Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2022-02-21
ECLI:NL:RBROT:2022:1679
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,302 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/379
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 februari 2022 in de zaak tussen
[naam verzoekster], te [vestigingsplaats verzoekster], verzoekster
(gemachtigde: mr. K. van der Hoeven),
en
de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Mattemaker en P. Thiemann).
Procesverloop
In het besluit van 11 januari 2022 heeft verweerder geweigerd om aan verzoekster een vergunning te verlenen voor het exploiteren van speelautomaten.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 februari 2022 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van verzoekster, [naam] (namens verzoekster) en de gemachtigden van verweerder.
Overwegingen
Waar gaat het in deze zaak om?
1. Verzoekster heeft op 18 januari 2021 een vergunning aangevraagd voor het exploiteren van speelautomaten. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat er sprake zou zijn van slecht levensgedrag van verzoekster en de bedrijfsleider ([naam]). Verzoekster is het niet eens met dit besluit en wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat zij zonder vergunning speelautomaten mag exploiteren, in ieder geval totdat er op haar bezwaarschrift is beslist.
Is er sprake van spoedeisend belang?
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. Dit betekent dat verzoekster erop bedacht moet zijn dat er tijdens de zitting nog vragen kunnen worden gesteld over het spoedeisend belang.
3. Verzoekster was in het bezit van een exploitatievergunning die geldig was tot en met 31 mei 2021. Omdat verzoekster tijdig een nieuwe aanvraag heeft ingediend en de behandeling van die aanvraag langer heeft geduurd dan voorzien, heeft verweerder aan verzoekster laten weten dat hij pas gaat handhaven als de aanvraag is afgewezen. Dit betekent dat verzoekster tot 11 januari 2022 nog speelautomaten kon exploiteren en daarna niet meer.
4.1
Verzoekster houdt zich niet alleen bezig met de exploitatie van speelautomaten, maar ook met (onder meer) de verkoop en reparaties van speelautomaten. Hierdoor komt de vraag op hoeveel inkomsten verzoekster genereert met de exploitatie van speelautomaten en of haar voortbestaan op korte termijn in gevaar komt als deze inkomsten wegvallen. Verweerder verwacht dat eind april 2022 een beslissing wordt genomen op het bezwaar-schrift. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of verzoekster die termijn zou kunnen overbruggen.
4.2
Verzoekster heeft tijdens de zitting een winst- en verliesrekening overgelegd die ziet op de jaren 2019 en 2020. In 2019 was de omzet van de exploitatie van speelautomaten ongeveer 14% van de totale omzet en in 2020 was dat ongeveer 18%. Verzoekster haalt juist veel omzet uit de verkoop van speelautomaten en onderdelen. Daartegenover staat dat die speelautomaten en onderdelen ingekocht moeten worden; de omzet van de verkopen is dus niet gelijk aan de winst die daarmee behaald wordt. Als rekening wordt gehouden met de inkopen, dan lijkt het erop dat verzoekster het merendeel (meer dan 50%) van haar inkomsten haalt uit de verkoop van speelautomaten en onderdelen. De weigering van de exploitatievergunning staat hieraan niet in de weg.
Volgens verzoekster komt 60% van haar inkomsten uit de exploitatie van speelautomaten. De voorzieningenrechter vindt dat zij dit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, omdat er over 2021 geen gegevens zijn verstrekt. Hierdoor is het ook duidelijk of verzoekster inderdaad geconfronteerd wordt met een terugloop in het aantal verkopen van speel-automaten, zoals ter zitting is gesteld. Daarnaast is niet bekend of verzoekster reserves heeft waarmee zij de periode tot eind april 2022 zou kunnen overbruggen. Verzoekster heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er op dit moment sprake is van een spoed-eisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Is er sprake van een evident onrechtmatig besluit?
