Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-02-13
ECLI:NL:RBROT:2024:1467
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
582 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10-99706-14
Datum uitspraak: 13 februari 2024
Tegenspraak (gemachtigd raadsman)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de rechtspersoon:
[bedrijf01] B.V.,
gevestigd [vestigingsadres01] , [postcode01] te [vestigingsplaats01] ,
raadsman mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam.
1
Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2024.
2
Voorafgaand vonnis
Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 november 2023 is de rechtspersoon [bedrijf01] B.V. vrijgesproken van het feit waarop de vordering is gebaseerd. Dit arrest is inmiddels onherroepelijk.
3
Vordering
De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van €469.166,00.
4
Ontvankelijkheid officier van justitie
De officier van justitie mr. K. Broere, heeft ter zitting geconcludeerd tot haar niet-ontvankelijkheid in de vordering.
De raadsman heeft zich hierbij aangesloten.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie, gelet op de vrijspraak in de onderliggende strafzaak, in de vordering tot ontneming niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De vervolging van de rechtspersoon heeft niet tot een veroordeling geleid en het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit staat aan de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg (vgl. Hoge Raad 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Rabbie, voorzitter,
en mrs. M.C. Franken en T.M. Riemens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2024.