningen.
2.2.
Partijen hebben bij de mondelinge behandeling aangegeven dat al hetgeen zij in de processtukken in conventie naar voren hebben gebracht ook heeft te gelden in reconventie en omgekeerd.
2.3.
Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen vonnis gevraagd.
Feiten
3.1.
ING heeft in mei 2001 met [gedaagde] een kredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van NLG 10.000,00. De kredietlimiet is vanaf 2006 meerdere malen verhoogd. De laatste verhoging was in oktober 2008, toen is de kredietfaciliteit verhoogd tot € 125.000,00.
3.2.
Op 6 oktober 2009 is [gedaagde] failliet verklaard. ING heeft op 23 oktober 2009 aan de curator kenbaar gemaakt dat haar vordering op [gedaagde] € 127.966,65 bedroeg. ING heeft nadien een bedrag van € 1.695,00 ontvangen door het uitoefenen van een pandrecht.
3.3.
Het faillissement is in april 2013 geëindigd door het verbindend worden van de uitdelingslijst. De concurrente schuldeisers, waaronder ING, hebben geen uitkering ontvangen.
3.4.
Op 8 mei 2013 heeft Vesting Finance namens ING [gedaagde] aangeschreven en gesommeerd de nog openstaande vordering te betalen. Die bedroeg op dat moment € 153.709,21. [gedaagde] heeft in reactie hierop aangegeven dat hij niet beschikte over de middelen om de vordering te betalen, waarna Vesting Finance namens ING een betalingsuitstel van zes maanden aan [gedaagde] heeft verleend. Nadien heeft Vesting Finance [gedaagde] meerdere brieven aan [gedaagde] gestuurd waarin zij aanspraak maakte op betaling van de vordering van ING. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
3.5.
ING heeft op 1 september 2020 een BKR-registratie gedaan voor de schuld van [gedaagde] en heeft in januari 2025 conservatoir beslag gelegd op het woonhuis van [gedaagde] .
Geschil
in conventie
4.1.
ING vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [gedaagde]
- tot betaling van een bedrag van € 100.000,00, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- in de kosten van deze procedure met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen nadat gedaagde tot betaling van deze kosten schriftelijk is aangemaand.
4.2.
ING legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] had een kredietfaciliteit bij ING. Na [gedaagde] faillissement in april 2009 heeft ING de kredietovereenkomst opgezegd en de openstaande kredietsom van € 127.966,65 ter verificatie ingediend. ING heeft na het faillissement van [gedaagde] een bedrag van € 1.695,00 ontvangen door uitoefening van haar pandrecht. Het faillissement van [gedaagde] is in 2013 geëindigd zonder uitkering aan de concurrente schuldeisers. [gedaagde] heeft nadien zijn schuld aan ING niet afgelost. ING heeft daarom nog een vordering op [gedaagde] ter hoogte van de nog openstaande kredietsom vermeerderd met rente en kosten. In deze procedure beperkt ING haar vordering tot € 100.000,00, zonder daarmee enig recht prijs te geven.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ING, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van ING, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ING in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. De vordering van ING is verjaard. Mocht de vordering van ING niet zijn verjaard, dan staat de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid – rechtsverwerking daaronder begrepen – aan toewijzing van de vordering in de weg.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.6.
[gedaagde] vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van ING
- tot opheffing van het conservatoire beslag, zoals zij dat op 3 januari 2025 gelegd heeft op (de onverdeelde helft van [gedaagde] in) de onroerende zaak, staande en gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (kadastraal bekend [kadasternummer] ), en voor doorhaling van dat beslag in de openbare registers zorg te dragen, zulks binnen 3 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, onder overlegging binnen diezelfde termijn aan de raadsman van [gedaagde] van verificatoire bescheiden waaruit blijkt dat aan deze verplichtingen voldaan is, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat ING daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;
- tot het ongedaan (laten) maken van de BKR-registratie, zoals zij die op 1 september 2020 ten laste van [gedaagde] heeft laten doen, zulks binnen 3 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, onder overlegging binnen diezelfde termijn aan de raadsman van [gedaagde] van verificatoire bescheiden waaruit blijkt dat aan deze verplichting is voldaan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat ING daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;
- in de kosten van de procedure in reconventie, het salaris van de advocaat van [gedaagde] daaronder begrepen, met bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen nadat ING tot betaling van deze kosten schriftelijk is aangemaand.
