Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2016-09-22
ECLI:NL:RBROT:2016:7079
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,102 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 15/5595
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2016 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser,
gemachtigde: mr. C.N. Noordzee,
en
de minister van Economische Zaken, Agentschap Telecom, verweerder,
gemachtigden: mr. S. Hamstra en mr. R.A. Huiskens.
Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder een verbeurde dwangsom van € 4.500,- ingevorderd.
Bij besluit van 29 mei 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 2.900,- opgelegd.
Bij besluit van 26 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard. Het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II heeft verweerder bij dit besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat verweerder de opgelegde boete wegens eisers ontoereikende draagkracht heeft verlaagd tot een bedrag van € 2.500,-. Voor het overige heeft verweerder het primaire besluit II ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2016. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1.1
Bij besluit van 10 september 2014 heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 6.413,- en een last onder dwangsom van € 4.500,- met een maximum van € 67.500,- opgelegd wegens een illegale uitzending in de FM-omroepband op 26 juni 2014 vanuit de woning aan de [adres] in [woonplaats] , waarvan eiser de gebruiker is (de woning van eiser). Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is.
1.2.
Op 24 maart 2015 hebben toezichthouders van verweerder een onderzoek ingesteld naar de juiste naleving van de Telecommunicatiewet (Tw). De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 1 april 2015 (het rapport). Het rapport vermeldt dat toezichthouders van verweerder hebben geconstateerd dat op 24 maart 2015 opnieuw vanuit eisers woning, zonder vereiste vergunning, een uitzending in de FM-omroepband is verzorgd. Hierop heeft verweerder de primaire besluiten I en II genomen.
2. Op grond van artikel 3.13, eerste lid, van de Tw is voor het gebruik van frequentieruimte in beginsel een vergunning van de Minister vereist.
Op grond van artikel 10.9, eerste lid, van de Tw is het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben, of het gebruik van radiozendapparaten slechts toegestaan als hiervoor aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofdstuk 3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is verleend.
Op grond van artikel 15.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Tw zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast de bij besluit van de Minister aangewezen ambtenaren, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op het gebruik van frequentieruimte.
Op grond van artikel 15.2., eerste lid, van de Tw is de Minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde bepalingen.
Op grond van artikel 15.4, eerste lid, van de Tw kan de Minister een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450.000,- ter zake van overtreding van de bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde regels.
3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het onder 1.2. vermelde rapport. Uit dit rapport blijkt dat de toezichthouders van verweerder op 24 maart 2015 ter hoogte van [plaats 1] een radiozender hebben waargenomen op de frequentie 97,3 MHz in de FM-omroepband. Radiopeilingen, relatieve veldsterktemetingen en een ter plaatse ingesteld onderzoek wezen uit dat de waargenomen radiocommunicatiesignalen werden uitgestraald vanaf een antenne-installatie die op het dak van een flatgebouw aan de [straat] in [woonplaats] (het flatgebouw) stond opgesteld. De toezichthouders constateerden dat de antenne-installatie was verbonden met een coaxiale kabel die via een geopend bovenraam de woning van eiser in ging. Op het moment dat de toezichthouders ter hoogte van de woning liepen, werd de balkondeur van deze woning geopend en verschenen twee mannen op het balkon. Een toezichthouder herkende één van de mannen ambtshalve als eiser. Daarnaast hoorden de toezichthouders, via de geopende balkondeur, vanuit de woning dezelfde muziek als de muziek die door de zender werd uitgezonden. Verder zagen de toezichthouders dat de tweede man een petje op had met de tekst: [tekst] , terwijl zij vlak daarvoor op de radiozender hadden gehoord dat de zender werd aangekondigd met de naam [tekst] . De toezichthouders hadden tijdens de uitzending ook gehoord dat luisteraars voor een reactie konden bellen naar het telefoonnummer [nummer] , het telefoonnummer van eiser. Ten slotte hebben de toezichthouders geconstateerd dat in de directe omgeving van het perceel geen andere antenne-installaties stonden opgesteld waarvandaan de betreffende radiocommunicatie-signalen werden uitgestraald.
4. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het rapport van bevindingen en de conclusie die daaruit is getrokken, namelijk dat op 24 maart 2015 vanuit de woning van eiser een uitzending in de FM-omroepband is verzorgd. Gelet hierop lag het op de weg van eiser zijn standpunt dat niet hij, maar een derde in het flatgebouw verantwoordelijk was voor de uitzending, nader te onderbouwen. Nu hij dit niet heeft gedaan, was het – anders dan eiser kennelijk meent – niet aan verweerder om nader te onderzoeken of de uitzending vanuit een andere woning in het flatgebouw werd verzorgd.
5. Nadat de toezichthouders van verweerder hadden geconstateerd dat de betreffende radio-uitzending werd verzorgd met behulp van een antenne-installatie op het flatgebouw die was verbonden met een coaxiale kabel die naar eisers woning leidde, hebben de toezichthouders vanaf een steiger rondom eisers woning foto’s gemaakt en nadere bevindingen gedaan. Daarnaast heeft eiser op 24 maart 2015 een spontane verklaring tegenover de toezichthouders afgelegd. Voor zover eiser betoogt dat deze foto’s en bevindingen van de toezichthouders vanaf de steiger en zijn verklaring niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, behoeft dit betoog naar het oordeel van de rechtbank geen verdere bespreking. Zoals volgt uit overwegingen 3 en 4, heeft verweerder immers ook zonder gebruikmaking van deze foto’s en bevindingen van de toezichthouders en eisers verklaring kunnen concluderen dat de betreffende illegale uitzending vanuit de woning van eiser is verzorgd.
6. Nu op 24 maart 2015 vanuit eisers woning in strijd met de artikelen 3.13, eerste lid, en 10.9, eerste lid, van de Tw zonder vereiste vergunning een radio-uitzending is verzorgd, heeft eiser op 24 maart 2015 van rechtswege een dwangsom verbeurd van € 4.500,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsom gebruik kunnen maken. Op grond van artikel 15.4, eerste lid, van de Tw was verweerder daarnaast bevoegd aan eiser een bestuurlijke boete op te leggen.
7.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de aan hem opgelegde boete, wegens zijn persoonlijke omstandigheden, onevenredig is in verhouding tot de met deze boete te dienen doelen.
7.2.
Verweerder heeft de boete vastgesteld op basis van de ‘Beslisboom en motivering hoogte boete’ (Beslisboom). In het geval van eiser is verweerder daarbij uitgegaan van een basisboete van € 2.500,-, omdat gebruik is gemaakt van een permanente antenne-installatie. Daarnaast is een opslag van € 400,- vastgesteld wegens een geografisch bereik van 19 kilometer. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het totale boetebedrag van € 2.900,- gematigd tot een bedrag van € 2.500,- wegens eisers ontoereikende financiële draagkracht. In het (aanvullend) verweerschrift heeft verweerder nader toegelicht dat gezien de jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 11 januari 2016 (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CBB:2016:6) aan eiser als functioneel overtreder geen opslag voor het grote geografische bereik had mogen worden opgelegd en dat de boete op het basisboetebedrag van € 2.500,- had moeten worden vastgesteld. Omdat de hoogte van de aan eiser opgelegde boete echter gelijk is aan dit basisboetebedrag, ziet verweerder geen aanleiding de boete verder te matigen.
7.3.
Volgens de Beslisboom is de basisboete bij het gebruik van een permanente installatie € 2.500,- en bij het gebruik van mobiele mast, aanstuurzender of een gescheiden opstelling € 5.000,-. De minister beoogt met het opleggen van boetes voor illegaal FM-gebruik speciale en generale preventie. De boetes zijn zo vastgesteld dat er noemenswaardige preventie vanuit gaat. In de Beslisboom is met de draagkracht van de overtreder rekening gehouden doordat voor de hoogte van de basisboetebedragen is uitgegaan van financieel zwakke overtreders.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 15/5595
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2016 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser,
gemachtigde: mr. C.N. Noordzee,
en
de minister van Economische Zaken, Agentschap Telecom, verweerder,
gemachtigden: mr. S. Hamstra en mr. R.A. Huiskens.
Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder een verbeurde dwangsom van € 4.500,- ingevorderd.
Bij besluit van 29 mei 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 2.900,- opgelegd.
Bij besluit van 26 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard. Het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II heeft verweerder bij dit besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat verweerder de opgelegde boete wegens eisers ontoereikende draagkracht heeft verlaagd tot een bedrag van € 2.500,-. Voor het overige heeft verweerder het primaire besluit II ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2016. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1.1
Bij besluit van 10 september 2014 heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 6.413,- en een last onder dwangsom van € 4.500,- met een maximum van € 67.500,- opgelegd wegens een illegale uitzending in de FM-omroepband op 26 juni 2014 vanuit de woning aan de [adres] in [woonplaats] , waarvan eiser de gebruiker is (de woning van eiser). Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is.
1.2.
Op 24 maart 2015 hebben toezichthouders van verweerder een onderzoek ingesteld naar de juiste naleving van de Telecommunicatiewet (Tw). De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 1 april 2015 (het rapport). Het rapport vermeldt dat toezichthouders van verweerder hebben geconstateerd dat op 24 maart 2015 opnieuw vanuit eisers woning, zonder vereiste vergunning, een uitzending in de FM-omroepband is verzorgd. Hierop heeft verweerder de primaire besluiten I en II genomen.
2. Op grond van artikel 3.13, eerste lid, van de Tw is voor het gebruik van frequentieruimte in beginsel een vergunning van de Minister vereist.
Op grond van artikel 10.9, eerste lid, van de Tw is het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben, of het gebruik van radiozendapparaten slechts toegestaan als hiervoor aan de houder van die radiozendapparaten op grond van hoofdstuk 3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte is verleend.
Op grond van artikel 15.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Tw zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast de bij besluit van de Minister aangewezen ambtenaren, voor zover het betreft de bepalingen die betrekking hebben op het gebruik van frequentieruimte.
Op grond van artikel 15.2., eerste lid, van de Tw is de Minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde bepalingen.
Op grond van artikel 15.4, eerste lid, van de Tw kan de Minister een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450.000,- ter zake van overtreding van de bij of krachtens de in artikel 15.1, eerste lid, bedoelde regels.
3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het onder 1.2. vermelde rapport. Uit dit rapport blijkt dat de toezichthouders van verweerder op 24 maart 2015 ter hoogte van [plaats 1] een radiozender hebben waargenomen op de frequentie 97,3 MHz in de FM-omroepband. Radiopeilingen, relatieve veldsterktemetingen en een ter plaatse ingesteld onderzoek wezen uit dat de waargenomen radiocommunicatiesignalen werden uitgestraald vanaf een antenne-installatie die op het dak van een flatgebouw aan de [straat] in [woonplaats] (het flatgebouw) stond opgesteld. De toezichthouders constateerden dat de antenne-installatie was verbonden met een coaxiale kabel die via een geopend bovenraam de woning van eiser in ging. Op het moment dat de toezichthouders ter hoogte van de woning liepen, werd de balkondeur van deze woning geopend en verschenen twee mannen op het balkon. Een toezichthouder herkende één van de mannen ambtshalve als eiser. Daarnaast hoorden de toezichthouders, via de geopende balkondeur, vanuit de woning dezelfde muziek als de muziek die door de zender werd uitgezonden. Verder zagen de toezichthouders dat de tweede man een petje op had met de tekst: [tekst] , terwijl zij vlak daarvoor op de radiozender hadden gehoord dat de zender werd aangekondigd met de naam [tekst] . De toezichthouders hadden tijdens de uitzending ook gehoord dat luisteraars voor een reactie konden bellen naar het telefoonnummer [nummer] , het telefoonnummer van eiser. Ten slotte hebben de toezichthouders geconstateerd dat in de directe omgeving van het perceel geen andere antenne-installaties stonden opgesteld waarvandaan de betreffende radiocommunicatie-signalen werden uitgestraald.
4. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het rapport van bevindingen en de conclusie die daaruit is getrokken, namelijk dat op 24 maart 2015 vanuit de woning van eiser een uitzending in de FM-omroepband is verzorgd. Gelet hierop lag het op de weg van eiser zijn standpunt dat niet hij, maar een derde in het flatgebouw verantwoordelijk was voor de uitzending, nader te onderbouwen. Nu hij dit niet heeft gedaan, was het – anders dan eiser kennelijk meent – niet aan verweerder om nader te onderzoeken of de uitzending vanuit een andere woning in het flatgebouw werd verzorgd.
5. Nadat de toezichthouders van verweerder hadden geconstateerd dat de betreffende radio-uitzending werd verzorgd met behulp van een antenne-installatie op het flatgebouw die was verbonden met een coaxiale kabel die naar eisers woning leidde, hebben de toezichthouders vanaf een steiger rondom eisers woning foto’s gemaakt en nadere bevindingen gedaan. Daarnaast heeft eiser op 24 maart 2015 een spontane verklaring tegenover de toezichthouders afgelegd. Voor zover eiser betoogt dat deze foto’s en bevindingen van de toezichthouders vanaf de steiger en zijn verklaring niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, behoeft dit betoog naar het oordeel van de rechtbank geen verdere bespreking. Zoals volgt uit overwegingen 3 en 4, heeft verweerder immers ook zonder gebruikmaking van deze foto’s en bevindingen van de toezichthouders en eisers verklaring kunnen concluderen dat de betreffende illegale uitzending vanuit de woning van eiser is verzorgd.
6. Nu op 24 maart 2015 vanuit eisers woning in strijd met de artikelen 3.13, eerste lid, en 10.9, eerste lid, van de Tw zonder vereiste vergunning een radio-uitzending is verzorgd, heeft eiser op 24 maart 2015 van rechtswege een dwangsom verbeurd van € 4.500,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsom gebruik kunnen maken. Op grond van artikel 15.4, eerste lid, van de Tw was verweerder daarnaast bevoegd aan eiser een bestuurlijke boete op te leggen.
7.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de aan hem opgelegde boete, wegens zijn persoonlijke omstandigheden, onevenredig is in verhouding tot de met deze boete te dienen doelen.
7.2.
Verweerder heeft de boete vastgesteld op basis van de ‘Beslisboom en motivering hoogte boete’ (Beslisboom). In het geval van eiser is verweerder daarbij uitgegaan van een basisboete van € 2.500,-, omdat gebruik is gemaakt van een permanente antenne-installatie. Daarnaast is een opslag van € 400,- vastgesteld wegens een geografisch bereik van 19 kilometer. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het totale boetebedrag van € 2.900,- gematigd tot een bedrag van € 2.500,- wegens eisers ontoereikende financiële draagkracht. In het (aanvullend) verweerschrift heeft verweerder nader toegelicht dat gezien de jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 11 januari 2016 (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CBB:2016:6) aan eiser als functioneel overtreder geen opslag voor het grote geografische bereik had mogen worden opgelegd en dat de boete op het basisboetebedrag van € 2.500,- had moeten worden vastgesteld. Omdat de hoogte van de aan eiser opgelegde boete echter gelijk is aan dit basisboetebedrag, ziet verweerder geen aanleiding de boete verder te matigen.
7.3.
Volgens de Beslisboom is de basisboete bij het gebruik van een permanente installatie € 2.500,- en bij het gebruik van mobiele mast, aanstuurzender of een gescheiden opstelling € 5.000,-. De minister beoogt met het opleggen van boetes voor illegaal FM-gebruik speciale en generale preventie. De boetes zijn zo vastgesteld dat er noemenswaardige preventie vanuit gaat. In de Beslisboom is met de draagkracht van de overtreder rekening gehouden doordat voor de hoogte van de basisboetebedragen is uitgegaan van financieel zwakke overtreders.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.