Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2018-10-12
ECLI:NL:RBROT:2018:8363
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,793 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 2
zaaknummers: ROT 17/6370 en ROT 18/1677
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2018 in de zaken tussen
[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,
gemachtigden: [naam 1] en [naam 2],
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder,
gemachtigden: M. Cavlak en B. Vroegindeweij.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2017 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) maandelijks wordt uitbetaald na een schatting van de inkomsten uit arbeid.
Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ROT 17/6370.
Bij besluit van 15 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres beëindigd met ingang van 1 juli 2017.
Bij besluit van 8 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ROT 18/1677.
De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 21 juni 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de door eiseres ter zitting overgelegde berekening. Na ontvangst van reacties van beide partijen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiseres ontving tot juli 2017 een uitkering op grond van de Pw. Met ingang van 20 februari 2017 is eiseres in dienst getreden bij Jumbo voor een wisselend aantal uren per maand.
ROT 17/6370
1. Bij besluit van 7 maart 2017 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat met ingang van 1 maart 2017 haar uitkering maandelijks wordt uitgekeerd na schatting van haar inkomsten uit arbeid bij Jumbo. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. Het besluit is zichtbaar geworden in de uitkeringsspecificaties vanaf maart 2017. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze uitkeringsspecificaties, in het bijzonder de ontbrekende uitkeringsspecificatie voor de maand juni 2017.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 14 september 2017, het bezwaar van eiseres voor zover gericht tegen het fictief korten van de inkomsten gegrond verklaard en voor zover gericht tegen de berekening van de inkomensvrijlating ongegrond verklaard.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder met ingang van maart 2017 de inkomsten van eiseres bij Jumbo als inkomen in aanmerking is gaan nemen. Met het bestreden besluit is tussen partijen niet langer in geschil dat de wijze waarop verweerder dit heeft gedaan – door middel van schatting – niet correct is.
4. Het beroep van eiseres is met name gericht op de wijze waarop verweerder de inkomensvrijlating zoals neergelegd in artikel 31, tweede lid, aanhef onder n, van de Pw heeft toegepast. Volgens eiseres volgt uit dit artikel dat verweerder eerst de vrijlating in mindering had moeten brengen op haar inkomen bij Jumbo en daarna de hoogte van het bedrag aan resterende bijstand had moeten vaststellen. Deze beroepsgrond slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Pw heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te raken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Pw, voor zover voor deze zaak van belang, heeft de alleenstaande of het gezin, recht op algemene bijstand indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Op grond van het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van Pw, zoals dit artikel luidt per 1 april 2016, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- of inkomensbestanddelen waarover een alleenstaande of een gezin redelijkerwijs kan beschikken.
In het tweede lid, aanhef en onder n, van dit artikel is bepaald dat niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, voor zover de betrokkene algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling.
4.2.
Verweerder heeft ter uitvoering van dit artikel beleid opgesteld. Artikel 4 van de beleidsregels vrijlating inkomsten uit arbeid participatiewet, Ioaw en Ioaz luidt als volgt:
Artikel 4 Inkomstenvrijlating algemeen
1.De belanghebbende die inkomsten uit arbeid ontvangt, heeft gedurende ten hoogste zes maanden recht op de inkomstenvrijlating algemeen.
2.Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners afzonderlijk.
3.Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat één keer per bijstandsperiode.
4.Als de bijstandsperiode ten minste 30 dagen, overeenkomstig artikel 45, lid 3 van de Participatiewet, wordt onderbroken, ontstaat er een nieuw recht op de inkomstenvrijlating.
5.Lid 4 is niet van toepassing als de beëindiging van de bijstand een verwijtbare reden heeft die in belanghebbende is gelegen.
4.3.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat het aan verweerder is om nadere regels te stellen over de invulling van de voorwaarden voor inkomensvrijlating (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4484). Dit betekent dat de rechtbank een marginale toetsing moet uitvoeren. De omstandigheid dat het college vrijheid geniet om nadere regels te stellen over de invulling van de voorwaarden voor inkomensvrijlating, laat naar het oordeel van de rechtbank evenwel onverlet dat het beleid waarop het bestreden besluit is gebaseerd de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten mag gaan.
4.4.
In navolging van de ter zitting besproken rechtspraak overweegt de rechtbank dat uit het onder 3.2. weergegeven wettelijk kader volgt dat eiseres recht heeft op bijstand indien – onder meer – haar inkomen lager is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Onder inkomen moet in dat verband worden verstaan de op grond van artikel 31 van de Pw in aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid. De inkomensvrijlating, zoals vermeld in het tweede lid, aanhef en onder n, van artikel 31 van de Pw wordt niet gerekend tot de middelen en dient daarmee niet als inkomen in aanmerking te worden genomen. Uit de bewoordingen ‘voor zover hij algemene bijstand ontvangt’ volgt dat deze inkomensvrijlating van toepassing wordt geacht in situaties waarin een recht op algemene bijstand bestaat. Blijkens zijn toelichting ter zitting hanteert verweerder evenwel het beleid dat eerst wordt bekeken of het inkomen van een betrokkene boven de bijstandsnorm komt en dat slechts in die gevallen waarin dat niet zo is de inkomensvrijlating wordt toegepast. Dit beleid is niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de Pw, en evenmin met de bedoeling van de wetgever. Met de bepaling in artikel 31, aanhef en onder n, van de PW is immers juist beoogd de uitkeringsgerechtigden te stimuleren arbeid te zoeken en te behouden.
5. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder het inkomen van eiseres over de periode februari tot en met juni 2017 opnieuw dient te berekenen op de wijze als wordt voorgeschreven door artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de Pw. Het standpunt van eiseres dat verweerder het inkomen van eiseres niet naar maand mag toerekenen volgt de rechtbank niet. Uit de rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 6 oktober 2015, ECLI:NL:CRvB:2015:3397) blijkt dat het aanvaardbaar is dat verweerder de situatie per maand beziet.
6. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet op de door verweerder te maken herberekeningen zal de rechtbank bepalen dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak.
ROT 18/1677
7. Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het beroep in deze zaak eveneens gegrond dient te worden verklaard. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.
8. Verweerder heeft met het bestreden besluit het primaire besluit, waarbij het recht op bijstand van eiseres is beëindigd per juli 2017, gehandhaafd. Uit vorenstaande overwegingen volgt dat verweerder voor de periode van zes maanden volgend op het besluit van 7 maart 2017 had moeten bezien of voor eiseres de inkomensvrijlating van toepassing was. Hieruit volgt dat verweerder niet eerder dan per september 2017 het recht op bijstand van eiseres mocht beëindigen.
9.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen in de zaken ROT 17/6370 en 18/1677 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 september 2017 en draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak:
- vernietigt het bestreden besluit van 8 februari 2018 en draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak:
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht (twee maal € 46,-) vergoedt
- veroordeelt in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2505,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.L.M. van Daal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.