5. De gevraagde voorziening kan verder alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken.
6. Volgens verweerder is er bij verzoekster en [naam] sprake van slecht levens-gedrag, onder meer omdat [naam bedrijf 1] en verzoekster illegaal online kansspelaanbod hebben gefaciliteerd. Dit wordt ook toegerekend aan [naam]. Het faciliteren van illegaal online kansspelaanbod bestaat er volgens verweerder uit dat er door [naam bedrijf 1] op diverse locaties zogenaamde Cash Centers zijn geplaatst, die een cruciale rol hebben gespeeld bij het gokken via de illegale gokwebsite [website]. [naam bedrijf 1] heeft deze Cash Centers gekocht van verzoekster.
7. Om deel te nemen aan de kansspelen op de website [website] moest eerst een account worden aangemaakt en dat kon alleen via een Cash Center, waarna vervolgens contant geld op de aangemaakte account via zo’n Cash Center kon worden gestort. Daarnaast kon het geld van een forzza-account alleen worden geïnd via een Cash Center. [naam bedrijf 1] heeft met de geplaatste Cash Centers een aanzienlijke omzet behaald aan afgesloten weddenschappen. Dit alles betwist verzoekster niet. Gelet hierop en de onderlinge relatie tussen [naam bedrijf 1] en verzoekster, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk maakt dat verzoekster illegaal gokken heeft gefaciliteerd. Dat ook op andere manieren (via Visacard of Mastercard) een tegoed op een forzza-account kon worden gezet, doet niets af aan de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken. Verweerder kan dus het faciliteren van illegaal gokken ten grondslag leggen aan de weigering of intrekking van een exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag.
Ten aanzien van de gronden die verzoekster heeft aangevoerd die zien op het slechte levensgedrag en het faciliteren van illegaal gokken, overweegt de voorzieningenrechter dat deze gronden een diepgaand onderzoek vragen naar de relevante feiten en/of het recht.
Zij ziet zonder zo’n diepgaand onderzoek niet in dat zeer ernstig betwijfeld moet worden dat het bestreden besluit ten aanzien van het faciliteren van illegaal gokken, tot stand is gekomen met schending van het legaliteitsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en/of van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel dan wel met misbruik van bevoegdheid, zoals verzoekster betoogt.
Belangenafweging
8. De voorzieningenrechter ziet – alles afwegend – geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Op dit moment is niet gebleken dat het voortbestaan van verzoekster op heel korte termijn in gevaar komt. Mocht dit anders zijn, dan kan verzoekster een nieuw verzoek om voorlopige voorziening indienen en het spoedeisend belang beter onderbouwen, bijvoorbeeld met een verklaring van een boekhouder met een prognose voor de nabije toekomst. Ook ziet de voorzieningenrechter op voorhand niet dat het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Volgens verweerder heeft verzoekster illegaal gokken gefaciliteerd en de voorzieningenrechter vindt dat standpunt vooralsnog niet onaannemelijk. Illegaal gokken brengt (grote) risico’s met zich mee voor de samenleving, zoals het in de hand werken van een gokverslaving. Verzoekster houdt zich bedrijfsmatig bezig met speelautomaten, zodat van haar verwacht mag worden dat zij op de hoogte is van de regelgeving en zich verre houdt van het faciliteren van illegale gokpraktijken. Weliswaar zijn alle Cash Centers in maart 2019 in beslag genomen, maar dat geeft geen garantie dat verzoekster zich in de toekomst zal gedragen op een wijze die als maatschappelijk aanvaardbaar wordt beschouwd.
Dit alles bij elkaar maakt dat de voorzieningenrechter het belang van verweerder (en de samenleving) zwaarder laat wegen dan het belang van verzoekster.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2022.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Onder exploiteren wordt verstaan het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten (artikel 30h, tweede lid, van de Wet op de kansspelen).
Controleren of verzoekster zich aan de regels houdt en ingrijpen als die regels worden overtreden.
[naam bedrijf 1] staat via [naam bedrijf 2] in relatie tot verzoekster en [naam].
