Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-13
ECLI:NL:RBROT:2024:2016
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,740 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1035
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit Rotterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. E.A.L. Kortrijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).
Inleiding
1. Met het besluit van 20 september 2022 (het primaire besluit) heeft het college aan eiseres medegedeeld dat, rekening houdend met de waarde van haar woning op grond van de Wet waardering onroerende zaken (‘WOZ-waarde’) van € 259.000,- voor een bedrag van
€ 150.821,15 een krediethypotheek dient te worden gevestigd.
1.1, Met het besluit van 6 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft op 2 juni 2023 nog een brief ingediend.
1.3.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. P.M. van der Horst, als vervanger van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van het college.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen na te gaan of er een andere mogelijkheid tot garantstelling is dan de vestiging van een krediethypotheek. Bij brief van 1 augustus 2023 heeft eiseres waarborgen voor de afbetaling van de schuld aan het college ingezonden. Bij brief van 4 augustus 2023 heeft het college gereageerd op de door eiseres aangeboden waarborgen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.
Beoordeling
2. Eiseres ontvangt sinds 1 augustus 2020 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) in de vorm van een geldlening, omdat zij eigenaar is van een woning.
2.1.
Eiseres bewoont sinds 13 januari 2007 een woning aan de [adres] (de woning) in Rotterdam. Uit een onderzoek van W&I is gebleken dat er vermogen is in de woning dat voor vestiging van een krediethypotheek in aanmerking komt. Dit is met het primaire besluit aan eiseres bekendgemaakt. Eiseres heeft tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend, dat bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard.
3. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres eigenaar is van de door haarzelf bewoonde woning. De WOZ-waarde van de door haar bewoonde woning bedraagt € 259.000,- (peiljaar 2020). Het saldo van de hypotheek bedraagt
€ 53.278,85. Het vermogen in de woning is vastgesteld op € 205.721,15. Vrijlating in de woning is op basis van de Pw in het jaar 2020 vastgesteld op € 52.500,-. Het maximale leenbedrag is op basis van het voorgaande vastgesteld op € 150.821,15.
4. In artikel 48, derde lid, van de Pw is bepaald dat het college aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen kan verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
4.1.
Op grond van artikel 50, eerste lid, van de Pw heeft de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
4.2.
In artikel 50, tweede lid, van de Pw is bepaald dat, indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, die bijstand de vorm van een geldlening heeft:
a. indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d.
4.3.
Het college voert het beleid dat indien met toepassing van artikel 50 van de Pw bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, de bijstand wordt verleend onder vestiging van een krediethypotheek en dat de vestiging van een krediethypotheek en de terugbetaling van de geldlening worden gebaseerd op de regels in de Handreiking Krediethypotheek Bijstand van Stimulansz, november 2019. Voorts heeft het college in zijn beleid onder meer bepaald dat het niet is toegestaan gedurende een aaneengesloten periode van bijstandverlening de waarde van de woning opnieuw vast te stellen omdat de belanghebbende duidelijkheid moet hebben over het bedrag van de lening. Alleen als de bijstandverlening langdurig wordt onderbroken, te weten voor een periode van meer dan twee jaar, wordt bij een nieuwe aanvraag de krediethypotheek opnieuw beoordeeld. Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstand opnieuw recht op bijstand ontstaat, dan wordt de bijstand verleend onder verband van de laatst gevestigde hypotheek.
4.4.
Niet in geschil is dat is voldaan aan de in artikel 50, tweede lid, onder a en b, van de Pw genoemde voorwaarden en dat het college op grond van artikel 50 van de Pw daarom gehouden was de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken.
4.5.
