Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-10-17
ECLI:NL:RBGEL:2025:10443
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,072 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:10443 text/xml public 2026-04-16T10:14:20 2025-12-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-10-17 24/1784 V Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:10443 text/html public 2026-04-16T10:13:56 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:10443 Rechtbank Gelderland , 17-10-2025 / 24/1784 V Wet WOZ. Zie ook RBGEL:2025:8777. Verzet uitspraak in twee van de 254 zaken van Previcus, waarin is beslist zoals is opgenomen in de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 21-8-2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:8766. Overige zaken zijn ingetrokken in overleg. De rechtbank oordeelt dat de bestreden 8:54-uitspraak juist is. Geen dwangsom verschuldigd. De toegekende proceskostenvergoeding van 15 euro per zaak is niet te laag. Berekening conform Besluit Proceskosten Bestuursrecht (1 punt voor beroep x 1,5 voor samenhang x wegingsfactor 0,5 x factor 0,1 op grond van art. 30a Wet WOZ gedeeld door 254 zaken) leidt tot 0,27 euro per zaak. Verzet ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/1784 V uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 oktober 2025 op het verzet van [opposante] , uit [plaats], opposante (gemachtigde: [gemachtigde]), Inleiding Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2024 waarin de rechtbank het beroep van opposante kennelijk gegrond heeft verklaard, het verzoek om toekenning van een dwangsom heeft afgewezen en een proceskostenvergoeding heeft toegekend van € 15. Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet gedaan. Het verzet richt zich alleen tegen de afwijzing van de dwangsom en tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. Opposante heeft niet verzocht om op zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank van het verzet De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende kennelijk gegrond geacht, omdat de heffingsambtenaar ten onrechte bij één uitspraak op bezwaar heeft beslist op de bezwaarschriften die namens verschillende belanghebbenden waren ingediend. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen om binnen tien weken na dagtekening van de uitspraak van de rechtbank opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van 15 juli 2024 terecht is geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond is, wat betekent dat dit buiten redelijke twijfel moet zijn geweest. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Omdat de verzetgronden zich niet richten tegen het gegrond verklaren van het beroep, hoeft de rechtbank hierover geen oordeel te geven. Het oordeel gaat daarom alleen over de dwangsom en de proceskostenvergoeding. Dwangsom 3. Opposante heeft in het verzetschrift met dagtekening 6 augustus 2024 gesteld dat de heffingsambtenaar de maximale dwangsom verschuldigd is. Primair omdat de rechtbank de brief van de heffingsambtenaar van 23 februari 2024 met de uitspraak op bezwaar ten onrechte heeft aangemerkt als een geldige uitspraak op bezwaar en een voor beroep vatbare beschikking voor 254 door de gemachtigde van opposante ingediende bezwaarschriften. Daarbij is ook van belang dat de bekendmaking volgens opposante niet rechtsgeldig is geweest. Opposante heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de rechtbank de uitspraken op bezwaar nietig had dienen te verklaren nu deze uitspraken in strijd met de wet en niet op voorgeschreven wijze zijn genomen. Meer subsidiair heeft opposante gesteld dat de uitspraken op bezwaar door vernietiging nooit hebben bestaan omdat hiervoor terugwerkende kracht zou gelden, zodat de heffingsambtenaar niet tijdig op de bezwaren heeft beslist en de ingebrekestelling geldig is. Tot slot heeft opposante verzocht om een aanvullende dwangsom voor het geval de heffingsambtenaar de termijn van het opnieuw uitspraak doen niet haalt. 4. Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. De dwangsom geldt voor elke dag dat het bestuursorgaan in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een in gebreke stelling heeft ontvangen. 5. De ingebrekestelling is ontvangen op 4 maart 2024. Er kan daarom alleen een dwangsom zijn verbeurd als de eerdere brief van de heffingsambtenaar niet kwalificeert als een uitspraak op bezwaar en een voor beroep vatbare beschikking. 