Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2021-06-22
ECLI:NL:RBLIM:2021:4980
Bestuursrecht
Bodemzaak
1,778 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 20/1804
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2021 in de zaak tussen
[Naam] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D. van Zoelen),
en
de Minister van Defensie, verweerder
(gemachtigden: mr. A.J.M. Zwiep en L.D. de Groot).
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser afgegeven ‘verklaring van geen bezwaar’ (hierna: vgb) ingetrokken.
Bij besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een nadere reactie ingediend.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en de rechtbank verzocht om te bepalen dat artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op enkele van die stukken van toepassing is, zodat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis kan nemen.
De rechtbank heeft de verzochte beperking van de kennisneming daarvan gerechtvaardigd geoordeeld.
Eiser heeft vervolgens de toestemming verleend bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, zodat de rechtbank uitspraak kan doen mede op de grondslag van de inhoud van de stukken waarvan de beperking van de kennisneming is gevraagd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser had een vertrouwensfunctie bij het Ministerie van Defensie, sinds [ datum 1] als reservist. De vgb was op [datum 2] voor deze functie afgegeven. Met het primaire besluit is die vgb ingetrokken, omdat er – kort gezegd – vanwege recente gedragingen van eiser onvoldoende waarborgen zijn dat hij de vertrouwensfunctie integer en onafhankelijk kan en zal uitoefenen. Verweerder heeft zich daarbij deels beroepen op de verplichting tot geheimhouding, wat betekent dat eiser beperkt inzicht kan worden gegeven in de feitelijke gedragingen.
Met ingang van [datum 3] is eiser eervol ontslag verleend uit deze vertrouwensfunctie. Volgens verweerder heeft eiser daarom geen procesbelang meer bij het beroep.
2. Zoals ter zitting is besproken, moet de rechtbank eerst beoordelen of eiser nog wel een procesbelang heeft bij deze beroepsprocedure. Als dat niet zo is, dan is het beroep niet-ontvankelijk en komt de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van zijn zaak niet toe.
3. Eiser vindt dat hij nog wel procesbelang heeft en voert – samengevat – het volgende aan. Volgens hem wordt ten onrechte aan zijn integriteit getwijfeld. Dat raakt hem en hij wil dat dit wordt rechtgezet. Daar komt nog bij dat hij geen idee heeft op basis waarvan dan aan hem wordt getwijfeld, omdat deze informatie voor hem geheim wordt gehouden. Eiser kan zich daardoor ook niet goed verdedigen. Dat wil hij in dit beroep aan de orde stellen. Als de intrekking van deze vgb blijft staan, heeft dat ook gevolgen voor zijn carrièremogelijkheden. Eiser is nu al vergevorderd in een procedure voor een nieuwe functie waarvoor ook een vgb noodzakelijk is. Als deze vgb ingetrokken blijft, dan kan dat volgens eiser in deze procedure problemen opleveren.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft en licht dat hierna toe.
Uit de rechtspraak hierover volgt dat sprake is van procesbelang als het resultaat dat eiser met het beroep wil bereiken ook daadwerkelijk kan worden bereikt én het realiseren van dat resultaat feitelijke betekenis heeft. Het mag dan niet alleen om een principiële kwestie gaan. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 17 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:325). Met andere woorden: eiser moet er echt concreet iets mee opschieten als hij in beroep gelijk zou krijgen en zo de intrekking van de vgb ongedaan wordt gemaakt.
In dat verband is allereerst van belang dat een vgb wordt verleend voor een bepaalde functie. Vast staat dat eiser de functie, waarvoor deze vgb is afgegeven, niet meer bekleedt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang bij het (weer) verkrijgen van de vgb voor een functie die hij niet bekleedt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3329).
Daarnaast kan een procesbelang ook in de toekomst zijn gelegen. Verweerder heeft daarover toegelicht dat bij een eventuele nieuwe aanvraag voor een vgb alles weer helemaal openstaat. De rechtbank verwijst daarvoor ook naar de uitspraak van de ABRvS van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1602). Dit betekent dat een nieuwe aanvraag voor een vgb op basis van de dán bekende feiten en omstandigheden geheel opnieuw wordt beoordeeld, in het licht van de functie waarvoor een vgb op dat moment gevraagd wordt. Weliswaar is het mogelijk dat daarbij ook de feiten en omstandigheden worden betrokken die aan de intrekking van deze vgb ten grondslag liggen, maar die worden dan in de hele context opnieuw beoordeeld en kunnen dan eventueel in die procedure worden bestreden. De intrekking van deze vgb wordt eiser daarbij niet tegengeworpen, zo heeft verweerder ter zitting nog eens uitdrukkelijk verklaard. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom ook geen toekomstig belang bij het ongedaan maken van de intrekking van de vgb.
Dit betekent dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling toekomt.
De rechtbank kan zich voorstellen dat deze uitkomst voor eiser onbevredigend voelt. Hoe begrijpelijk dat ook is, de vraag naar procesbelang is een feitelijke, juridische beoordeling waarin geen ruimte is voor zijn emotionele en principiële belangen.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 22 juni 2021
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.