Artikel 48, derde lid, van de Pw geeft het college de bevoegdheid om aan de bijstandverlening de verplichting te verbinden een krediethypotheek te vestigen. De wetgever heeft bij de invoering van de WWB nadrukkelijk overwogen dat met het vervallen van het Besluit krediethypotheek per 1 januari 2004 het voor gemeenten nog steeds mogelijk blijft om een krediethypotheek op een eigen woning te vestigen en dat het binnen de systematiek van de WWB past om gemeenten de bevoegdheid te geven al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheden van zekerheidsrechten (Kamerstukken II, 2002/03, 28 870, nr. 13, blz. 171). Dit is onder de Pw niet anders.
Gelet hierop valt niet in te zien waarom het college niet bevoegd zou zijn om voor de wijze waarop van de hem toekomende bevoegdheid als bedoeld in artikel 48, derde lid, van de Pw gebruik wordt gemaakt, beleid vast te stellen. Er bestaat geen grond voor het standpunt dat het college buiten de grenzen is getreden van een redelijke beleidsbepaling.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden in bezwaar, aangezien zij op dat moment niet langer een uitkering op grond van de Pw ontving. Er had dan ook moeten worden bezien of de totale hoogte van de te vestigen hypotheek nog wel passend was ten opzichte van het bedrag dat zij aan bijstand in de vorm van een geldlening heeft ontvangen. Verder wijst eiseres erop dat het twee jaar heeft geduurd voordat het besluit is genomen dat een krediethypotheek dient te worden gevestigd. Dit is onevenredig bezwarend, omdat zij hierdoor niet eerder in de gelegenheid is geweest om een afweging te maken of zij de uitkering wilde hebben of behouden.
5.1.
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat er geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden in bezwaar en dat dit onevenredig bezwarend voor eiseres is geweest overweegt de rechtbank als volgt. Ten tijde van het primaire besluit en het bestreden besluit was niet bekend of eiseres langdurig niet bijstandsbehoeftig zou zijn. Uit artikel 7 van het Besluit krediethypotheek volgt dat, indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandverlening onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, deze wordt verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek. Het college wijkt hier, ten gunste van de werkzoekende, vanaf en hanteert een termijn van zes maanden. Op het moment dat eiseres binnen zes maanden na de beëindiging van de bijstandsuitkering weer bijstandsbehoeftig zou worden, wordt de bijstand verleend onder verband van de laatst gevestigde hypotheek. Ten tijde van het bestreden besluit was deze termijn van zes maanden nog niet verstreken. Het college had dan ook een belang bij de vestiging van een krediethypotheek voor het maximale vestigingsbedrag. Het college heeft in het verweerschrift aangevoerd dat zij het beleid voert dat voor vorderingen boven het grensbedrag van € 6.000,- alsnog een krediethypotheek wordt gevestigd om zekerheid te
hebben voor terugbetaling. In geval van eiseres bedraagt de vordering € 10.865,47 zodat dit grensbedrag ruim is overschreden. Conform het beleid heeft het college dan ook een krediethypotheek gevestigd. Het college hoefde naar het oordeel van de rechtbank niet van haar beleid af te wijken. Bj het toekenningsbesluit van 21 juli 2020 is eiseres bericht dat de bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening en dat wordt onderzocht of het mogelijk is dat zij een krediethypotheek krijgt. Zij is dan ook vanaf het begin geïnformeerd dat deze mogelijkheid bestond, zodat zij op dat moment ook de afweging had kunnen maken of zij wel of geen bijstand wenste te ontvangen. Dat het twee jaar heeft geduurd voordat aan eiseres is medegedeeld dat een krediethypotheek dient te worden gevestigd, maakt dit niet anders.
5.2.
Met betrekking tot de door eiseres aangeboden waarborgen voor de afbetaling van de schuld aan het college oordeelt de rechtbank dat deze waarborgen onvoldoende zekerheid bieden voor het college. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd gesteld dat de aangeboden waarborgen niet die mate van zekerheid kunnen bieden voor de terugbetaling van de gehele lening die de vestiging van een krediethypotheek wél biedt.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024.