4.7.
[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Omdat de vordering van ING onterecht is, is ook het gelegde conservatoire beslag onterecht. Het beslag moet dan ook worden opgeheven. En ook de BKR-registratie die ING op 1 september 2020 heeft laten registreren, is onterecht omdat ING geen vordering meer heeft op [gedaagde] .
4.8.
ING voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure in reconventie.
4.9.
ING voert het volgende aan. Nu haar vordering terecht is ingesteld, is het beslag ook terecht gelegd. Hetzelfde geldt voor de BKR-registratie.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] ten tijde van zijn faillietverklaring een schuld had aan ING van ten minste € 100.000,00. Tussen partijen is evenmin in geschil dat [gedaagde] faillissement in 2013 is beëindigd met een vereenvoudigde afwikkeling en dat de restschuld van [gedaagde] aan ING bij beëindiging nog ten minste € 100.000,00 bedroeg. Dat betekent dat ING in beginsel een vordering op [gedaagde] heeft van (ten minste) € 100.000,00. Dat is anders als één van de in rechtsoverweging 4.4 genoemde verweren van [gedaagde] slaagt.
Verjaring
5.2.
[gedaagde] beroept zich op verjaring van de vordering van ING. De toepasselijke verjaringstermijn is vijf jaar en vangt aan op het moment dat de vordering opeisbaar wordt (artikel 3:307 BW). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Na een stuitingshandeling begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen.
5.3.
De vordering van ING op [gedaagde] is met de opzegging van de kredietovereenkomst op 23 oktober 2009 opeisbaar geworden. Vesting Finance heeft namens ING op 8 mei 2013 een stuitingsbrief aan [gedaagde] is verzonden, welke brief [gedaagde] heeft ontvangen. Dit is binnen de verjaringstermijn van vijf jaar.
5.4.
Vervolgens heeft Vesting Finance op 1 juli 2013 een brief aan [gedaagde] gestuurd met het verzoek een informatieformulier over zijn inkomen in te vullen en op 16 juli 2013 een brief waarin zij hem een betalingsuitstel van zes maanden verleende. Ook deze brieven heeft [gedaagde] ontvangen. [gedaagde] stelt dat de eerstvolgende brief die hij over de schuld aan ING ontving, een brief is van 25 juni 2020. Als dit juist is, is de vordering van ING verjaard. ING heeft evenwel brieven van 7 juli 2016, 19 augustus 2016, 10 mei 2017 en 23 mei 2017 van Vesting Finance aan [gedaagde] in het geding gebracht, welke brieven stuitingshandelingen bevatten. [gedaagde] betwist deze brieven ontvangen te hebben.
5.5.
Art. 3:37 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Het is vaste jurisprudentie dat een schriftelijke verklaring de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Een verklaring is ontvangen als de verklaring is verzonden aan een adres waarvan de verzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde daar door hem kon worden bereikt en de verklaring op dat adres is aangekomen.
5.6.
De brief van 7 juli 2016 is verzonden aan het (toenmalige) woonadres van [gedaagde] . ING mocht redelijkerwijs aannemen dat zij [gedaagde] daar kon bereiken, nu Vesting Finance de eerdere brieven aan [gedaagde] ook naar dit adres zond en [gedaagde] deze brieven heeft ontvangen. Dat hij tussentijds een adreswijziging aan ING of Vesting Finance zou hebben gezonden, stelt [gedaagde] niet.
5.7.
Uit de e-mail van de heer [persoon 1] van 17 augustus 2016 blijkt dat de brief van 7 juli 2016 op het (toenmalige) woonadres van [gedaagde] is aangekomen De heer [persoon 1] schrijft namelijk aan Vesting Finance:
“Van mevrouw [persoon 2] , echtgenote van mijn voormalige cliënt de heer [gedaagde] , ontving ik uw brief van 7 juli 2016, waarmede u opnieuw verzoekt een uit het faillissement van haar echtgenoot voortvloeiende zakelijke schuld te voldoen, dan wel een betalingsregeling of een afkoop van de vordering voorstelt.”
En dat betekent gelet op de in rechtsoverweging 5.5 weergegeven regel dat de brief van 7 juli 2016 [gedaagde] heeft bereikt, waarmee de stuitingshandeling in de brief werking heeft.
