Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-11-23
ECLI:NL:RBROT:2021:11713
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,019 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/5693
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2021 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1]
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een ontheffing op het verbod op het vissen met kreeftenkorven in het kader van onderzoek (ontheffing) afgewezen.
Bij besluit van 17 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2021 op zitting behandeld. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een ontheffing voor het vissen met rivierkreeftenkorven in de poldersloten gelegen aan de percelen kadastraal bekend Ameide, sectie [sectie] nummer [nummer 1] en sectie [sectie] nummer [nummer 2] voor de periode 15 maart 2020 tot en met 14 maart 2021 (de aanvraag). Eiseres wil een haalbaarheidsstudie uitvoeren naar het commercieel bevissen van kleine poldersloten op uitheemse rivierkreeft.
2. Verweerder heeft de afwijzing in bezwaar gehandhaafd met de motivering dat niet is gebleken dat eiseres de deskundigheid bezit om een dergelijk onderzoek op visserijgebied te verrichten en dat geen wetenschappelijke en voor het algemeen belang bruikbare gegevens opgeleverd zullen worden.
3.1
De voor deze zaak toepasselijke wet- en regelgeving zijn opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.
3.2
De mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid moet verweerder de belangen van de aanvrager om een ontheffing afwegen tegen de belangen die met het ontheffingsvereiste zijn gediend. In beroep wordt beoordeeld of verweerder zijn besluit zorgvuldig heeft voorbereid en goed gemotiveerd heeft en of de uitkomst van de belangenafweging niet onredelijk is.
4.1
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen consequenties verbindt aan de schending van artikel 4:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin is geregeld dat het bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid moet stellen zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de beschikking wordt afgewezen. De weigering van de ontheffing is een bezwarend besluit dat valt binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Door het schenden van artikel 4:7, eerste lid, van de Awb is het unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden.
4.2
Verweerder heeft in bezwaar erkend dat eiseres ten onrechte niet de gelegenheid is geboden zijn zienswijze te geven, maar heeft dit gebrek gepasseerd omdat eiseres haar zienswijze in bezwaar alsnog kenbaar heeft kunnen maken en niet aannemelijk is dat eiseres door het gebrek in haar belangen is geschaad.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is dat eiseres in haar belangen is geschaad doordat zij niet voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit maar in bezwaar haar zienswijze op de afwijzing heeft kunnen geven. Verweerder heeft dat gebrek daarom terecht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd.
5.1
Eiseres voert aan dat verweerder de belangen niet zorgvuldig heeft afgewogen en het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder stelt ten onrechte dat de uitkomsten van het onderzoek niet voor anderen beschikbaar en bruikbaar zullen zijn. Eiseres heeft juist een grote mate van bereidbaarheid getoond om de resultaten bij getoonde interesse te delen en bovendien had verweerder ervoor kunnen kiezen om bijvoorbeeld een publicatieplicht als voorwaarde aan de ontheffing te verbinden. Daarnaast stelt verweerder ten onrechte dat eiseres onvoldoende deskundig is om een dergelijk onderzoek uit te kunnen voeren. Verweerder had hier specifiek naar moeten vragen en de aanvraag ziet slechts op de kreeftenkorf welke relatief eenvoudig te plaatsen en te gebruiken is en waarmee geen substantiële onttrekking van vis kan worden bewerkstelligd en de bijvangst minimaal is. Eiseres heeft ook (praktijk)ervaring opgedaan door literatuuronderzoek en door een stage bij een beroepsvisser. Eiseres stelt dat zij wel degelijk een algemeen belang heeft aangetoond, aangezien het onderzoek gegevens kan opleveren die betrekking hebben op aanwezige kennishiaten en ook moet rekening gehouden worden met de belangen van de natuurbescherming in het kader van de bestrijding van de rivierkreeftenplaag. Tot slot doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat is gebleken dat aan onderzoeksbureau EIS wel een ontheffing is verleend voor onderzoek naar kreeften zonder aanvullende zware eisen.
5.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot afwijzing van de ontheffing heeft kunnen besluiten. Daarbij neemt zij het volgende in aanmerking.