De griffier en de rechter zijn verhinderd te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1035
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit Rotterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. E.A.L. Kortrijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).
Inleiding
1. Met het besluit van 20 september 2022 (het primaire besluit) heeft het college aan eiseres medegedeeld dat, rekening houdend met de waarde van haar woning op grond van de Wet waardering onroerende zaken (‘WOZ-waarde’) van € 259.000,- voor een bedrag van
€ 150.821,15 een krediethypotheek dient te worden gevestigd.
1.1, Met het besluit van 6 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft op 2 juni 2023 nog een brief ingediend.
1.3.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. P.M. van der Horst, als vervanger van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van het college.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen na te gaan of er een andere mogelijkheid tot garantstelling is dan de vestiging van een krediethypotheek. Bij brief van 1 augustus 2023 heeft eiseres waarborgen voor de afbetaling van de schuld aan het college ingezonden. Bij brief van 4 augustus 2023 heeft het college gereageerd op de door eiseres aangeboden waarborgen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek zonder nadere zitting gesloten.
Beoordeling
2. Eiseres ontvangt sinds 1 augustus 2020 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) in de vorm van een geldlening, omdat zij eigenaar is van een woning.
2.1.
Eiseres bewoont sinds 13 januari 2007 een woning aan de [adres] (de woning) in Rotterdam. Uit een onderzoek van W&I is gebleken dat er vermogen is in de woning dat voor vestiging van een krediethypotheek in aanmerking komt. Dit is met het primaire besluit aan eiseres bekendgemaakt. Eiseres heeft tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend, dat bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard.
3. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres eigenaar is van de door haarzelf bewoonde woning. De WOZ-waarde van de door haar bewoonde woning bedraagt € 259.000,- (peiljaar 2020). Het saldo van de hypotheek bedraagt
€ 53.278,85. Het vermogen in de woning is vastgesteld op € 205.721,15. Vrijlating in de woning is op basis van de Pw in het jaar 2020 vastgesteld op € 52.500,-. Het maximale leenbedrag is op basis van het voorgaande vastgesteld op € 150.821,15.
4. In artikel 48, derde lid, van de Pw is bepaald dat het college aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen kan verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
4.1.
Op grond van artikel 50, eerste lid, van de Pw heeft de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
4.2.
In artikel 50, tweede lid, van de Pw is bepaald dat, indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, die bijstand de vorm van een geldlening heeft:
a. indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d.
4.3.
Het college voert het beleid dat indien met toepassing van artikel 50 van de Pw bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, de bijstand wordt verleend onder vestiging van een krediethypotheek en dat de vestiging van een krediethypotheek en de terugbetaling van de geldlening worden gebaseerd op de regels in de Handreiking Krediethypotheek Bijstand van Stimulansz, november 2019. Voorts heeft het college in zijn beleid onder meer bepaald dat het niet is toegestaan gedurende een aaneengesloten periode van bijstandverlening de waarde van de woning opnieuw vast te stellen omdat de belanghebbende duidelijkheid moet hebben over het bedrag van de lening. Alleen als de bijstandverlening langdurig wordt onderbroken, te weten voor een periode van meer dan twee jaar, wordt bij een nieuwe aanvraag de krediethypotheek opnieuw beoordeeld. Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstand opnieuw recht op bijstand ontstaat, dan wordt de bijstand verleend onder verband van de laatst gevestigde hypotheek.
4.4.
Niet in geschil is dat is voldaan aan de in artikel 50, tweede lid, onder a en b, van de Pw genoemde voorwaarden en dat het college op grond van artikel 50 van de Pw daarom gehouden was de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken.
4.5.
