Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-10-14
ECLI:NL:RBROT:2021:10086
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,094 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/6355
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. E. van Lunteren.
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) een voorlopig voorkeursrecht gevestigd op de gronden in het ‘gebied Urkersingel’ in Rotterdam.
Bij besluit van 21 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2021. Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [persoon A] .
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiser is (mede)eigenaar van de woning en het perceel gelegen aan de [adres] in Rotterdam. Dit adres is gelegen in het ‘gebied Urkersingel’, waarop het voorlopig voorkeursrecht is gevestigd. Het voorlopig voorkeursrecht rust dus op deze woning van eiser.
1.2.
Bij besluit van 21 februari 2019 heeft de gemeenteraad een definitief voorkeursrecht gevestigd op de gronden in het ‘gebied Urkersingel’.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Met het besluit van de gemeenteraad van 21 februari 2019 is het primaire besluit van rechtswege komen te vervallen, zodat eiser volgens verweerder geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar tegen het primaire besluit.
Standpunt eiser
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), dat hij met het oog op een eventueel schadeverhaal op verweerder belang heeft behouden bij een beoordeling van zijn bezwaar. Zijn bezwaar is volgens eiser dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Wettelijk kader
4. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wvg kunnen burgemeester en wethouders gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5 in werking treedt.
Beoordeling
5.1.
Met het besluit van de gemeenteraad van 21 februari 2019 tot het vestigen van een definitief voorkeursrecht op de gronden in het ‘gebied Urkersingel’, is het primaire besluit blijkens artikel 6, eerste lid, tweede volzin, van de Wvg van rechtswege vervallen. Dit maakt dat het primaire besluit ten tijde van het bestreden besluit juridisch gezien niet meer bestond, zodat een herroeping daarvan – hetgeen eiser met het maken van bezwaar (hoofdzakelijk) beoogde te bereiken – ten tijde van het bestreden besluit niet meer aan de orde kon zijn. Dit betekent in beginsel dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen belang meer had bij een beoordeling van zijn bezwaar tegen het primaire besluit.
5.2.
Het vorenstaande zou echter anders worden, in die zin dat eiser toch belang bij een beoordeling van zijn bezwaar zou hebben, indien hij stelt dat hij schade heeft geleden en tot op zekere hoogte aannemelijk zou maken dat hij die schade daadwerkelijk en als gevolg van het in geding zijnde besluit heeft geleden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3329). In dit geval eiser heeft weliswaar gesteld dat hij schade heeft geleden, maar heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van WOZ-aanslagen (vgl. de uitspraak van de Afdeling 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9686), dat hij die schade daadwerkelijk en als gevolg van het primaire besluit – het daarbij gevestigde voorlopig voorkeursrecht heeft minder dan drie maanden gegolden – heeft geleden.
5.3.
Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar tegen het primaire besluit en mitsdien terecht dit bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Overigens merkt de rechtbank op dat eisers bezwaren tegen de vestiging van het voorkeursrecht ten volle zijn/worden beoordeeld in de bezwaar- en beroepsprocedure betreffende het besluit van de gemeenteraad van 21 februari 2019.
Conclusie
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van
drs. S.R. Jonkergouw, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 14 oktober 2021.
de griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/6355
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. E. van Lunteren.
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) een voorlopig voorkeursrecht gevestigd op de gronden in het ‘gebied Urkersingel’ in Rotterdam.
Bij besluit van 21 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2021. Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [persoon A] .
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiser is (mede)eigenaar van de woning en het perceel gelegen aan de [adres] in Rotterdam. Dit adres is gelegen in het ‘gebied Urkersingel’, waarop het voorlopig voorkeursrecht is gevestigd. Het voorlopig voorkeursrecht rust dus op deze woning van eiser.
1.2.
Bij besluit van 21 februari 2019 heeft de gemeenteraad een definitief voorkeursrecht gevestigd op de gronden in het ‘gebied Urkersingel’.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Met het besluit van de gemeenteraad van 21 februari 2019 is het primaire besluit van rechtswege komen te vervallen, zodat eiser volgens verweerder geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar tegen het primaire besluit.
Standpunt eiser
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), dat hij met het oog op een eventueel schadeverhaal op verweerder belang heeft behouden bij een beoordeling van zijn bezwaar. Zijn bezwaar is volgens eiser dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Wettelijk kader
4. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wvg kunnen burgemeester en wethouders gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5 in werking treedt.
Beoordeling
5.1.
Met het besluit van de gemeenteraad van 21 februari 2019 tot het vestigen van een definitief voorkeursrecht op de gronden in het ‘gebied Urkersingel’, is het primaire besluit blijkens artikel 6, eerste lid, tweede volzin, van de Wvg van rechtswege vervallen. Dit maakt dat het primaire besluit ten tijde van het bestreden besluit juridisch gezien niet meer bestond, zodat een herroeping daarvan – hetgeen eiser met het maken van bezwaar (hoofdzakelijk) beoogde te bereiken – ten tijde van het bestreden besluit niet meer aan de orde kon zijn. Dit betekent in beginsel dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen belang meer had bij een beoordeling van zijn bezwaar tegen het primaire besluit.
5.2.
Het vorenstaande zou echter anders worden, in die zin dat eiser toch belang bij een beoordeling van zijn bezwaar zou hebben, indien hij stelt dat hij schade heeft geleden en tot op zekere hoogte aannemelijk zou maken dat hij die schade daadwerkelijk en als gevolg van het in geding zijnde besluit heeft geleden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3329). In dit geval eiser heeft weliswaar gesteld dat hij schade heeft geleden, maar heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van WOZ-aanslagen (vgl. de uitspraak van de Afdeling 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9686), dat hij die schade daadwerkelijk en als gevolg van het primaire besluit – het daarbij gevestigde voorlopig voorkeursrecht heeft minder dan drie maanden gegolden – heeft geleden.
5.3.
Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar tegen het primaire besluit en mitsdien terecht dit bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Overigens merkt de rechtbank op dat eisers bezwaren tegen de vestiging van het voorkeursrecht ten volle zijn/worden beoordeeld in de bezwaar- en beroepsprocedure betreffende het besluit van de gemeenteraad van 21 februari 2019.
Conclusie
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van
drs. S.R. Jonkergouw, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 14 oktober 2021.
de griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.