Zie in dit verband ook overweging 9 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:224.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3082.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/379
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 februari 2022 in de zaak tussen
[naam verzoekster], te [vestigingsplaats verzoekster], verzoekster
(gemachtigde: mr. K. van der Hoeven),
en
de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Mattemaker en P. Thiemann).
Procesverloop
In het besluit van 11 januari 2022 heeft verweerder geweigerd om aan verzoekster een vergunning te verlenen voor het exploiteren van speelautomaten.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 februari 2022 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van verzoekster, [naam] (namens verzoekster) en de gemachtigden van verweerder.
Overwegingen
Waar gaat het in deze zaak om?
1. Verzoekster heeft op 18 januari 2021 een vergunning aangevraagd voor het exploiteren van speelautomaten. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat er sprake zou zijn van slecht levensgedrag van verzoekster en de bedrijfsleider ([naam]). Verzoekster is het niet eens met dit besluit en wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat zij zonder vergunning speelautomaten mag exploiteren, in ieder geval totdat er op haar bezwaarschrift is beslist.
Is er sprake van spoedeisend belang?
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. Dit betekent dat verzoekster erop bedacht moet zijn dat er tijdens de zitting nog vragen kunnen worden gesteld over het spoedeisend belang.
3. Verzoekster was in het bezit van een exploitatievergunning die geldig was tot en met 31 mei 2021. Omdat verzoekster tijdig een nieuwe aanvraag heeft ingediend en de behandeling van die aanvraag langer heeft geduurd dan voorzien, heeft verweerder aan verzoekster laten weten dat hij pas gaat handhaven als de aanvraag is afgewezen. Dit betekent dat verzoekster tot 11 januari 2022 nog speelautomaten kon exploiteren en daarna niet meer.
4.1
Verzoekster houdt zich niet alleen bezig met de exploitatie van speelautomaten, maar ook met (onder meer) de verkoop en reparaties van speelautomaten. Hierdoor komt de vraag op hoeveel inkomsten verzoekster genereert met de exploitatie van speelautomaten en of haar voortbestaan op korte termijn in gevaar komt als deze inkomsten wegvallen. Verweerder verwacht dat eind april 2022 een beslissing wordt genomen op het bezwaar-schrift. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of verzoekster die termijn zou kunnen overbruggen.
4.2
Verzoekster heeft tijdens de zitting een winst- en verliesrekening overgelegd die ziet op de jaren 2019 en 2020. In 2019 was de omzet van de exploitatie van speelautomaten ongeveer 14% van de totale omzet en in 2020 was dat ongeveer 18%. Verzoekster haalt juist veel omzet uit de verkoop van speelautomaten en onderdelen. Daartegenover staat dat die speelautomaten en onderdelen ingekocht moeten worden; de omzet van de verkopen is dus niet gelijk aan de winst die daarmee behaald wordt. Als rekening wordt gehouden met de inkopen, dan lijkt het erop dat verzoekster het merendeel (meer dan 50%) van haar inkomsten haalt uit de verkoop van speelautomaten en onderdelen. De weigering van de exploitatievergunning staat hieraan niet in de weg.
Volgens verzoekster komt 60% van haar inkomsten uit de exploitatie van speelautomaten. De voorzieningenrechter vindt dat zij dit onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, omdat er over 2021 geen gegevens zijn verstrekt. Hierdoor is het ook duidelijk of verzoekster inderdaad geconfronteerd wordt met een terugloop in het aantal verkopen van speel-automaten, zoals ter zitting is gesteld. Daarnaast is niet bekend of verzoekster reserves heeft waarmee zij de periode tot eind april 2022 zou kunnen overbruggen. Verzoekster heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er op dit moment sprake is van een spoed-eisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Is er sprake van een evident onrechtmatig besluit?