5.8.
Met de brief van 7 juli 2016 is dus een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. [gedaagde] erkent dat hij de brieven van Vesting Finance van 25 juni 2020 en 14 augustus 2020 heeft ontvangen. Dat is binnen de op dat moment lopende verjaringstermijn. Deze brieven bevatten stuitingshandelingen, waarmee wederom een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. De dagvaarding in deze procedure is binnen deze verjaringstermijn betekend.
5.9.
Het beroep van [gedaagde] op verjaring faalt dan ook. De vraag of [gedaagde] de brieven van 19 augustus 2016, 10 mei 2017 en 23 mei 2017 heeft ontvangen, hoeft gelet op het voorgaande niet beantwoord te worden.
Beperkende werking redelijkheid en billijkheid
5.10.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vordering van ING naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat
a sprake is van rechtsverwerking;
b ING niet voldeed aan haar zorgplicht jegens [gedaagde] door de kredietlimiet telkens te verhogen zonder zich ervan te vergewissen of [gedaagde] de daarbij behorende financiële verplichtingen kon opbrengen.
Rechtsverwerking
5.11.
Rechtsverwerking veronderstelt een handelen of nalaten van een contractspartij die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het daarna inroepen van een krachtens de overeenkomst geldende regel. Tijdsverloop alleen is onvoldoende voor rechtsverwerking.
5.12.
Volgens [gedaagde] is het doorhalen van de BKR-registratie tussen mei 2013 en juli 2020 een handelen van ING dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het aanspraak maken op terugbetaling van de lening. ING heeft in reactie hierop naar voren gebracht dat zij verzuimde in 2013 de BKR-registratie te doen. Zij deed pas op 1 september 2020 de BKR-registratie. Van een doorhaling van de registratie tussen 2013 en 2020 is geen sprake.
5.13.
ING heeft de stelling van [gedaagde] dat zij een eerste BKR-registratie heeft doorgehaald dus gemotiveerd betwist. In dat licht lag het op de weg van [gedaagde] om zijn stelling dat de door hem gestelde doorhaling door ING heeft plaatsgevonden te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van ING dat zij niet eerder een BKR-registratie ten aanzien van de vordering op [gedaagde] had gedaan en dat zij die dus ook niet heeft doorgehaald. Dat brengt mee dat faalt het verweer van [gedaagde] dat hij aan een dergelijke doorhaling het vertrouwen kon ontlenen dat ING haar vordering niet meer te gelde zou maken.
5.14.
Dat brengt de rechtbank tot de bespreking van [gedaagde] betoog dat hij aan de late BKR-registratie in combinatie met het tijdsverloop tussen de brieven van 23 mei 2017 en 25 juni 2020 het vertrouwen mocht ontlenen dat ING de vordering niet meer te gelde zou maken. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Weliswaar had ING de BKR-registratie in 2013 kunnen doen en heeft zij de registratie in 2013 ook aangekondigd, maar daar staat tegenover dat Vesting Finance in de periode tussen de beëindiging van [gedaagde] faillissement in april 2013 en de BKR-registratie op 1 september 2020 negen brieven aan [gedaagde] zond, waarvan [gedaagde] er in ieder geval zes ontving. Omdat in deze brieven aanspraak werd gemaakt op voldoening van de schuld, kon [gedaagde] aan het tot 1 september 2020 ontbreken van een BKR-registratie niet het vertrouwen ontlenen dat ING de vordering niet te gelde zou maken.
5.15.
Het tijdsverloop tussen de brieven van 23 mei 2017 en 25 juni 2020 maakt dit niet anders.
Conclusie
5.23.
De vordering van ING kan worden toegewezen. Van verjaring is geen sprake. Evenmin is het uitoefenen van het vorderingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
5.24.
Gelet op de beperking van de vordering in deze procedure tot € 100.000,00 en het feit dat de hoofdschuld van [gedaagde] aan ING uit hoofde van de kredietovereenkomst dit bedrag te boven gaat, gaat de rechtbank niet in op de vraag of [gedaagde] tot de dag van dagvaarding rente over de hoofdsom verschuldigd is en zo ja, hoeveel. Ook de vraag of ING recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten hoeft gelet op de beperking van de vordering geen bespreking.
5.25.
De gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 100.000,00 met ingang van de datum van dagvaarding kan worden toegewezen nu daartegen geen verweer is gevoerd. ING heeft niet gespecificeerd of zij de rente van artikel 6:119 BW dan wel artikel 6:119a BW vordert. Omdat de eerste kredietovereenkomst voor 1 december 2002 is gesloten, wijst de rechtbank de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toe.
5.26.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
2.281,00
- salaris advocaat
€
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
6.461,47
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.28.
Nu de vordering in conventie wordt toegewezen, betekent dit dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen. ING heeft immers een onbetaalde vordering op [gedaagde] en had daarmee voldoende reden om beslag te leggen. En ook de BKR-registratie is in het licht van de toewijzing van de vordering in conventie terecht.
5.29.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- salaris advocaat
€
614,00
(2 punten × € 614,00 x ½)
- nakosten
€
100,00
Totaal
€
714,00
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ING Bank N.V. te betalen een bedrag van € 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.461,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 6.1, 6.2 en 6.3 genomen beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
6.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van EUR 714,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.6 en 6.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Baetsen en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.
[1729/3979]
HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104
Asser/Sieburgh 6-III 2022/423
HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0543.
Zie HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237
Zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1783 (https://www.inview.nl/document/idce753bed20fd49d8b38c487abfb2584c), r.o. 4.2:
Beoordeling
Weliswaar zit er twee jaar meer tijd tussen deze brieven dan het in de brief van 23 mei 2017 verleende betalingsuitstel van 12 maanden, maar dat doet niet af aan de duidelijke aanspraak in de brief van 23 mei 2017 op afbetaling van de schuld. Eenzelfde duidelijke aanspraak op afbetaling stond in de eerdere brieven die [gedaagde] van Vesting Finance ontving. Gelet hierop is het stilzitten van (Vesting Finance namens) ING in de periode 23 mei 2017 tot 25 juni 2020 niet een nalaten/handelen van ING dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het aanspraak maken op terugbetaling van de lening. Ook niet in combinatie met het niet eerder dan in augustus 2020 doen van de BKR-registratie.
5.16.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de inhoud van de brieven van Vesting Finance maken dat het uitoefenen van haar vorderingsrecht door ING naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde] zo dat [gedaagde] stelt dat het sturen van standaard aanmaningen gedurende een langere periode zonder tot rechtsmaatregelen over te gaan, maakt dat het in rechte geldend maken van het vorderingsrecht op enig moment naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in deze stelling. Een schuldeiser mag er gedurende de absolute verjaringstermijn in beginsel voor kiezen het treffen van rechtsmaatregelen uit te stellen en te volstaan met het stuiten van de relatieve verjaringstermijn. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die dat anders maken. Die zijn hier echter niet gesteld of gebleken. Integendeel. De contacten tussen Vesting Finance namens ING en [gedaagde] in de periode tussen de beëindiging van [gedaagde] faillissement en de dagvaarding in deze procedure gingen verder dan alleen het versturen van standaard aanmaningsbrieven. Er is in deze periode ook contact geweest tussen Vesting Finance en [gedaagde] dan wel [gedaagde] advocaat over [gedaagde] financiële positie, hetgeen meerdere malen heeft geleid tot het verlenen van betalingsuitstel. Ook is er overleg geweest over een minnelijke regeling.
5.17.
[gedaagde] beroep op rechtsverwerking kan dan ook niet slagen.
Schending zorgplicht
5.18.
[gedaagde] stelt dat ING door vanaf 2006 de kredietlimiet te verhogen tot €125.000,00 zonder zich ervan te vergewissen of [gedaagde] de bijbehorende verplichting kon voldoen, haar zorgplicht jegens [gedaagde] heeft geschonden. Dit brengt volgens [gedaagde] mee dat het te gelde maken van het vorderingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. ING heeft hier tegenin gebracht dat [gedaagde] moet bewijzen dat sprake is van een zorgplichtschending, welk bewijs [gedaagde] niet geleverd heeft.
5.19.
De zorgplicht van ING jegens [gedaagde] hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaring van [gedaagde] , de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico's. Daarbij geldt ten aanzien van de geldlening dat de zorgplicht van een bank ten opzichte van een ondernemer beperkt is, omdat een geldlening op zichzelf geen ingewikkeld product is.
5.20.
