Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-08
ECLI:NL:RBROT:2024:6853
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,380 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5311
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. E. van Pernis-van de Wal).
Inleiding
1. Met het bestreden besluit van 2 mei 2024 heeft het CBR het rijbewijs van verzoeker vanaf 9 mei 2024 ongeldig verklaard omdat hij niet (volledig) heeft meegewerkt aan het onderzoek naar zijn rijvaardigheid. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Met de beslissing op het bezwaar van 3 juni 2024 heeft het CBR het bezwaar gegrond verklaard. Het CBR heeft het besluit van 2 mei 2024 herroepen en de ongeldigverklaring van het rijbewijs opgeheven. Verzoeker moet nog wel meewerken aan het onderzoek naar zijn rijvaardigheid. Hierbij mag als tijdelijke oplossing zijn rijinstructeur optreden als tolk.
3. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 juni 2024 ingetrokken met daarbij het verzoek het CBR te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
4. De voorzieningenrechter heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het CBR heeft de rechtbank meegedeeld dat het CBR bereid is om de griffierechten en de kosten voor het indienen van een verzoekschrift te vergoeden.
5. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
6. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
7. Verzoeker wilde met zijn verzoek bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst. Door het bezwaar gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen, is het CBR feitelijk tegemoetgekomen aan het verzoek van verzoeker. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt, reden is om het verzoek om een proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld.
8. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het CBR in de proceskosten te veroordelen toe. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- met wegingsfactor 1).
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. De voorzieningenrechter wijst erop dat het CBR het door verzoeker betaalde griffierecht van € 187,- kan vergoeden. Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het CBR wenden.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt het CBR tot betaling van € 875,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2024.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
In de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk de uitspraak van de CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, zesde lid, van de Awb.