5. De gevraagde voorziening kan verder alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken.
6. Volgens verweerder is er bij verzoekster en [naam] sprake van slecht levens-gedrag, onder meer omdat [naam bedrijf 1] en verzoekster illegaal online kansspelaanbod hebben gefaciliteerd. Dit wordt ook toegerekend aan [naam]. Het faciliteren van illegaal online kansspelaanbod bestaat er volgens verweerder uit dat er door [naam bedrijf 1] op diverse locaties zogenaamde Cash Centers zijn geplaatst, die een cruciale rol hebben gespeeld bij het gokken via de illegale gokwebsite [website]. [naam bedrijf 1] heeft deze Cash Centers gekocht van verzoekster.
7. Om deel te nemen aan de kansspelen op de website [website] moest eerst een account worden aangemaakt en dat kon alleen via een Cash Center, waarna vervolgens contant geld op de aangemaakte account via zo’n Cash Center kon worden gestort. Daarnaast kon het geld van een forzza-account alleen worden geïnd via een Cash Center. [naam bedrijf 1] heeft met de geplaatste Cash Centers een aanzienlijke omzet behaald aan afgesloten weddenschappen. Dit alles betwist verzoekster niet. Gelet hierop en de onderlinge relatie tussen [naam bedrijf 1] en verzoekster, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk maakt dat verzoekster illegaal gokken heeft gefaciliteerd. Dat ook op andere manieren (via Visacard of Mastercard) een tegoed op een forzza-account kon worden gezet, doet niets af aan de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken. Verweerder kan dus het faciliteren van illegaal gokken ten grondslag leggen aan de weigering of intrekking van een exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag.
Ten aanzien van de gronden die verzoekster heeft aangevoerd die zien op het slechte levensgedrag en het faciliteren van illegaal gokken, overweegt de voorzieningenrechter dat deze gronden een diepgaand onderzoek vragen naar de relevante feiten en/of het recht.
Zij ziet zonder zo’n diepgaand onderzoek niet in dat zeer ernstig betwijfeld moet worden dat het bestreden besluit ten aanzien van het faciliteren van illegaal gokken, tot stand is gekomen met schending van het legaliteitsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en/of van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel dan wel met misbruik van bevoegdheid, zoals verzoekster betoogt.
Belangenafweging
8. De voorzieningenrechter ziet – alles afwegend – geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Op dit moment is niet gebleken dat het voortbestaan van verzoekster op heel korte termijn in gevaar komt. Mocht dit anders zijn, dan kan verzoekster een nieuw verzoek om voorlopige voorziening indienen en het spoedeisend belang beter onderbouwen, bijvoorbeeld met een verklaring van een boekhouder met een prognose voor de nabije toekomst. Ook ziet de voorzieningenrechter op voorhand niet dat het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Volgens verweerder heeft verzoekster illegaal gokken gefaciliteerd en de voorzieningenrechter vindt dat standpunt vooralsnog niet onaannemelijk. Illegaal gokken brengt (grote) risico’s met zich mee voor de samenleving, zoals het in de hand werken van een gokverslaving. Verzoekster houdt zich bedrijfsmatig bezig met speelautomaten, zodat van haar verwacht mag worden dat zij op de hoogte is van de regelgeving en zich verre houdt van het faciliteren van illegale gokpraktijken. Weliswaar zijn alle Cash Centers in maart 2019 in beslag genomen, maar dat geeft geen garantie dat verzoekster zich in de toekomst zal gedragen op een wijze die als maatschappelijk aanvaardbaar wordt beschouwd.
Dit alles bij elkaar maakt dat de voorzieningenrechter het belang van verweerder (en de samenleving) zwaarder laat wegen dan het belang van verzoekster.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2022.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Onder exploiteren wordt verstaan het bedrijfsmatig en als eigenaar gebruiken of aan een ander in gebruik geven van een of meer speelautomaten (artikel 30h, tweede lid, van de Wet op de kansspelen).
Controleren of verzoekster zich aan de regels houdt en ingrijpen als die regels worden overtreden.
[naam bedrijf 1] staat via [naam bedrijf 2] in relatie tot verzoekster en [naam].
Zie in dit verband ook overweging 9 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:224.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3082.