Artikel 48, derde lid, van de Pw geeft het college de bevoegdheid om aan de bijstandverlening de verplichting te verbinden een krediethypotheek te vestigen. De wetgever heeft bij de invoering van de WWB nadrukkelijk overwogen dat met het vervallen van het Besluit krediethypotheek per 1 januari 2004 het voor gemeenten nog steeds mogelijk blijft om een krediethypotheek op een eigen woning te vestigen en dat het binnen de systematiek van de WWB past om gemeenten de bevoegdheid te geven al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheden van zekerheidsrechten (Kamerstukken II, 2002/03, 28 870, nr. 13, blz. 171). Dit is onder de Pw niet anders.
Gelet hierop valt niet in te zien waarom het college niet bevoegd zou zijn om voor de wijze waarop van de hem toekomende bevoegdheid als bedoeld in artikel 48, derde lid, van de Pw gebruik wordt gemaakt, beleid vast te stellen. Er bestaat geen grond voor het standpunt dat het college buiten de grenzen is getreden van een redelijke beleidsbepaling.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden in bezwaar, aangezien zij op dat moment niet langer een uitkering op grond van de Pw ontving. Er had dan ook moeten worden bezien of de totale hoogte van de te vestigen hypotheek nog wel passend was ten opzichte van het bedrag dat zij aan bijstand in de vorm van een geldlening heeft ontvangen. Verder wijst eiseres erop dat het twee jaar heeft geduurd voordat het besluit is genomen dat een krediethypotheek dient te worden gevestigd. Dit is onevenredig bezwarend, omdat zij hierdoor niet eerder in de gelegenheid is geweest om een afweging te maken of zij de uitkering wilde hebben of behouden.
5.1.
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat er geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden in bezwaar en dat dit onevenredig bezwarend voor eiseres is geweest overweegt de rechtbank als volgt. Ten tijde van het primaire besluit en het bestreden besluit was niet bekend of eiseres langdurig niet bijstandsbehoeftig zou zijn. Uit artikel 7 van het Besluit krediethypotheek volgt dat, indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandverlening onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, deze wordt verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek. Het college wijkt hier, ten gunste van de werkzoekende, vanaf en hanteert een termijn van zes maanden. Op het moment dat eiseres binnen zes maanden na de beëindiging van de bijstandsuitkering weer bijstandsbehoeftig zou worden, wordt de bijstand verleend onder verband van de laatst gevestigde hypotheek. Ten tijde van het bestreden besluit was deze termijn van zes maanden nog niet verstreken. Het college had dan ook een belang bij de vestiging van een krediethypotheek voor het maximale vestigingsbedrag. Het college heeft in het verweerschrift aangevoerd dat zij het beleid voert dat voor vorderingen boven het grensbedrag van € 6.000,- alsnog een krediethypotheek wordt gevestigd om zekerheid te
hebben voor terugbetaling. In geval van eiseres bedraagt de vordering € 10.865,47 zodat dit grensbedrag ruim is overschreden. Conform het beleid heeft het college dan ook een krediethypotheek gevestigd. Het college hoefde naar het oordeel van de rechtbank niet van haar beleid af te wijken. Bj het toekenningsbesluit van 21 juli 2020 is eiseres bericht dat de bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening en dat wordt onderzocht of het mogelijk is dat zij een krediethypotheek krijgt. Zij is dan ook vanaf het begin geïnformeerd dat deze mogelijkheid bestond, zodat zij op dat moment ook de afweging had kunnen maken of zij wel of geen bijstand wenste te ontvangen. Dat het twee jaar heeft geduurd voordat aan eiseres is medegedeeld dat een krediethypotheek dient te worden gevestigd, maakt dit niet anders.
5.2.
Met betrekking tot de door eiseres aangeboden waarborgen voor de afbetaling van de schuld aan het college oordeelt de rechtbank dat deze waarborgen onvoldoende zekerheid bieden voor het college. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd gesteld dat de aangeboden waarborgen niet die mate van zekerheid kunnen bieden voor de terugbetaling van de gehele lening die de vestiging van een krediethypotheek wél biedt.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024.
De griffier en de rechter zijn verhinderd te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.