Zoals in het bestreden besluit is vermeld, is het verbod om te vissen met een kreeftenkorf ingesteld ter bescherming van de visstand en het realiseren van een doelmatig en duurzaam visstandbeheer. Verweerder heeft niet betwist dat het onderzoek dat eiseres met de door haar beschreven kreeftenkorf wil uitvoeren geen afbreuk doet aan de bescherming van de visstand en het realiseren van een doelmatig en duurzaam visstandbeheer.
Op grond van artikel 16, tweede lid, onder a, van de Visserijwet 1963 en artikel 33, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling visserij dient bij het besluiten omtrent verlening van een ontheffing het belang van de natuurbescherming mee te wegen. Algemeen bekend is dat uitheemse rivierkreeften schadelijk zijn voor de natuur. Indien uit het onderzoek dat eiseres wil uitvoeren blijkt dat het bevissen van kleine poldersloten op uitheemse rivierkreeft commercieel haalbaar is, kan dat ertoe leiden dat er meer op uitheemse rivierkreeft gevist gaat worden waardoor de schade aan de natuur die uitheemse rivierkreeften veroorzaken beperkt wordt.
Ter zitting heeft verweerder erkend dat het mogelijk is de ontheffing te verlenen onder de voorwaarde dat de resultaten gepubliceerd moeten worden. Daarmee is gewaarborgd dat de resultaten van het onderzoek bruikbaar zijn voor eenieder en het onderzoek daarmee het algemeen belang dient.
Wat betreft de deskundigheid van eiseres is van belang dat, zoals door verweerder ter zitting is erkend, het gebruik van de kreeftenkorven geen specifieke deskundigheid vereist. De kreeftenkorven zijn eenvoudig te plaatsen en te legen en de vangst kan eenvoudig worden geregistreerd. Eiseres heeft ervaring met het uitvoeren van bedrijfseconomisch onderzoek. Dat is voldoende voor het onderzoek dat eiseres wil uitvoeren. Voor dat onderzoek is, anders dan verweerder ter zitting stelde, niet vereist dat eiseres over ecologische of biologische kennis beschikt nu het onderzoek niet is gericht op het beantwoorden van een ecologische of biologische vraag. Ter zitting heeft verweerder de eis dat het onderzoek wetenschappelijk van aard zou moeten zijn, niet langer gehandhaafd.
6. Uit 5.2 volgt dat het belang dat is gediend met het ontheffingsvereiste is gewaarborgd. Afgezet tegenover het belang van eiseres bij verlening van de ontheffing, maakt dat de weigering van de ontheffing onredelijk. Het bestreden besluit kan geen stand houden, zodat het beroep daartegen gegrond is. Wat eiseres verder heeft aangevoerd, kan onbesproken blijven. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en de gevraagde ontheffing op na te melden wijze te verlenen.
7. Verweerder moet het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond. De gemachtigde van eiseres is haar enig aandeelhouder en statutair bestuurder en behartigt daarom zijn eigen belang (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7771). De verleende rechtsbijstand is daarom niet door een derde verleend.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en verleent aan eiseres de ontheffing zoals door haar op 3 maart 2020 aangevraagd, met ingang van 1 december 2021 onder de voorwaarde dat de resultaten van het met de ontheffing te verrichten onderzoek voor eenieder toegankelijk worden gemaakt via publicatie op internet;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht (€ 354,-) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr.F. van Ommeren, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2021.
De rechter en de griffier zijn verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage: juridisch kader
Het Reglement voor de binnenvisserij 1985 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
Artikel 2
1. Het is verboden te vissen met andere vistuigen dan de volgende:
(…)
c. de kreeftenkorf;
(…)
Artikel 7a
1. Het is verboden te vissen met de vistuigen genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen c tot en met q, tenzij dat vissen plaatsvindt in het IJsselmeer.
(…)
Artikel 11
Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van de bepalingen bij of krachtens dit besluit.
Artikel 12
Aan vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen als bedoeld in de vorige artikelen kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken.
De Uitvoeringsregeling visserij luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
Artikel 33
1. Bij het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen alsmede bij het daaraan verbinden van voorschriften en het verlenen onder beperkingen, als bedoeld in artikel 6d, tweede lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977, en de artikel 11 en 12, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, wordt mede rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming.
2. Aan vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen als bedoeld in onderhavige regeling, kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen worden ingetrokken.
(…)
De Visserijwet 1963 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
Artikel 16
(…)
2. Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid wordt mede rekening gehouden met:
a. de belangen van de natuurbescherming, en
(…)