6. In haar uitspraak van 15 juli 2024 heeft deze rechtbank geoordeeld dat de brief van 23 februari 2024 van de heffingsambtenaar kwalificeert als een voor beroep vatbare beschikking als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Zij heeft daartoe het volgende overwogen: “(…) De brief bevat namelijk alle uiterlijke èn inhoudelijke kenmerken van een uitspraak op bezwaar. Daarin heeft de heffingsambtenaar immers niet alleen de ontvangst van diverse bezwaarschriften bevestigd, maar ook bij het onderwerp ‘Uitspraak bezwaren’ vermeld en daarbij een rechtsmiddelenclausule opgenomen. Bovenal is in de brief onder het tussenkopje “Besluit bovengenoemde objecten” vermeld dat de bezwaren ongegrond worden verklaard en dat de waardevaststellingen en de aanslagen ozb worden gehandhaafd. De vraag of de uitspraak op bezwaar rechtmatig is, met andere woorden of de heffingsambtenaar in één document uitspraken op bezwaar mocht opnemen voor meer belanghebbenden, maakt het oordeel niet anders. De beoordeling of een voor beroep vatbare beschikking is genomen, staat namelijk los van de inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar. De vraag of een beschikking rechtmatig is, komt aan de orde in de inhoudelijke procedure, maar die speelt geen rol bij de vraag of de beschikking genomen is. (…)” 7. De door opposante ingenomen primaire en (meer) subsidiaire standpunten in verzet kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat de heffingsambtenaar niet tijdig een beschikking heeft genomen. Daaraan doet niet af dat de beschikking na de inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar niet rechtmatig is gebleken en door de rechtbank is vernietigd. Van terugwerkende kracht van de vernietiging in de zin van artikel 3:53 Burgerlijk wetboek is geen sprake, omdat het hier gaat om een vernietiging door de bestuursrechter van een onjuiste uitspraak op bezwaar, met de opdracht om een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen. Weliswaar is de vernietigde uitspraak op bezwaar dan niet meer geldig, maar dit betekent niet dat achteraf gezien niet tijdig een besluit is genomen. Vanaf de uitspraak van de rechtbank is namelijk een nieuwe beslistermijn van 10 weken gaan lopen. Zoals al door deze rechtbank is overwogen, staat de beoordeling of een besluit is genomen los van de beoordeling van de inhoud van het genomen besluit. De door opposante aangehaalde artikelen 24a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en 7:12 van de Awb zien op de (vernietiging) van de inhoud van het besluit. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar met dagtekening 23 februari 2024 tijdig een beschikking op aanvraag (in dit geval op het bezwaar) gegeven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is deze uitspraak ook rechtsgeldig bekendgemaakt, doordat deze naar de gemachtigde is gestuurd en ook door de gemachtigde is ontvangen. De ingebrekestelling dateert van daarna, waardoor de heffingsambtenaar niet in gebreke is geweest en dus ook geen dwangsom heeft verbeurd. Buiten redelijke twijfel is dat deze beslissing juist is, zodat het verzet hiertegen niet kan slagen. 8. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 juli 2024 een termijn van tien weken gesteld voor het doen van de nieuwe individuele uitspraak op bezwaar.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:10443 text/xml public 2026-04-16T10:14:20 2025-12-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-10-17 24/1784 V Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:10443 text/html public 2026-04-16T10:13:56 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:10443 Rechtbank Gelderland , 17-10-2025 / 24/1784 V Wet WOZ. Zie ook RBGEL:2025:8777. Verzet uitspraak in twee van de 254 zaken van Previcus, waarin is beslist zoals is opgenomen in de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 21-8-2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:8766. Overige zaken zijn ingetrokken in overleg. De rechtbank oordeelt dat de bestreden 8:54-uitspraak juist is. Geen dwangsom verschuldigd. De toegekende proceskostenvergoeding van 15 euro per zaak is niet te laag. Berekening conform Besluit Proceskosten Bestuursrecht (1 punt voor beroep x 1,5 voor samenhang x wegingsfactor 0,5 x factor 0,1 op grond van art. 30a Wet WOZ gedeeld door 254 zaken) leidt tot 0,27 euro per zaak. Verzet ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/1784 V uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 oktober 2025 op het verzet van [opposante] , uit [plaats], opposante (gemachtigde: [gemachtigde]), Inleiding Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2024 waarin de rechtbank het beroep van opposante kennelijk gegrond heeft verklaard, het verzoek om toekenning van een dwangsom heeft afgewezen en een proceskostenvergoeding heeft toegekend van € 15. Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet gedaan. Het verzet richt zich alleen tegen de afwijzing van de dwangsom en tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. Opposante heeft niet verzocht om op zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank van het verzet De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende kennelijk gegrond geacht, omdat de heffingsambtenaar ten onrechte bij één uitspraak op bezwaar heeft beslist op de bezwaarschriften die namens verschillende belanghebbenden waren ingediend. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen om binnen tien weken na dagtekening van de uitspraak van de rechtbank opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van 15 juli 2024 terecht is geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond is, wat betekent dat dit buiten redelijke twijfel moet zijn geweest. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Omdat de verzetgronden zich niet richten tegen het gegrond verklaren van het beroep, hoeft de rechtbank hierover geen oordeel te geven. Het oordeel gaat daarom alleen over de dwangsom en de proceskostenvergoeding. Dwangsom 3. Opposante heeft in het verzetschrift met dagtekening 6 augustus 2024 gesteld dat de heffingsambtenaar de maximale dwangsom verschuldigd is. Primair omdat de rechtbank de brief van de heffingsambtenaar van 23 februari 2024 met de uitspraak op bezwaar ten onrechte heeft aangemerkt als een geldige uitspraak op bezwaar en een voor beroep vatbare beschikking voor 254 door de gemachtigde van opposante ingediende bezwaarschriften. Daarbij is ook van belang dat de bekendmaking volgens opposante niet rechtsgeldig is geweest. Opposante heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de rechtbank de uitspraken op bezwaar nietig had dienen te verklaren nu deze uitspraken in strijd met de wet en niet op voorgeschreven wijze zijn genomen. Meer subsidiair heeft opposante gesteld dat de uitspraken op bezwaar door vernietiging nooit hebben bestaan omdat hiervoor terugwerkende kracht zou gelden, zodat de heffingsambtenaar niet tijdig op de bezwaren heeft beslist en de ingebrekestelling geldig is. Tot slot heeft opposante verzocht om een aanvullende dwangsom voor het geval de heffingsambtenaar de termijn van het opnieuw uitspraak doen niet haalt. 4. Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. De dwangsom geldt voor elke dag dat het bestuursorgaan in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een in gebreke stelling heeft ontvangen. 5. De ingebrekestelling is ontvangen op 4 maart 2024. Er kan daarom alleen een dwangsom zijn verbeurd als de eerdere brief van de heffingsambtenaar niet kwalificeert als een uitspraak op bezwaar en een voor beroep vatbare beschikking. 6. In haar uitspraak van 15 juli 2024 heeft deze rechtbank geoordeeld dat de brief van 23 februari 2024 van de heffingsambtenaar kwalificeert als een voor beroep vatbare beschikking als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Zij heeft daartoe het volgende overwogen: “(…) De brief bevat namelijk alle uiterlijke èn inhoudelijke kenmerken van een uitspraak op bezwaar. Daarin heeft de heffingsambtenaar immers niet alleen de ontvangst van diverse bezwaarschriften bevestigd, maar ook bij het onderwerp ‘Uitspraak bezwaren’ vermeld en daarbij een rechtsmiddelenclausule opgenomen. Bovenal is in de brief onder het tussenkopje “Besluit bovengenoemde objecten” vermeld dat de bezwaren ongegrond worden verklaard en dat de waardevaststellingen en de aanslagen ozb worden gehandhaafd. De vraag of de uitspraak op bezwaar rechtmatig is, met andere woorden of de heffingsambtenaar in één document uitspraken op bezwaar mocht opnemen voor meer belanghebbenden, maakt het oordeel niet anders. De beoordeling of een voor beroep vatbare beschikking is genomen, staat namelijk los van de inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar. De vraag of een beschikking rechtmatig is, komt aan de orde in de inhoudelijke procedure, maar die speelt geen rol bij de vraag of de beschikking genomen is. (…)” 7. De door opposante ingenomen primaire en (meer) subsidiaire standpunten in verzet kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat de heffingsambtenaar niet tijdig een beschikking heeft genomen. Daaraan doet niet af dat de beschikking na de inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar niet rechtmatig is gebleken en door de rechtbank is vernietigd. Van terugwerkende kracht van de vernietiging in de zin van artikel 3:53 Burgerlijk wetboek is geen sprake, omdat het hier gaat om een vernietiging door de bestuursrechter van een onjuiste uitspraak op bezwaar, met de opdracht om een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen. Weliswaar is de vernietigde uitspraak op bezwaar dan niet meer geldig, maar dit betekent niet dat achteraf gezien niet tijdig een besluit is genomen. Vanaf de uitspraak van de rechtbank is namelijk een nieuwe beslistermijn van 10 weken gaan lopen. Zoals al door deze rechtbank is overwogen, staat de beoordeling of een besluit is genomen los van de beoordeling van de inhoud van het genomen besluit. De door opposante aangehaalde artikelen 24a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en 7:12 van de Awb zien op de (vernietiging) van de inhoud van het besluit. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar met dagtekening 23 februari 2024 tijdig een beschikking op aanvraag (in dit geval op het bezwaar) gegeven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is deze uitspraak ook rechtsgeldig bekendgemaakt, doordat deze naar de gemachtigde is gestuurd en ook door de gemachtigde is ontvangen. De ingebrekestelling dateert van daarna, waardoor de heffingsambtenaar niet in gebreke is geweest en dus ook geen dwangsom heeft verbeurd. Buiten redelijke twijfel is dat deze beslissing juist is, zodat het verzet hiertegen niet kan slagen. 8. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 juli 2024 een termijn van tien weken gesteld voor het doen van de nieuwe individuele uitspraak op bezwaar.
