Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2018-12-10
ECLI:NL:RBROT:2018:10125
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,090 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/690040-18
Datum uitspraak: 10 december 2018
Tegenspraak
VONNIS (ontneming)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[Naam veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Grave, Muntlaan 1 in Grave.
Raadsman mr. P.M. Iwema, advocaat te Rotterdam.
ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 juli 2018, 9 oktober 2018, 8 november 2018, 15 november 2018 en 26 november 2018.
VOORAFGAANDE VEROORDELING
Bij vonnis van deze rechtbank van 10 december 2018 is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbare feiten. Van dat vonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
VORDERING
De vordering van de officier van justitie, mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van € 30.000,-.
De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde en/of zijn medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] een bedrag van
€ 30.000,- heeft/hebben verdiend aan de moord op [slachtoffer 1] (en [slachtoffer 2] ).
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de veroordeelde en zijn medeveroordeelde hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de vordering.
Het Openbaar Ministerie heeft verzocht de toegewezen vorderingen benadeelde partij in mindering te brengen op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
VERWEREN
De raadsman heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs van betaling aan de veroordeelde is geweest voor de liquidatie.
STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD
Blijkens het vonnis van 10 december 2018 is de veroordeelde voor zover hier van belang
veroordeeld ter zake van:
1. impliciet primair, medeplegen van moord;
2. impliciet primair, medeplegen van moord.
In deze procedure wordt daarom als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan.
VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL
Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient te worden ontnomen.
Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt geschat op € 15.000,-.
Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zijn in de aan dit vonnis gehechte bijlage B opgenomen.
Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt nader het volgende overwogen. Aannemelijk is geworden dat de veroordeelde geld heeft verdiend aan de liquidatie van [slachtoffer 1] (en [slachtoffer 2] ).
De rechtbank zal bij het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en de verklaring van de medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] dat hij en de veroordeelde samen € 30.000,- van de opdrachtgevers hebben gekregen voor de uitvoering van de liquidatie. De medeveroordeelde heeft verklaard dat ze € 30.000,- hebben gehad en hij € 15.000,- heeft gepakt. De rechtbank heeft, gelet op onder meer de verklaring van de getuige [getuige 1] inhoudende dat ze per persoon € 15.000,- van de opdrachtgevers zouden krijgen en op basis van de tapgesprekken waarin de medeveroordeelde ook spreekt over dat ze er ’30’ voor hebben gekregen, geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de medeveroordeelde met betrekking tot de opbrengst van de liquidatie. Hoewel de medeveroordeelde niet expliciet heeft verklaard dat de veroordeelde de andere helft van die € 30.000,- heeft gekregen, acht de rechtbank dit wel aannemelijk, mede gelet op het feit dat zowel de medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] als de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat de veroordeelde van het verkregen geld kleding (dure trainingspakken) heeft gekocht. Ook zou de veroordeelde volgens de medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] geld naar Curaçao hebben gestuurd en zou hij volgens getuige [getuige 2] dure spullen voor zijn vriendin hebben gekocht.
Gelet op alle voorgaande feiten, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank aannemelijk dat de veroordeelde € 15.000,- heeft verdiend aan de liquidatie van [slachtoffer 1] . Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt derhalve geschat op
€ 15.000,-.
VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG
Bepaald zal worden dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.
Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.
Samenloop met de in de hoofdzaak toegewezen vordering benadeelde partijen
In de hoofdzaak zijn de vorderingen benadeelde partij van de nabestaanden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zijnde [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] toegewezen, mede ten laste van de veroordeelde. Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat deze bedragen in mindering dienen te worden gebracht op het vast te stellen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal hiertoe niet overgaan en overweegt hiertoe als volgt.
Bij de bepaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, wordt de aan een benadeelde derde in rechte toegekende vordering overeenkomstig artikel 36e, negende lid, Sr in mindering gebracht. Bij de toepassing van deze regeling komt, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 11 april 2000, LJN AA5438, NJ 2000/590, slechts in aanmerking de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon die strekt tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat. Deze situatie doet zich hier niet voor.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro);
- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, voorzitter,
mr. F. Aukema-Hartog en mr. E.J. Stalenberg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.E.M. Broeders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 december 2018.