ING mocht dus in beginsel verwachten dat [gedaagde] als ondernemer in staat was te begrijpen welke verplichtingen hij met de verhoging van de kredietlimiet aanging en dat [gedaagde] ook in staat was in te schatten of hij aan die verplichtingen kon voldoen. ING hoefde dat – bijzondere omstandigheden daargelaten – niet te verifiëren of [gedaagde] uitdrukkelijk te wijzen op de risico’s als hij niet aan zijn verplichtingen kon voldoen. Het is aan [gedaagde] de bijzondere omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die maakten dat ING had moeten nagaan of hij begreep welke verplichtingen hij aanging met de verhoging van de kredietlimiet en of hij aan deze verplichtingen kon voldoen. Aan deze stelplicht heeft [gedaagde] niet voldaan. Aan het opdragen van bewijs komt de rechtbank dan niet toe.
5.21.
Dat [gedaagde] vloerenlegger was, levert zonder nadere toelichting geen bijzondere omstandigheid op als hiervoor bedoeld. Dit laat immers onverlet dat [gedaagde] zelfstandig ondernemer was. Het meerdere keren verhogen van de kredietlimiet levert evenmin een bijzondere omstandigheid op. De ervaring die [gedaagde] al had met kredietlening maakt juist dat ING ervan uit mocht gaan dat hij de gevolgen van de verhoging van de kredietlimiet voor zijn financiële verplichtingen begreep en kon inschatten of hij die kon nakomen. Dat ING uit de jaarcijfers van [gedaagde] onderneming had kunnen en moeten concluderen dat [gedaagde] zijn verplichtingen niet kon nakomen, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Een gedegen onderbouwing mocht wel van [gedaagde] worden verlangd, temeer gelet op het tijdverloop waardoor ING is benadeeld in haar mogelijkheden om te achterhalen en aan te tonen wat de precieze feitelijke gang van zaken destijds is geweest en op welke wijze zij destijds aan eventuele zorgplichten heeft voldaan. Het feit dat [gedaagde] failliet is gegaan, levert geen onderbouwing op van de verwijten die [gedaagde] ING nu maakt. [gedaagde] geeft zelf niet voldoende inzicht in de oorzaken van zijn faillissement of in zijn jaarcijfers. Dat ING haar eigen omzetcriterium van 25% van de kredietlimiet niet handhaafde, maakt evenmin dat aangenomen kan worden dat ING haar zorgplicht schond. ING heeft onweersproken gesteld dat het niet behalen van het omzetcriterium haar de discretionaire bevoegdheid gaf de kredietlimiet te verlagen, hetgeen geen verplichting is. Het 25%-criterium speelde bovendien geen rol bij de (laatste) verhoging van de kredietlimiet, maar was een recht dat ING had na de laatste verhoging van de kredietlimiet.
5.22.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] verweer dat ING haar zorgplicht heeft geschonden, niet slaagt.
Beoordeling
Weliswaar zit er twee jaar meer tijd tussen deze brieven dan het in de brief van 23 mei 2017 verleende betalingsuitstel van 12 maanden, maar dat doet niet af aan de duidelijke aanspraak in de brief van 23 mei 2017 op afbetaling van de schuld. Eenzelfde duidelijke aanspraak op afbetaling stond in de eerdere brieven die [gedaagde] van Vesting Finance ontving. Gelet hierop is het stilzitten van (Vesting Finance namens) ING in de periode 23 mei 2017 tot 25 juni 2020 niet een nalaten/handelen van ING dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het aanspraak maken op terugbetaling van de lening. Ook niet in combinatie met het niet eerder dan in augustus 2020 doen van de BKR-registratie.
5.16.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de inhoud van de brieven van Vesting Finance maken dat het uitoefenen van haar vorderingsrecht door ING naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde] zo dat [gedaagde] stelt dat het sturen van standaard aanmaningen gedurende een langere periode zonder tot rechtsmaatregelen over te gaan, maakt dat het in rechte geldend maken van het vorderingsrecht op enig moment naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in deze stelling. Een schuldeiser mag er gedurende de absolute verjaringstermijn in beginsel voor kiezen het treffen van rechtsmaatregelen uit te stellen en te volstaan met het stuiten van de relatieve verjaringstermijn. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die dat anders maken. Die zijn hier echter niet gesteld of gebleken. Integendeel. De contacten tussen Vesting Finance namens ING en [gedaagde] in de periode tussen de beëindiging van [gedaagde] faillissement en de dagvaarding in deze procedure gingen verder dan alleen het versturen van standaard aanmaningsbrieven. Er is in deze periode ook contact geweest tussen Vesting Finance en [gedaagde] dan wel [gedaagde] advocaat over [gedaagde] financiële positie, hetgeen meerdere malen heeft geleid tot het verlenen van betalingsuitstel. Ook is er overleg geweest over een minnelijke regeling.