Volledig
Indien de heffingsambtenaar niet binnen deze termijn beslist, staat het opposante vrij om aan de heffingsambtenaar een nieuwe ingebrekestelling te sturen. De grond van opposante met betrekking tot een aanvullende dwangsom indien de nieuwe termijn voor het doen van uitspraak niet wordt gehaald kan niet slagen, omdat die vraag in deze verzetzaak niet voorligt. Kostenvergoeding 9. Opposante is van mening dat de rechtbank voor het toekennen van een proceskostenvergoeding terecht naar boven is afgeweken van de forfaitaire vergoeding zoals opgenomen in het Besluit proceskostenbestuursrecht (Bpb). Met het door de rechtbank toegekende bedrag van € 15 per zaak (totaal € 3.810) is volgens opposante echter geen sprake van een redelijke tegemoetkoming in de kosten omdat er, ondanks het feit dat het geschilpunt in alle zaken gelijk was, meer werk mee gemoeid was dan door de rechtbank is ingeschat. Opposante acht een vergoeding van € 50 per zaak redelijk. 10. Naar het oordeel van de rechtbank was een vergoeding van € 15 per zaak veel meer dan waar opposante op grond van het Bpb in 2024 recht op zou hebben. Uitgaande van de regels inzake de forfaitaire vergoeding uit 2024 bedraagt het totale bedrag voor 254 samenhangende zaken € 65,63 (1 punt voor het indienen van het beroep met een waarde per punt in 2024 van € 875, vermenigvuldigd met een wegingsfactor 1,5 in verband met de samenhangende zaken, een wegingsfactor 0,5 voor de zwaarte van de zaken en de extra vermenigvuldigingsfactor 0,1 van artikel 30a Wet WOZ omdat de uitspraak na 1 januari 2024 is gedaan, het om een formele vraag ging en het primaire besluit niet is vernietigd). Gedeeld door 254 zaken komt de vergoeding dan uit op € 0,26 per zaak. Naar de tarieven van 2025 zou dit bedrag op € 0,27 per zaak uitkomen (bedrag per punt is dan € 907). In beide gevallen is de toegekende vergoeding aanzienlijk hoger dan de forfaitaire vergoeding volgens het Bpb. De werkzaamheden die de gemachtigde in het verzetschrift heeft opgesomd zijn niet voorzien van een bijbehorende tijdsbesteding en evenmin van een uurtarief. Bovendien is een belangrijk deel van de werkzaamheden administratief van aard, zodat de vraag is of het in zoverre wel om rechtsbijstand gaat. Verder is een vergoeding voor rechtsbijstand slechts een tegemoetkoming in de kosten, zodat de toegekende vergoeding niet (ongeveer) kostendekkend hoeft te zijn. Daarom is buiten redelijke twijfel dat een vergoeding van € 15 per zaak niet te laag is. De verzetgrond hiertegen faalt daarom. Griffierecht 11. Opposante heeft in haar aanvullend verzetschrift opgenomen dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat een vergoeding van het griffierecht van € 50 per zaak door de heffingsambtenaar dient te worden vergoed, aangezien opposante een bedrag van € 51 aan griffierecht heeft betaald. 11. Op zichzelf is juist dat het griffierecht in deze zaak € 51 heeft bedragen, zodat de uitspraak van de rechtbank inderdaad een onjuistheid bevat. Het gaat hierbij om een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Voor partijen had direct duidelijk kunnen zijn dat de hoogte van het te vergoeden griffierecht te laag was, omdat dit vaststaande bedragen zijn die in de wet zijn vastgelegd. Belanghebbende kan met een verzoek om een hersteluitspraak de uitspraak laten herstellen. De verzetsrechter beschouwt deze verzetgrond als een dergelijk verzoek en zal het verzoek toezenden aan de rechter die de uitspraak heeft gedaan waartegen het verzet is ingesteld. 13. Een dergelijke kennelijke schrijffout maakt niet dat het verzet gegrond is, omdat de uitspraak als zodanig door het herstel hiervan niet wordt aangetast. Conclusie en gevolgen 14. Het verzet is ongegrond. 14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 17 oktober 2025. griffier rechter Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7771. Hoge Raad, 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2583, r.o. 3.5.1. Artikel 8:41, tweede lid, van de Awb.
