Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-30
ECLI:NL:RBROT:2024:4134
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,593 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1141
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2024 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. R. van der Hulle),
en
de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van verweerder van 11 januari 2024 (met kenmerk [kenmerknummer] ). Verzoekster heeft ook beroep ingesteld tegen het besluit van 11 januari 2024.
1.1.
Zij heeft het verzoek ingetrokken omdat verweerder heeft laten weten de werking van dit besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat met toekenning van 1 punt overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht voor het verlenen van beroepsmatige rechtsbijstand (indiening verzoekschrift) kan worden ingestemd. Wel meent verweerder dat sprake is van een lichte zaak. Met het verzoek wilde verzoekster bereiken dat feitelijke openbaarmaking van haar gegevens werd opgeschort tot na de uitspraak in de bodemprocedure. In het bestreden besluit was reeds vermeld dat het instellen van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening gelijktijdig met een beroep tot schorsing zou leiden. Het verzoek was dan ook niet complex. Gelet hierop verzoekt verweerder daarom een wegingsfactor van 0,5 toe te passen op de vergoeding voor indiening van het verzoekschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is verweerder aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Verweerder is met het verlengen van de openbaarmakingstermijn aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt, reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient verweerder te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert in beginsel één punt met een waarde van € 875,- op. Verweerder heeft naar voren gebracht dat al bekend was dat de openbaarmaking zou worden opgeschort indien verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening zou indienen en dat de zaak daarom van licht gewicht is en wegingsfactor 0,5 toegepast dient te worden. De voorzieningenrechter kan verweerder hierin volgen, temeer nu in het bestreden besluit het voorgaande ook is opgenomen. Verzoeker had kunnen volstaan met een pro forma verzoek om voorlopige voorziening. Dat betekent dat verweerder € 437,50,- aan proceskosten moet vergoeden.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat verweerder de werking van het besluit van 11 januari 2024 heeft opgeschort totdat op het beroep is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoekster terug.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. H. de Vries, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024.
De griffier en voorzieningenrechter zijn verhinderd te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de procedure voor voorlopige voorzieningen.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.