5.17.
[gedaagde] beroep op rechtsverwerking kan dan ook niet slagen.
Schending zorgplicht
5.18.
[gedaagde] stelt dat ING door vanaf 2006 de kredietlimiet te verhogen tot €125.000,00 zonder zich ervan te vergewissen of [gedaagde] de bijbehorende verplichting kon voldoen, haar zorgplicht jegens [gedaagde] heeft geschonden. Dit brengt volgens [gedaagde] mee dat het te gelde maken van het vorderingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. ING heeft hier tegenin gebracht dat [gedaagde] moet bewijzen dat sprake is van een zorgplichtschending, welk bewijs [gedaagde] niet geleverd heeft.
5.19.
De zorgplicht van ING jegens [gedaagde] hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaring van [gedaagde] , de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico's. Daarbij geldt ten aanzien van de geldlening dat de zorgplicht van een bank ten opzichte van een ondernemer beperkt is, omdat een geldlening op zichzelf geen ingewikkeld product is.
5.20.
ING mocht dus in beginsel verwachten dat [gedaagde] als ondernemer in staat was te begrijpen welke verplichtingen hij met de verhoging van de kredietlimiet aanging en dat [gedaagde] ook in staat was in te schatten of hij aan die verplichtingen kon voldoen. ING hoefde dat – bijzondere omstandigheden daargelaten – niet te verifiëren of [gedaagde] uitdrukkelijk te wijzen op de risico’s als hij niet aan zijn verplichtingen kon voldoen. Het is aan [gedaagde] de bijzondere omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die maakten dat ING had moeten nagaan of hij begreep welke verplichtingen hij aanging met de verhoging van de kredietlimiet en of hij aan deze verplichtingen kon voldoen. Aan deze stelplicht heeft [gedaagde] niet voldaan. Aan het opdragen van bewijs komt de rechtbank dan niet toe.
5.21.
Dat [gedaagde] vloerenlegger was, levert zonder nadere toelichting geen bijzondere omstandigheid op als hiervoor bedoeld. Dit laat immers onverlet dat [gedaagde] zelfstandig ondernemer was. Het meerdere keren verhogen van de kredietlimiet levert evenmin een bijzondere omstandigheid op. De ervaring die [gedaagde] al had met kredietlening maakt juist dat ING ervan uit mocht gaan dat hij de gevolgen van de verhoging van de kredietlimiet voor zijn financiële verplichtingen begreep en kon inschatten of hij die kon nakomen. Dat ING uit de jaarcijfers van [gedaagde] onderneming had kunnen en moeten concluderen dat [gedaagde] zijn verplichtingen niet kon nakomen, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Een gedegen onderbouwing mocht wel van [gedaagde] worden verlangd, temeer gelet op het tijdverloop waardoor ING is benadeeld in haar mogelijkheden om te achterhalen en aan te tonen wat de precieze feitelijke gang van zaken destijds is geweest en op welke wijze zij destijds aan eventuele zorgplichten heeft voldaan. Het feit dat [gedaagde] failliet is gegaan, levert geen onderbouwing op van de verwijten die [gedaagde] ING nu maakt. [gedaagde] geeft zelf niet voldoende inzicht in de oorzaken van zijn faillissement of in zijn jaarcijfers. Dat ING haar eigen omzetcriterium van 25% van de kredietlimiet niet handhaafde, maakt evenmin dat aangenomen kan worden dat ING haar zorgplicht schond. ING heeft onweersproken gesteld dat het niet behalen van het omzetcriterium haar de discretionaire bevoegdheid gaf de kredietlimiet te verlagen, hetgeen geen verplichting is. Het 25%-criterium speelde bovendien geen rol bij de (laatste) verhoging van de kredietlimiet, maar was een recht dat ING had na de laatste verhoging van de kredietlimiet.
5.22.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] verweer dat ING haar zorgplicht heeft geschonden, niet slaagt.