Volledig
Indien de heffingsambtenaar niet binnen deze termijn beslist, staat het opposante vrij om aan de heffingsambtenaar een nieuwe ingebrekestelling te sturen. De grond van opposante met betrekking tot een aanvullende dwangsom indien de nieuwe termijn voor het doen van uitspraak niet wordt gehaald kan niet slagen, omdat die vraag in deze verzetzaak niet voorligt. Kostenvergoeding 9. Opposante is van mening dat de rechtbank voor het toekennen van een proceskostenvergoeding terecht naar boven is afgeweken van de forfaitaire vergoeding zoals opgenomen in het Besluit proceskostenbestuursrecht (Bpb). Met het door de rechtbank toegekende bedrag van € 15 per zaak (totaal € 3.810) is volgens opposante echter geen sprake van een redelijke tegemoetkoming in de kosten omdat er, ondanks het feit dat het geschilpunt in alle zaken gelijk was, meer werk mee gemoeid was dan door de rechtbank is ingeschat. Opposante acht een vergoeding van € 50 per zaak redelijk. 10. Naar het oordeel van de rechtbank was een vergoeding van € 15 per zaak veel meer dan waar opposante op grond van het Bpb in 2024 recht op zou hebben. Uitgaande van de regels inzake de forfaitaire vergoeding uit 2024 bedraagt het totale bedrag voor 254 samenhangende zaken € 65,63 (1 punt voor het indienen van het beroep met een waarde per punt in 2024 van € 875, vermenigvuldigd met een wegingsfactor 1,5 in verband met de samenhangende zaken, een wegingsfactor 0,5 voor de zwaarte van de zaken en de extra vermenigvuldigingsfactor 0,1 van artikel 30a Wet WOZ omdat de uitspraak na 1 januari 2024 is gedaan, het om een formele vraag ging en het primaire besluit niet is vernietigd). Gedeeld door 254 zaken komt de vergoeding dan uit op € 0,26 per zaak. Naar de tarieven van 2025 zou dit bedrag op € 0,27 per zaak uitkomen (bedrag per punt is dan € 907). In beide gevallen is de toegekende vergoeding aanzienlijk hoger dan de forfaitaire vergoeding volgens het Bpb. De werkzaamheden die de gemachtigde in het verzetschrift heeft opgesomd zijn niet voorzien van een bijbehorende tijdsbesteding en evenmin van een uurtarief. Bovendien is een belangrijk deel van de werkzaamheden administratief van aard, zodat de vraag is of het in zoverre wel om rechtsbijstand gaat. Verder is een vergoeding voor rechtsbijstand slechts een tegemoetkoming in de kosten, zodat de toegekende vergoeding niet (ongeveer) kostendekkend hoeft te zijn. Daarom is buiten redelijke twijfel dat een vergoeding van € 15 per zaak niet te laag is. De verzetgrond hiertegen faalt daarom. Griffierecht 11. Opposante heeft in haar aanvullend verzetschrift opgenomen dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat een vergoeding van het griffierecht van € 50 per zaak door de heffingsambtenaar dient te worden vergoed, aangezien opposante een bedrag van € 51 aan griffierecht heeft betaald. 11. Op zichzelf is juist dat het griffierecht in deze zaak € 51 heeft bedragen, zodat de uitspraak van de rechtbank inderdaad een onjuistheid bevat. Het gaat hierbij om een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Voor partijen had direct duidelijk kunnen zijn dat de hoogte van het te vergoeden griffierecht te laag was, omdat dit vaststaande bedragen zijn die in de wet zijn vastgelegd. Belanghebbende kan met een verzoek om een hersteluitspraak de uitspraak laten herstellen. De verzetsrechter beschouwt deze verzetgrond als een dergelijk verzoek en zal het verzoek toezenden aan de rechter die de uitspraak heeft gedaan waartegen het verzet is ingesteld. 13. Een dergelijke kennelijke schrijffout maakt niet dat het verzet gegrond is, omdat de uitspraak als zodanig door het herstel hiervan niet wordt aangetast. Conclusie en gevolgen 14. Het verzet is ongegrond. 14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 17 oktober 2025. griffier rechter Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7771. Hoge Raad, 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2583, r.o. 3.5.1. Artikel 8:41, tweede lid, van de Awb.